Home

Rechtbank Utrecht, 25-06-1997, ZL0532, 53369/HAZA 96-24

Rechtbank Utrecht, 25-06-1997, ZL0532, 53369/HAZA 96-24

Gegevens

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
25 juni 1997
Datum publicatie
8 april 2013
ECLI
ECLI:NL:RBUTR:1997:ZL0532
Zaaknummer
53369/HAZA 96-24
Relevante informatie
Invorderingswet 1990 [Tekst geldig vanaf 01-01-2024 tot 01-01-2025] art. 40, 32 IW 1990

Uitspraak

INVORDERING

Vaststaande feiten

2.2. Tot 21 januari 1994 waren Ter Haar c.s. de enige houders van aandelen in 'BV Meubeltoonkamer 'Utrecht' v/h J.H. ter Haar' (hierna: de vennootschap). E. ter Haar was directeuraandeelhouder en hield 50,22% van de aandelen van het geplaatste kapitaal. P. ter Haar hield 49,78% van de aandelen.

2.3. De vennootschap dreef vóór 21 januari 1994 een (detail-)handel in meubelen, meubelfournituren en woningtextiel in het pand Lijnmarkt 19 (hierna: het pand). Het pand was eigendom van de vennootschap.

Bij de vennootschap waren (afgezien van A. ter Haar) drie werknemers in dienst.

2.4. Kort voor 21 januari 1994 zijn de arbeidsovereenkomsten met voormelde werknemers beëindigd en heeft de vennootschap een 'opheffingsuitverkoop' gehouden.

2.5. Medio april 1993 hebben E. ter Haar en L.J. Nederhof (hierna: Nederhof) mondeling overeenstemming bereikt over de verkoop van alle aandelen in de vennootschap voor een koopprijs van f 2.000.000.

2.6. De in 2.5 vermelde overeenkomst is door notaris J.P. Dierkens Schuttevaer (hierna: notaris Schuttevaer) te Utrecht op schrift gesteld.

Op 12 juli 1993 hebben E. ter Haar en Nederhof de aldus op schrift gestelde overeenkomst ondertekend. E. ter Haar heeft getekend voor zich, als directeur van de vennootschap namens de vennootschap, en als gevolmachtigde van P. ter Haar.

Nederhof heeft getekend als gevolmachtigde van Nieuwegeinse Project Ontwikkeling BV (hierna: NPO).

2.7. Na het sluiten van de in 2.5 vermelde mondelinge overeenkomst maar vóór de ondertekening van de in 2.6 vermelde schriftelijke overeenkomst hebben Ter Haar c.s. zich ter advisering gewend tot hun procureur en tot de AA-accountant P. Oerlemans (hierna: Oerlemans).

2.8. Eerdergenoemde schriftelijke overeenkomst vermeldt onder meer:

'Verkoop, Koop en aankomsttitel

Art. 1.

1. Verkoper heeft per 14 mei 1993 verkocht aan koper, die per 14 mei 1993 heeft gekocht:

5 prioriteitsaandelen en 271 gewone aandelen, de prioriteitsaandelen nominaal groot f 100 en de gewone aandelen nominaal groot f 500 in het kapitaal van de vennootschap.

2. Alle baten en lasten van de verkochte aandelen komen met ingang van de levering voor rekening en risico van koper.

Koopsom Kosten

Art. 2.

1. De koopsom bedraagt in totaal f 2.000.000

2. De kosten van overdracht, waaronder begrepen deze akte en de notariële akte van levering, zijn voor rekening van koper.

Verplichting tot overdracht en Datum:

Art. 3.

1. De verkoper is verplicht de verkochte aandelen door middel van levering in eigendom over te dragen aan koper, die moet aanvaarden.

2. De levering vond plaats op 21 januari 1994 of zoveel eerder als partijen nader overeenkomen, in een akte te verlijden voor één van de notarissen van het kantoor Hermans & Schuttevaer te Utrecht (of de fungerende plaatsvervanger), hierna verder te noemen: 'notaris'.

Betaling Koopsom:

Art. 4.

1. De betaling van de koopsom en de overige kosten van overdracht vindt plaats bij de ondertekening van de notariële akte van levering door creditering van de bankrekening(en) van de notaris uiterlijk per de dag van levering per valuta van die dag.

2. De koopsom zal door de notaris aan verkoper betaald worden door overboeking naar een door hem op te geven bankrekening, nadat de notariële akte van levering is getekend.'

(...)

'Garanties.

Art. 6.

Verkoper garandeert bij deze (deze garanties zullen evenzeer gelden naar de toestand bij de levering) aan koper:'

(...)

'B. Ten aanzien van de vennootschap:

(...)

6. Bij de levering van de aandelen zullen geen personen in dienst van de vennootschap zijn.

De vennootschap heeft geen bijzondere verplichtingen ten opzichte van haar ex-werknemers, bestuurders of commissarissen, noch ten opzichte van andere personen, met wie - anders dan in dienstverband - overeenkomsten tot het verrichten van bepaalde diensten of werkzaamheden zijn gesloten.'

(...)

'C. ten aanzien van de jaarrekening:

C. JAARREKENING PER 21-01-1994.

1. Aan de akte van levering van de aandelen zal een balans worden gehecht conform het aan deze akte gehechte ontwerp, met bijbehorende winst- en verliesrekening.'

(...)

'non liquidatiebeding:

Art. 7.

1. Koper maakt zich sterk dat de vennootschap voor 1 januari 2000 zal worden ontbonden noch zal ophouden te bestaan zonder dat alsdan ten genoegen van verkoper voldoende vaststaat dat voor hem daaruit geen fiscale aanslagen of naheffingsaanslagen kunnen voortvloeien.

2. Koper maakt zich sterk dat voor 1 januari 1997 de onderneming van de vennootschap dan wel van één van haar dochtermaatschappijen niet zal worden gestaakt zonder dat alsdan ten genoegen van verkoper vaststaat dat voor hem daaruit geen aansprakelijkheden op grond van de Invorderingswet 1990 kunnen voortvloeien.

3. Koper garandeert bij verkoop van het hiervoor bedoelde registergoed de fiscale winstafdracht terzake van het verkochte onroerend goed casu quo de herbelegging daarvan binnen de daarvoor gestelde fiscale termijn terwijl hij verkoper tevens vrijwaart voor eventuele fiscale aanspraken daaruit voortvloeiende.'

(...)

'verkoop onroerend goed.

Art. 16.

De vennootschap is op eerste verzoek van koper verplicht mee te werken aan de verkoop en levering van het hiervoor bedoelde registergoed aan een aan door koper aan te wijzen derde (koper zelf daaronder begrepen), mits:

- de (netto)koopprijs tenminste twee miljoen gulden (f 2.000.000) zal zijn, kosten koper; en

- de levering plaatsvindt in de periode 1 januari 1994 tot 21 januari 1994;

- de koopsom zal worden voldaan op een alsdan lopende rekening van de vennootschap;

- de akte van transport de gebruikelijke voorwaarden en bedingen bevat voor een transport als het onderhavige, een en ander ter beoordeling van de vennootschap.'

2.9. De in art. 6.C.1 van de schriftelijke overeenkomst bedoelde ontwerp- balans van de vennootschap vermeldt aan de actiefzijde een bedrag van f 174.000 terzake van onroerend goed en een bedrag van f 126.000 terzake van liquide middelen.

2.10. Het bepaalde in art. 16 van de overeenkomst is in de overeenkomst opgenomen op verzoek van NPO. Dit verzoek is gedaan na het sluiten van de in 2.5 vermelde mondelinge overeenkomst. E. ter Haar heeft zich hieromtrent laten adviseren door haar procureur. Voorts heeft (de procureur van) E. ter Haar dit verzoek met voormelde notaris(sen)besproken alvorens daarmee in te stemmen.

2.11. Bij brief van 18 januari 1994 heeft notaris K.H.J. Flink, een kantoorgenoot van notaris Schuttevaer, aan E. ter Haar meegedeeld dat in de plaats van NPO is getreden Stichting Aandelen Beheer Furred (hierna: Furred) en dat hij een uittreksel uit het stichtingenregister van deze stichting meezendt.

2.12. Een uittreksel met betrekking tot Furred uit het stichtingenregister te Utrecht vermeldt - zakelijk - onder meer:

- de stichting is opgericht door J. Kooy (hierna: Kooy);

- de stichting is opgericht bij akte van 20 oktober 1993;

- de stichting heeft ten doel het zonder winstoogmerk beheren van aandelen, onroerende goederen, en andere vermogensbestanddelen, en verder het bijstaan inzake bestuurlijke activiteiten;

- het kapitaal van de stichting wordt gevormd door vergoedingen;

- de eerste bestuurder van de stichting is Kooy.

2.13. Op enig moment vóór 21 januari 1994 heeft NPO van Ter Haar c.s. verlangd dat de vennootschap zou meewerken aan de levering van het pand aan een derde.

2.14. Op 21 januari 1994 is het pand bij akte, verleden voor notaris Schuttevaer, voor f 2.000.000 k.k. geleverd aan een derde. Vervolgens zijn alle aandelen in de vennootschap op dezelfde datum bij akte, verleden voor dezelfde notaris, voor f 2.000.000 geleverd aan Furred.

2.15. Bij brief van 20 mei 1994 heeft Oerlemans de Belastingdienst Ondernemingen te Utrecht meegedeeld dat de vennootschap haar bedrijfsactiviteiten op 1 januari 1994 heeft gestaakt.

Bij brieven van 8 augustus 1994 respectievelijk 13 september 1994 hebben de vennootschap respectievelijk Kooy de belastingdienst te Utrecht dezelfde mededeling gedaan.

2.16. Op 29 april 1995 is aan de vennootschap een aanslag vennootschapsbelasting opgelegd van f 647.469, waarvan een bedrag van f 636.256 onbetaald is gebleven. Deze aanslag staat onherroepelijk vast. De vennootschap biedt geen verhaal voor deze aanslag.

2.17 Bij kennisgevingen van 6 september 1995 heeft de Ontvanger Ter Haar c.s. aansprakelijk gesteld voor de belastingschuld van de vennootschap tot een bedrag van f 330.110 (E. ter Haar) respectievelijk een bedrag van f 327.217 (P. ter Haar).

2.18. Bij brieven van 6 oktober 1995 hebben Ter Haar c.s. voormelde aansprakelijkstellingen betwist.

Geschil

De vordering van de Ontvanger houdt het volgende in:

- veroordeling van E. ter Haar tot betaling van f 319.528;

- veroordeling van P. ter Haar tot betaling van f 316.728;

- beide bedragen te vermeerderen met de invorderingsrente, althans, voor zover de vordering op de subsidiaire grondslag wordt toegewezen, met de wettelijke rente, althans een rente gelijk aan de invorderingsrente, vanaf 6 november 1995;

- veroordeling van Ter Haar c.s. in de kosten van de procedure.

Ter Haar c.s. hebben tegen het gevorderde verweer gevoerd. Op hun weren zal voor zoveel nodig in het onderstaande worden ingegaan.

Overwegingen van de rechtbank

5.1. Tussen partijen staat vast dat de vennootschap de onderneming in 1994 heeft gestaakt en dat de door de vennootschap over 1994 verschuldigde vennootschapsbelasting voor het door de Ontvanger gevorderde bedrag niet is betaald. Bij de beoordeling van de vordering van de Ontvanger op de primaire grondslag komt het daarom aan op het antwoord op de vraag of Ter Haar c.s. wisten of redelijkerwijs behoorden te weten dat na de levering van de aandelen op 21 januari 1994 alle of nagenoeg alle bezittingen van de vennootschap zouden worden verduisterd. Onder verduistering dient in dit verband te worden verstaan het onttrekken van tot de vennootschap behorend actief aan verhaal door de fiscus.

5.2. Onder verwijzing naar de wetsgeschiedenis en naar de Leidraad Invordering 1990 stelt de Ontvanger dat de omstandigheid, dat de prijs die een koper bereid is te betalen voor de aandelen van een vennootschap naar objectieve maatstaven gemeten te hoog is, een belangrijke aanwijzing vormt, dat de verkoper van de aandelen wist of heeft moeten weten dat de koper de bezittingen van de vennootschap zou verduisteren. Op zichzelf hebben Ter Haar c.s. dit uitgangspunt, dat de rechtbank ook overigens als juist voorkomt, niet bestreden, zodat ook de rechtbank daarvan zal uitgaan. Evenmin hebben zij betwist dat de koopprijs van het pand van f 2.000.000 in overeenstemming was met de verkoopwaarde van het pand. Ook de rechtbank zal daarom van die waarde uitgaan.

Bij verkoop van het pand voor f 2.000.000 zou de boekwinst f 1.826.000 hebben bedragen. Boven deze boekwinst zou er derhalve nog een bedrag van f 300.000 in de vennootschap aanwezig zijn geweest. Dit bedrag zou voldoende zijn geweest ter financiering van een latente belastingclaim, nu de contante waarde van een dergelijke belastingclaim op 16% van de boekwinst, derhalve op f 292.160, kan worden gesteld.

5.4. De Ontvanger heeft dit verweer bestreden. Volgens de Ontvanger is een berekening van de contante waarde van de latente belastingschuld alleen aan de orde in het geval er sprake is van een voornemen tot vervanging van het bedrijfsmiddel, i.c. het pand. Een dergelijk voornemen was volgens hem niet aanwezig. Ter Haar c.s. hadden dan ook uit dienen te gaan van een latente belastingschuld ter hoogte van het volle tarief, derhalve 35/40% van de fiscale boekwinst.

5.5. Ter gelegenheid van de pleidooien hebben Ter Haar c.s. hiertegen ingebracht, dat Nederhof het percentage van 16% genoemd heeft. Ten kantore van notaris Schuttevaer zijn de fiscale aspecten van de transactie aan de orde geweest, daarbij is ook een eventueel te hanteren percentage van 35 genoemd.

5.6. Voormeld verweer van Ter Haar c.s. moet reeds worden verworpen, omdat zij niet hebben gesteld dat er sprake was van een vervangingsvoornemen met betrekking tot het pand. Ten tijde van de overdracht van de aandelen beschikte de vennootschap derhalve niet over voldoende middelen om de te verwachten belastingaanslag naar het volle tarief over de boekwinst te voldoen.

De door Ter Haar c.s. ontvangen prijs voor de aandelen was derhalve naar objectieve maatstaven gemeten aanzienlijk te hoog. Uit de koopprijs hadden Ter Haar c.s. dienen te begrijpen dat aan de intentie van de koper om de belastingschuld te voldoen ernstig getwijfeld diende te worden.

5.7. Voor zover Ter Haar c.s. bedoeld hebben te betogen dat zij hadden mogen aannemen dat er een vervangingsvoornemen met betrekking tot het pand was, faalt dat betoog op de volgende gronden:

a. Ter Haar c.s. hebben zelf aangevoerd dat het hun duidelijk was dat de koper niet in de onderneming maar slechts in het pand geïnteresseerd was;

b. op het moment van de overdracht van de aandelen waren bij de vennootschap geen werknemers in dienst;

c. nu niet anders gesteld of gebleken is, moet worden aangenomen dat de vennootschap ten gevolge van de door Ter Haar c.s. gehouden opheffingsuitverkoop niet (meer) over voorraden beschikte;

d. Ter Haar c.s. hebben niet gesteld dat en met welk resultaat zij met Furred/Kooy hebben besproken welke plannen Furred/Kooy met betrekking tot (de voortzetting van) de onderneming hadden en op welke wijze inhoud gegeven zou worden aan het in art. 7 van de overeenkomst vervatte non-liquidatiebeding.

Uit het voorgaande volgt, dat het Ter Haar c.s. duidelijk moet zijn geweest of duidelijk behoorde te zijn dat er na de overdracht van de aandelen (slechts) een kasgeldvennootschap zou ontstaan, welke op eenvoudige wijze zou kunnen worden leeggehaald.

5.8. Gelet op de in voorgaande rechtsoverweging 5.6 en 5.7 aangeduide omstandigheden lag het voorts op de weg van Ter Haar c.s. de nodige zekerheid te verwerven over de voldoening van de belastingschuld, en bij te grote twijfel daarover zich van de transactie te onthouden. Dat zij zulks in onvoldoende mate hebben gedaan, komt voor hun risico.

5.9. Daarbij acht de rechtbank van belang, dat Ter Haar c.s. met betrekking tot navraag naar NPO en Furred/Kooy slechts hebben aangevoerd dat notaris Schuttevaer voorafgaande aan het passeren van de beide akten op 21 januari 1994 heeft verklaard dat hij meermalen notariële werkzaamheden voor NPO en Kooy heeft gedaan, en dat daarop niets kon worden aangemerkt. Ter Haar c.s. hebben daarmee naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende inhoud gegeven aan hun onderzoeksplicht. Gelet op de omstandigheid dat zij uit het hun toegezonden in 2.12 vermelde uittreksel uit het stichtingenregister hadden kunnen afleiden dat Furred nog maar kort voorafgaand aan de levering van de aandelen was opgericht, dat haar kapitaal bestond uit 'vergoedingen', en dat haar doelstelling zeer algemeen geformuleerd was, hadden zij niet mogen afgaan op voormelde - overigens weinig concrete - mededeling van de notaris.

5.10. Ter Haar c.s. hebben zich er voorts op beroepen niet goed te begrijpen waarom de Ontvanger niet Furred en/of haar bestuurder(s) aanspreekt. Voor zover Ter Haar c.s. dit als een zelfstandig verweer naar voren hebben willen brengen, faalt het. Art. 40 IW 1990 schept een eigen aansprakelijkheid voor degene die (meerderheids) aandelen vervreemdt.

5.11. Ook het verweer dat P. ter Haar nooit bemoeienis heeft gehad met de exploitatie van het door de vennootschap uitgeoefende winkelbedrijf gaat niet op. Vast staat immers dat de onderhavige transacties mede door, althans namens haar zijn aangegaan.

5.12. Indien het verweer van Ter Haar c.s. juist is, dat de belastinginspecteur hun heeft meegedeeld dat zij naar zijn mening te goeder trouw zijn, kan zulks aan het voorgaande niet afdoen. Voor aansprakelijkheid op grond van art. 40 IW 1990 is kwade trouw immers niet vereist.

5.13. Tenslotte faalt ook het verweer dat de Ontvanger/de Fiod van de praktijken van Kooy op de hoogte moeten zijn geweest, en dat zij op zijn minst het notariaat daarover had moeten inlichten. Art. 40 IW 1990 legt immers een eigen verantwoordelijkheid op de vervreemder van (meerderheids)aandelen. Zoals in het voorgaande reeds is overwogen, hebben Ter Haar c.s. niet aan hun eigen onderzoeksplicht voldaan.

5.14. Het verweer van Ter Haar c.s., dat aan hen geen enkel verwijt met betrekking tot de legitimiteit van de transactie kan worden gemaakt, omdat zij zich door deskundigen hebben laten bijstaan, faalt. De wetenschap van deze deskundigen moet immers (juist) aan hen worden toegerekend.

5.15. Of NPO - zoals Ter Haar c.s. aanvoeren - er een gerechtvaardigd belang bij heeft gehad te bedingen dat Ter Haar c.s. aan een eventuele verkoop van het pand voorafgaand aan de levering van de aandelen zouden meewerken, acht de rechtbank niet van belang. Dit doet immers niet af aan de vaststelling dat de door Ter Haar c.s. ontvangen koopprijs voor de aandelen aanzienlijk te hoog is geweest.

5.16. Ook het verweer, dat Ter Haar c.s. gehouden waren het pand aan een derde te leveren, omdat zij zich daartoe contractueel verplicht hadden, moet worden verworpen. Zij zijn die verplichting immers zelf aangegaan.

5.17. De slotsom is, dat alle verweren falen en dat de gevorderde hoofdsommen moeten worden toegewezen.

Ook de gevorderde rente is, als niet weersproken, toewijsbaar. Ter Haar c.s. zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld (enz.)