Home

Rechtbank Roermond, 08-02-2006, AV2518, 66555 / HA ZA 05-245

Rechtbank Roermond, 08-02-2006, AV2518, 66555 / HA ZA 05-245

Gegevens

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
8 februari 2006
ECLI
ECLI:NL:RBROE:2006:AV2518
Zaaknummer
66555 / HA ZA 05-245
Relevante informatie
Burgerlijk Wetboek Boek 3, Burgerlijk Wetboek Boek 3 310, Burgerlijk Wetboek Boek 6, Burgerlijk Wetboek Boek 6 97, Burgerlijk Wetboek Boek 6 162

Inhoudsindicatie

Incest, verjaring, (afzien van) deskundigenonderzoek.

Uitspraak

uitspraak: 8 februari 2006

V O N N I S

van de rechtbank Roermond

in de zaak van:

eiseres:

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

procureur: mr. A.J.M. Mertens;

tegen:

gedaagde:

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

procureur: mr. J.T.R. Lucassen.

1. Inhoud van het procesdossier

Er wordt recht gedaan op de volgende processtukken:

- de dagvaarding met bijlagen van 1 februari 2005;

- de conclusie van antwoord met bijlagen;

- de conclusie van repliek met bijlagen;

- de conclusie van dupliek.

2. Vaststaande feiten

De rechtbank gaat uit van de volgende tussen partijen vaststaande feiten:

- eiseres is de dochter van gedaagde;

- eiseres heeft op 4 juni 1998 aangifte gedaan van seksueel misbruik door gedaagde in de periode 1983 tot 1992;

- eiseres was in die periode tussen de 13 en 21 jaar oud;

- gedaagde is voor seksueel misbruik van zijn dochter over de periode van 1 maart 1983 tot 18 januari 1989 strafrechtelijk veroordeeld door deze rechtbank op 9 november 1999 en nadien in hoger beroep door het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch op 5 november 2001;

- na het 18e levensjaar van eiseres (derhalve vanaf 18 januari 1989) hebben tussen gedaagde en eiseres seksuele contacten plaatsgevonden.

3. Vordering en stellingen van eiseres

Eiseres vordert gedaagde te veroordelen tot betaling van:

? een immateriële schadevergoeding van € 25.000,=;

? met betrekking tot de post verlies aan arbeidsvermogen:

primair:

- tot betaling van de post verlies aan arbeidsvermogen ter hoogte van € 512.192,63 + p.m.;

subsidiair:

- tot vaststelling van de uitgangspunten voor de berekening van het verlies aan arbeidsvermogen zoals weergegeven op pagina 5 van de dagvaarding, waarna een opdracht volgt aan een schadeletselbureau om dit volgens het Audeletsysteem uit te rekenen;

? tot betaling van de therapiekosten, nader op te maken bij staat;

? tot betaling van de overige materiële schade ter hoogte van € 15.016,94;

? vermeerderd met de wettelijke rente:

- ten aanzien van de immateriële schade: vanaf de laatste dag dat het seksueel misbruik plaatsvond tot aan de dag der algehele voldoening;

- ten aanzien van de post verlies aan arbeidsvermogen:

- vanaf de jaren 1992 tot en met 2004 vanaf ieder jaar dat die schade zich voordeed tot aan de dag der algehele voldoening;

- vanaf januari 2005: vanaf de kapitalisatiedatum tot aan de dag der algehele voldoening;

- voor de overige materiële schade: vanaf de dag dat de schade zich voordeed tot aan de dag der algehele voldoening;

? de proceskosten.

Eiseres stelt daartoe het volgende.

Gedaagde is niet in cassatie gegaan van het arrest van het gerechtshof van

5 november 2001, zodat dit arrest dwingend bewijs oplevert van het seksueel misbruik. Civielrechtelijk dient dit misbruik gekwalificeerd te worden als onrechtmatige daad. Eiseres heeft als gevolg van de onrechtmatige gedragingen van gedaagde schade geleden, voor welke schade gedaagde op grond van het bepaalde in artikel 6:162 BW aansprakelijk is.

4. Verweer van gedaagde

Gedaagde concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van eiseres in de vorderingen dan wel tot afwijzing van het gevorderde, met kostenveroordeling.

Gedaagde voert daartoe het volgende verweer.

Het vorderingsrecht van eiseres is verjaard, nu er 5 jaar is verstreken sinds de spoedintake bij het RIAGG omstreeks 3 juli 1992, althans de afsluiting van de therapie die eiseres heeft ondergaan op 3 oktober 1995. Het enkele feit dat de strafrechtelijke aangifte eerst op 4 juni 1998 heeft plaatsgevonden, is niet relevant voor het vaststellen van het aanvangstijdstip van de verjaring.

Het arrest van het gerechtshof, waarbij gedaagde strafrechtelijk is veroordeeld voor seksueel misbruik van eiseres, levert geen dwingend bewijs op in deze zaak. De door rechtbank en gerechtshof vastgestelde feiten zijn niet juist.

De seksuele contacten die na het 18e levensjaar van eiseres tussen partijen hebben plaatsgevonden, waren met instemming van eiseres en zonder dat hiervoor dwang is gebruikt. Deze gedragingen zijn derhalve niet onrechtmatig.

De door eiseres gestelde schade, zowel de materiële als de immateriële, wordt betwist. Tevens betwist gedaagde de buitengerechtelijke kosten en wettelijke rente zoals door eiseres gevorderd. Tenslotte verzoekt gedaagde de rechtbank, als zij tot toewijzing van een schadevergoeding komt, de hoogte daarvan te matigen.

5. Beoordeling van het geschil

5.1 Het beroep op verjaring

In deze zaak vordert eiseres, die op 18 januari 1989 meerderjarig is geworden, bij dagvaarding van 1 februari 2005 van gedaagde schadevergoeding wegens door laatstgenoemde in een periode vanaf 1983 gepleegd seksueel misbruik. Van dit misbruik heeft eiseres in 1998 aangifte gedaan, waarna gedaagde bij onherroepelijk geworden vonnis van 5 november 2001 strafrechtelijk is veroordeeld voor het plegen van ontucht in de periode van 1 maart 1983 tot 18 januari 1989.

Gedaagde heeft een beroep gedaan op verjaring, inhoudende primair dat het bepaalde in lid 4 van artikel 3:310 BW niet van toepassing is en dat de termijn van 5 jaar genoemd in lid 1 - dat wel van toepassing is - van dat artikel reeds verstreken is, subsidiair dat voor zover lid 4 wel van toepassing is, ook op grond daarvan de verjaringstermijn is verstreken. De rechtbank oordeelt als volgt.

In het kader van de vraag of de vordering tot schadevergoeding van eiseres is verjaard, is van belang de bij Wet van 7 juli 1994, Stb. 529, nieuw ingevoerde en per 1 september 1994 in werking getreden regeling van art. 3:310 lid 4 BW. In genoemde wet (hierna: de Wet) is ter verbetering van bescherming van minderjarige slachtoffers van zedendelicten een nieuwe regeling gegeven voor de strafrechtelijke en civielrechtelijke verjaring, waarbij met name rekening is gehouden met de lange duur van het proces van verwerking van misbruikervaringen. Omdat het om de bescherming van een bijzondere categorie slachtoffers van strafbare feiten gaat, is ervoor gekozen de civielrechtelijke verjaring niet eerder te doen eindigen dan de (nieuwe) strafrechtelijke verjaring (zie artikel II van de Wet en het daarin opgenomen vierde lid van artikel 3:310 BW, in welk artikel is bepaald dat de rechtsvordering tot schadevergoeding niet verjaart zolang het recht tot strafvordering niet is verjaard).

De Hoge Raad heeft in zijn uitspraak van 8 september 2000 (LJN AA7048, NJ 2001, 2) bepaald dat voor het nieuwe art. 3:310 lid 4 BW de overgangsbepaling geldt dat de nieuwe regeling ook geldt voor strafbare feiten gepleegd vóór de inwerkingtreding van dit artikel. De onmiddellijke werking van de verjaringsregeling van art. 3:310 lid 4 BW houdt echter níet in dat een civiele vordering tot schadevergoeding die is gebaseerd op strafbare feiten gepleegd vóór de inwerkingtreding en die volgens de op dat tijdstip geldende regels reeds was verjaard, zou herleven: in zoverre wordt aan de belangen van de schuldige aan de strafbare feiten niet afgedaan. Is van zodanige (eerdere) verjaring echter geen sprake, dan dient voor de toepassing van art. 3:310 lid 4 BW ook met betrekking tot vóór de inwerkingtreding gepleegde strafbare feiten aan de hand van de nieuwe strafrechtelijke verjaringsregeling (inhoudende dat de verjaringstermijn pas gaat lopen nadat het slachtoffer 18 jaar is geworden) te worden beoordeeld of de civiele vordering is verjaard. In casu is de verjaringstermijn op grond van lid 4 van artikel 3:310 BW verstreken. Immers, gelet op artikel 70 Sr sub 3 bedroeg de termijn waardoor het recht op strafvordering ten aanzien van het door gedaagde gepleegde misbruik verjaarde 12 jaar, welke termijn ingevolge artikel 71 Sr sub 3 inging op de dag nadat eiseres 18 jaar was geworden, zijnde 19 januari 1989. De termijn is derhalve op 19 januari 2001 verjaard.

Dat er sprake is van verjaring op grond van lid 4 van artikel 3:310 BW wil niet eo ipse zeggen dat de civielrechtelijke vordering van eiseres ook verjaard is. Zoals reeds overwogen beoogt genoemd lid 4 ten behoeve van (destijds) minderjarige slachtoffers van zedendelicten zeker te stellen dat de civielrechtelijke verjaringstermijn in ieder geval niet eerder verjaart dan de strafrechtelijke termijn. Aldus wordt aan hen een extra bescherming geboden tegen het mogelijk gevaar van (voortijdige) verjaring. Uit de tekst van bedoelde wetsbepaling en de toelichtende parlementaire stukken kan echter worden afgeleid dat lid 4 van artikel 3:310 BW ook kan meebrengen dat de verjaring op grond van dat lid plaatsvond op een eerder tijdstip dan kan voortvloeien uit de toepassing van lid 1 van dat artikel. Eiseres heeft zich beroepen op de vijfjaarstermijn genoemd in dat lid 1, stellende met een beroep op HR 23 okto-ber 1998, NJ 2000,15 dat deze is gaan lopen op het moment dat zij aangifte deed op 4 juni 1998, en dat deze termijn rechtsgeldig is gestuit in juli 2002.

De rechtbank overweegt ten aanzien daarvan dat de Hoge Raad in genoemd arrest heeft geoordeeld dat een rechtsvordering als de onderhavige verjaart door verloop van vijf jaren nadat de benadeelde de voor het instellen van zijn vordering benodigde wetenschap heeft verkregen, en in ieder geval door verloop van twintig jaren na de gebeurtenis waardoor de schade is ontstaan. Ook wat het beroep op eerstbedoelde verjaringstermijn betreft, eist de rechtszekerheid - welke het instituut der verjaring mede beoogt te dienen - een vaste termijn; daarom kan in het algemeen niet worden afgeweken van het in art. 3:310 lid 1 vermelde aanvangstijdstip van die termijn. Voor zover zulks ertoe leidt dat een vordering verjaart welke de schuldenaar niet geldend heeft kúnnen maken - een geval dat art. 3:310 lid 1 blijkens zijn bewoordingen juist beoogt te voorkomen - is dat uit een oogpunt van individuele gerechtigheid moeilijk te accepteren. Daarom is, wanneer zulk een niet geldend kunnen maken voortvloeit uit omstandigheden die aan de schuldenaar moeten worden toegerekend, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat deze zich erop zou mogen beroepen dat de vijfjarige verjaring een aanvang heeft genomen op het in art. 3:310 lid 1 omschreven aanvangstijdstip daarvan. In zodanig geval moet dan ook worden aangenomen dat de verjaringstermijn eerst een aanvang neemt wanneer die omstandigheden het kunnen geldend maken van de vordering niet langer verhinderen. Als moment waarop de benadeelde met de schade bekend is geworden dient aangehouden te worden de dag na die waarop de benadeelde een zodanige fase van het verwerkingsproces heeft bereikt dat zij tot het nemen van rechtsmaatregelen werkelijk in staat is: de datum van de aangifte kan als zo’n moment worden beschouwd, aldus de Hoge Raad. De rechtbank gaat dan ook op grond hiervan voorbij aan de stelling van gedaagde dat een eerder tijdstip als ingangsdatum voor de verjaring genomen zou moeten worden, zoals de dag dat eiseres meerderjarig werd, de dag waarop zij naar de RIAGG is gegaan dan wel de dag waarop de therapie - tijdelijk - is geëindigd. Gedaagde heeft daarbij immers niet gesteld dat eiseres op die tijdstippen werkelijk in staat was rechtsmaatregelen te treffen, en ook is de rechtbank daar niet van gebleken.

Eiseres heeft aangifte gedaan op 4 juni 1998, zodat de verjaringstermijn van 5 jaar is gaan lopen op 5 juni 1998 en derhalve zou eindigen op 5 juni 2003. Door eiseres is echter gesteld, en uit de stukken blijkt dit ook, dat de verjaring is gestuit door een schrijven van haar raadsvrouw van 22 juli 2002. Vanaf die datum is de termijn van vijf jaar opnieuw gaan lopen en wel tot 23 juli 2007. Het beroep van gedaagde op verjaring gaat dan ook niet op, nu de verjaring civielrechtelijk is gestuit. Op grond van al het vorenstaande is de rechtbank dan ook van oordeel dat het beroep van gedaagde op verjaring geen doel treft.

5.2 Het bewijs van de onrechtmatige daad

ten aanzien van de periode van 1 maart 1983 tot 18 januari 1989

De rechtbank overweegt dat vast staat dat bij in kracht van gewijsde, op tegenspraak gewezen vonnis de Nederlandse strafrechter bewezen heeft verklaard dat gedaagde ontucht heeft gepleegd met eiseres in de periode van 1 maart 1983 tot 18 januari 1989. Dit levert op grond van het bepaalde in artikel 161 Rv dwingend bewijs op van dit feit in onderhavige procedure. Ex artikel 151 lid 2 Rv staat in dit geval ook tegen dwingend bewijs tegenbewijs open, nu de wet dit niet uitsluit. De rechtbank is van oordeel dat gedaagde weliswaar het feit, zoals bewezen verklaard in genoemd strafrechtelijk vonnis, heeft betwist en een beroep heeft gedaan op toelating tot tegenbewijs, doch gedaagde heeft deze betwisting verder niet, althans onvoldoende onderbouwd. Gedaagde heeft daartoe immers slechts gesteld dat hij het niet eens is met de inhoud van het strafvonnis, dat de door (rechtbank en) het hof vastgestelde feiten niet juist zijn alsmede dat de getuigenverklaringen in het strafrechtelijke proces-verbaal niet kunnen leiden tot de conclusie dat hij wel ontucht zou hebben gepleegd met eiseres, nu onduidelijk is welke eigen waarnemingen door de verschillende getuigen zijn gedaan. Gedaagde heeft in dupliek deze stellingen gehandhaafd nadat deze gemotiveerd zijn weerlegd door eiseres bij repliek. Daarmee heeft gedaagde overigens ook zijn verweer onvoldoende gemotiveerd gehandhaafd, zodat ook om die reden de betwisting van gedaagde gepasseerd wordt. Vast staat derhalve dat gedaagde in de periode van 1 maart 1983 tot 18 januari 1989 ontucht heeft gepleegd met eiseres. Dit levert een onrechtmatige daad op van gedaagde jegens eiseres.

ten aanzien van de periode van 18 januari 1989 tot 3 juni 1992

Eiseres stelt dat na haar 18e verjaardag het misbruik door gedaagde gewoon is voortgezet en dat er civielrechtelijk voldoende reden is om aan te nemen dat ook in die periode tot 3 juni 1992 sprake is van onrechtmatig gedrag door gedaagde jegens haar. Eisers heeft zich onder meer beroepen op de geestelijke dwang die zij ook na haar 18e verjaardag ondervond, stellende dat de afhankelijkheidsrelatie die er was tussen haar en gedaagde, niet opeens ophield te bestaan op de dag dat zij meerderjarig werd. Eiseres verwijst naar de afhankelijkheidsverhouding en het psychisch onvermogen van kinderen om zich tijdig te kunnen realiseren wat er eigenlijk plaats vindt als er incest wordt gepleegd, welke gegevens de reden zijn geweest voor toevoegen van lid 4 aan artikel 3:310 BW. Gedaagde heeft erkend dat in genoemde periode seksuele contacten hebben plaatsgevonden tussen hem en eiseres, doch stelt dat deze met toestemming waren van eiseres en zonder dwang plaats vonden. De rechtbank overweegt dat gedaagde de vader is van eiseres en dat in een dergelijke ouder-kindsituatie per definitie sprake is van een afhankelijkheidsrelatie. Daaraan komt naar het oordeel van de rechtbank geen einde door de enkele omstandigheid dat een kind de leeftijd van 18 jaar bereikt. Met eiseres is de rechtbank van oordeel dat de stelling dat voortgaand seksueel verkeer door een vader met een dochter, beginnend als zij 13 jaar is en voortdurend tot haar 22e, niet meer onrechtmatig is vanaf de dag van 18e verjaardag, van elke realiteit is ontbloot. Gedaagde verliest met zijn stelling ook uit het oog dat het feit dat hij alleen strafrechtelijk veroordeeld is tot aan de dag van de 18e verjaardag van zijn dochter, slechts daarin zijn oorzaak vindt, dat dergelijke handelingen met meerderjarigen niet strafbaar (meer) zijn. Dat wil echter niet zeggen dat er civielrechtelijk (ook) geen sprake zou zijn van onrechtmatig handelen. Derhalve moet het ervoor gehouden worden dat de door eiseres gestelde geestelijke dwang inderdaad aanwezig was en de seksuele contacten tussen partijen tegen de wil van eiseres hebben plaatsgevonden. Daarmee staat vast dat ook in de periode 18 januari 1989 tot 3 juni 1992 gedaagde onrechtmatig heeft gehandeld jegens eiseres. Gedaagde dient dan ook de door eiseres als gevolg van deze onrechtmatige daad geleden schade te vergoeden.

5.3 De door eiseres geleden schade

Eiseres stelt door het misbruik door haar vader schade te hebben geleden. Deze schade bestaat uit ernstige psychische schade alsmede - daarmee samenhangend - materiële schade bestaande uit overwegend opleidingsschade en verlies aan verdienvermogen. Eiseres heeft het geleden hebben van schade genoegzaam gesteld. Door gedaagde zijn de (hoogte van de) afzonderlijke schadeposten zoals die door eiseres zijn gesteld, merendeels betwist. Gedaagde heeft echter niet betwist dat eiseres door zijn onrechtmatig handelen schade als zodanig heeft geleden. De rechtbank overweegt dat uit het bepaalde in artikel 6:97 BW volgt dat wanneer de benadeelde feiten heeft gesteld (en indien nodig: bewezen) waaruit in het algemeen het geleden van schade kan worden afgeleid, de rechter in beginsel zonder nader bewijs uitgaan van het bestaan van schade - ook immateriële - en deze vervolgens, met inachtneming van de aard daarvan, door schatting bepalen. De rechtbank verwijst naar HR NJ 1991/476. Naast het feit derhalve dat met de niet-betwisting door gedaagde tussen partijen vaststaat dat eiseres schade heeft geleden als gevolg van het seksueel misbruik door gedaagde, staat de schade ook vast nu eiseres naar het oordeel van de rechtbank voldoende feiten heeft gesteld waaruit in het algemeen het geleden zijn door haar van schade kan worden vastgesteld.

De rechtbank overweegt voorts dat beide partijen, zij het in het geval van eiseres subsidiair, uitgaan van begroting van de schade middels deskundigenonderzoek. De rechtbank overweegt daarover dat zij daar niet alleen op grond van het bovenstaande aan voorbij kan gaan, doch dat zij in het onderhavige geval dat ook wenselijk acht. Een deskundigenonderzoek zal, gezien de aard van het onrechtmatig handelen van gedaagde jegens eiseres, voor de laatste zeer belastend en ingrijpend zijn daar eiseres al het in het verleden gebeurde wederom dient te herhalen tegenover zo’n deskundige, met herleving van alle traumatische ervaringen uit het verleden en gevolgen van dien. Eiseres heeft ook - naar het oordeel de rechtbank niet voor niets - verzocht in geval van deskundigenonderzoek een vrouwelijke deskundige te benoemen. Voorts laat de rechtbank meewegen dat, gelet op de aard van de gestelde schade, niet alleen een psycholoog of psychiater maar ook een arbeidsdeskundige dient te worden benoemd en dat het in de rede ligt dat op grond hunner rapporten de schade alsnog niet nauwkeurig vastgesteld kan worden. Ook daarin ziet de rechtbank aanleiding om de schade te schatten. Ten slotte geldt dat eiseres zelf primair ook de schade feitelijk heeft begroot, hetgeen - mede in aanmerking genomen de gemotiveerde betwisting op onderdelen door gedaagde - de rechtbank ook een redelijk idee van de omvang van de schade geeft. De rechtbank ziet dan ook af van het bepalen van de schade middels deskundigenonderzoek, en zal de omvang en de hoogte van de schade middels schatting zelf begroten.

De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Het is een feit van algemene bekendheid dat kinderen die seksueel misbruikt worden door (een van hun) ouders, daardoor forse psychische schade oplopen. Daarbij komt dat in de wetenschap en literatuur vader-dochter-incest als meest traumatiserende vorm van incest wordt beschouwd. In het algemeen wordt in de wetenschap en literatuur aangenomen dat vrouwelijke slachtoffers van incest lijden aan gevoelens van schuld, schaamte en angst, en dat isolement en diepe eenzaamheid kenmerkend zijn voor hun situatie. Zij hebben last van slapeloosheid, leerachterstand op school, concentratieproblemen, zijn labiel of overgevoelig en ondervinden vaak levenslang de gevolgen van de ondergane incest. De rechtbank neemt dan ook, naast de door eiseres gestelde psychische schade, de materiële schade mee die zij heeft geleden als gevolg van haar doublure in 4VWO, het niet volgen van een universitaire studie alsmede het niet afmaken van de lerarenopleiding die zij in het verleden is gestart. Niet tot gevolg van het seksueel misbruik door haar vader rekent de rechtbank het kiezen voor en vervolgens afhaken door eiseres ten aanzien van de HEAO-opleiding en de daardoor door eiseres opgelopen studievertraging. Immers, niet alle tegenslagen in het leven van eiseres kunnen aan de onrechtmatige daad van de vader van eiseres worden toegerekend, en het is daarnaast een feit van algemene bekendheid dat middelbare-schoolverlaters vaak in het begin van hun vervolgopleiding een onjuiste keuze maken. Uit het voorgaande volgt echter wel dat de rechtbank mede tot de schade rekent het feit dat eiseres geen universitaire studie heeft gevolgd en afgemaakt, en dat zij derhalve een baan op dat niveau is misgelopen, met alle financiële consequenties van dien. Ten slotte is de rechtbank van oordeel dat, gelet op de bovengenoemde consequentie van incest dat slachtoffers vaak levenslang de gevolgen ervan ondervinden, ook als - toekomstige - schade de kosten van therapie heeft te gelden. Zij overweegt hiertoe dat eiseres op dit moment weliswaar niet daadwerkelijk therapie volgt, maar dat het in de lijn der verwachtingen ligt dat eiseres op een bepaald moment in haar leven, en wel dat moment waarop zij het punt heeft bereikt daar geestelijk aan toe te zijn, alsnog dergelijke psychische hulp zal zoeken. Gelet op het geldende ziektekostenstelsel in ons land en de vooruitzichten daaromtrent, ligt het voorts in de lijn der verwachting dat de kosten van dergelijke hulp niet volledig zullen worden vergoed door een ziektekostenverzekering van eiseres en een gedeelte derhalve voor haar eigen rekening zal blijven. De rechtbank zal dan ook deze post meenemen in de begroting van de schade.

Als restpost ten slotte neemt de rechtbank de door eiseres gestelde reis-, telefoon- en portokosten mee.

Gelet op al het bovenstaande begroot de rechtbank de schade ex aequo et bono op € 250.000,-. Zij zal gedaagde veroordelen dit bedrag aan eiseres te voldoen.

De rechtbank overweegt hieromtrent nog dat gedaagde een beroep heeft gedaan op matiging van de schadevergoeding. De rechtbank ziet geen aanleiding dit beroep te honoreren nu toekenning van volledige schadevergoeding gelet op de aard van aansprakelijkheid van gedaagde, namelijk schuld, en de rechtsverhouding tussen partijen, zijnde vader en dochter, niet tot kennelijk onaanvaardbare gevolgen leidt.

5.4 Wettelijke rente

Eiseres heeft op verschillende wijzen - deels gekapitaliseerd, deels vanaf verschillende data - wettelijke rente gevorderd. De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt: in beginsel is gedaagde de wettelijke rente verschuldigd vanaf het moment waarop het schadeveroorzakende feit zich voordeed. Gelet echter op de aard en omvang van de aansprakelijkheid in het leven roepende daden van gedaagde, de verschillende aard van de schaden die eiseres heeft geleden, het tijdstip van het onrechtmatig handelen in verhouding tot dat waarop eiseres een procedure aanhangig heeft gemaakt alsmede het feit dat de rechtbank de schade ex aequo et bono in een totaalbedrag heeft geschat, acht de rechtbank het passend wettelijke rente toe te wijzen, en wel met ingang van de 8e dag na die dat het vonnis aan gedaagde is betekend.

5.5 Buitengerechtelijke incassokosten

Eiseres heeft - als onderdeel van de door haar geleden materiële schade - buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. Door gedaagde zijn deze betwist. De rechtbank overweegt dat ten aanzien van deze kosten als uitgangspunt heeft te gelden dat verrichtingen voorafgaand aan het geding worden gezien als voorbereiding van de gedingstukken en instructie van de zaak. Wil er sprake zijn van afzonderlijk voor vergoeding in aanmerking komende kosten, dan zal het moeten gaan om verrichtingen die meer omvatten dan een enkele (eventueel) herhaalde aanmaning, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op de gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. Uit bijlagen 14 en 15 van productie 4 bij dagvaarding volgt dat het door eiseres gevorderde bedrag mede omvat de kosten van rechtsbijstand van eiseres in de strafzaak tegen gedaagde alsmede de kosten van het leggen van conservatoir beslag in deze procedure. De eerste komen niet, de tweede komen wél voor toewijzing in aanmerking, zij het via de proceskostenveroordeling. De rechtbank zal dan ook bij de proceskosten een beslissing nemen ten aanzien van deze laatste kosten. Voorts is de rechtbank van oordeel dat eiseres, gelet op hetgeen zij gesteld heeft ten aanzien van het bereiken van een minnelijke regeling - hetgeen door gedaagde niet is weersproken, genoegzaam heeft onderbouwd dat zij kosten heeft gemaakt die niet gezien kunnen worden als voortvloeiend uit verrichtingen - kort gezegd - ter voorbereiding en instructie van de zaak. De rechtbank zal dan ook de gevorderde buitengerechtelijke kosten toewijzen, doch in dier voege dat zij het bedrag zal matigen tot twee punten van het toepasselijke liquidatietarief op grond van het rapport Voorwerk II, zijnde totaal € 4.000,-.

5.6 Proceskosten

Gedaagde zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure. De door eiseres gevorderde kosten van het leggen van conservatoir beslag wijst de rechtbank bij gebrek aan onderbouwing danwel bewijsstukken af. Zij overweegt daartoe dat de enkele rekening van de deurwaarder, gericht aan de raadsvrouwe van eiseres, niet voldoende is voor toewijzing en dat eiseres de beslagstukken had dienen te overleggen, op grond waarvan de rechtbank de hoogte van deze kosten had kunnen vaststellen.

B E S L I S S I N G

De rechtbank:

Veroordeelt gedaagde tot betaling van € 250.000,00 aan eiseres terzake schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf de 8e dag na betekening van dit vonnis aan tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt gedaagde tot betaling van € 4.000,- aan eiseres terzake buitengerechtelijke incassokosten;

veroordeelt gedaagde in de proceskosten van eiseres, welke kosten tot aan deze uitspraak worden begroot op:

€ 4.584,00 aan griffierechten,

€ 85,60 aan explootkosten en

€ 4.000,00 aan salaris ten behoeve van de procureur;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. I.R.A. Timmermans-Vermeer en op de openbare civiele terechtzitting van 8 februari 2006 uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

Type: IT