Home

Parket bij de Hoge Raad, 06-06-2014, ECLI:NL:PHR:2014:530, 13/04272

Parket bij de Hoge Raad, 06-06-2014, ECLI:NL:PHR:2014:530, 13/04272

Gegevens

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
6 juni 2014
ECLI
ECLI:NL:PHR:2014:530
Zaaknummer
13/04272

Inhoudsindicatie

Internationaal privaatrecht. Vordering tot betaling uit hoofde van een overeenkomst van borgtocht overeenkomstig de veroordeling in een Russisch vonnis. Vereisten voor erkenning van een buitenlands vonnis op de voet van art. 431 lid 2 Rv (HR 17 december 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1183, NJ 1994/348, HR 17 december 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1184, NJ 1994/350). Is vereist dat het buitenlandse vonnis uitvoerbaar is in het land van herkomst? Begrip ‘uitvoerbaar’ in art. 31 EEX-Verdrag (thans art. 38 lid 1 EEX-Verordening) (HvJEU 29 april 1999, ECLI:EU:C:1999:213, NJ 2000/477). Mogelijkheid om (subsidiair) aan de rechter een nieuwe inhoudelijke beoordeling van het geschil te vragen. Bewijskracht buitenlands vonnis (vgl. HR 23 januari 1976, ECLI:NL:HR:1976:AD7917, NJ 1977/123). HR doet zelf de zaak af.

Conclusie

13/04272

Mr. P. Vlas

Zitting, 6 juni 2014

Conclusie inzake:

de vennootschap naar Russisch recht Gazprombank (Open Joint Stock Company),

gevestigd te Moskou, Russische Federatie

(hierna: Gazprombank)

tegen

[verweerder],

wonende te [woonplaats]

(hierna: [verweerder])

In deze zaak gaat het om de erkenning van een Russisch vonnis in Nederland. Bij gebreke van een executieverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Russische Federatie kan het Russische vonnis niet in Nederland ten uitvoer worden gelegd (art. 431 lid 1 Rv) en kan het geding opnieuw bij de Nederlandse rechter worden behandeld en afgedaan (art. 431 lid 2 Rv). In het kader van de procedure op de voet van art. 431 lid 2 Rv rijst de vraag of voor de erkenning van het Russische vonnis vereist is dat het vonnis uitvoerbaar is in het land van herkomst.

1 Feiten en procesverloop

1.1

In cassatie zijn de relevante feiten als volgt.1 [verweerder] is bij vonnis van 6 december 2005 door een rechtbank te Moskou, Russische Federatie, veroordeeld tot betaling van een bedrag van RUB 110.436.181,91 aan Gazprombank op grond van een borgtochtovereenkomst tussen partijen. De akte van borgtocht bevat een exclusief forumkeuzebeding ten behoeve van de genoemde rechtbank te Moskou. Het Russische vonnis heeft, nadat daartegen tevergeefs een rechtsmiddel was ingesteld bij het Rechterlijke College voor civiele zaken van de stadsrechtbank van Moskou, in de Russische Federatie kracht van gewijsde gekregen. Nadat Gazprombank heeft getracht deze veroordeling elders op [verweerder] ten uitvoer te leggen, heeft zij ten laste van [verweerder] conservatoire beslagen laten leggen in Nederland.

1.2

In de onderhavige procedure heeft Gazprombank gevorderd dat [verweerder] overeenkomstig het Russische vonnis wordt veroordeeld tot hetgeen waartoe [verweerder] is veroordeeld in dat vonnis, althans dat [verweerder] wordt veroordeeld tot betaling aan Gazprombank van een bedrag van RUB 87.090.552,72. [verweerder] heeft verweer gevoerd en in reconventie (voorwaardelijk) gevorderd dat Gazprombank wordt veroordeeld tot het (doen) opheffen van alle ten laste van hem gelegde beslagen.

1.3

Bij vonnis van 9 mei 20122 heeft de rechtbank Rotterdam de primaire vordering van Gazprombank toegewezen en [verweerder] overeenkomstig het Russische vonnis veroordeeld tot betaling aan Gazprombank van hetgeen waartoe [verweerder] in dat vonnis is veroordeeld. Kort gezegd heeft de rechtbank geoordeeld dat het Russische vonnis voldoet aan de voorwaarden voor erkenning in Nederland (rov. 3.5 t/m 3.8) en dat de erkenning niet in strijd is met de Nederlandse openbare orde (rov. 3.9 t/m 3.9.3). Verder is van belang hetgeen de rechtbank heeft overwogen in rov. 3.7.3:

‘Voor zover [verweerder] betoogt dat voor erkenning van het Russische Vonnis in Nederland is vereist dat genoemd vonnis binnen de Russische Federatie nog voor tenuitvoerlegging vatbaar is, ziet hij eraan voorbij dat zodanig vereiste niet geldt voor het antwoord op de vraag naar erkenning van een buitenlands vonnis (anders dan ten aanzien van de vraag of een buitenlands vonnis in Nederland voor tenuitvoerlegging vatbaar is, maar die vraag ligt in dit geval niet voor). Voor zover [verweerder] betoogt dat met de hernieuwde procedure op de voet van artikel 431 lid 2 Rv in feite het Russische Vonnis in Nederland voor tenuitvoerlegging vatbaar wordt, ziet hij eraan voorbij dat niet het Russische Vonnis, maar het te wijzen Nederlandse vonnis kracht van uitvoerbaarheid hier te lande krijgt.’

1.4

[verweerder] is van het vonnis van de rechtbank Rotterdam in hoger beroep gekomen. Bij arrest van 28 mei 20133 heeft het hof Den Haag het vonnis van de rechtbank vernietigd en opnieuw rechtdoende de vorderingen, zowel in conventie als in reconventie, afgewezen. Het hof heeft voorop gesteld dat [verweerder] geen grief heeft gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat het Russische vonnis in Nederland wordt erkend, zodat daarvan in hoger beroep wordt uitgegaan (rov. 8). Verder heeft het hof overwogen dat bij gebreke van een verdrag tussen Nederland en de Russische Federatie op grond waarvan het Russische vonnis voor erkenning en tenuitvoerlegging in Nederland in aanmerking komt, Gazprombank de weg van art. 431 lid 2 Rv bewandelt. Volgens deze bepaling kan het geding opnieuw bij de Nederlandse rechter worden behandeld en afgedaan. In dat kader wordt evenwel aangenomen dat de rechter een behandeling ten gronde achterwege kan laten indien hij heeft vastgesteld dat het buitenlandse vonnis voldoet aan de eisen die het commune recht stelt aan erkenning; alsdan kan worden volstaan met veroordeling van de gedaagde tot datgene waartoe hij ook reeds bij het buitenlandse vonnis was veroordeeld. Deze benadering wordt ook wel de ‘verkapte exequaturprocedure’ genoemd (rov. 7). Het hof heeft voorts overwogen:

‘10. Het hof is, anders dan de rechtbank, van oordeel dat voornoemd vereiste van uitvoerbaarheid in bepaalde omstandigheden wel relevant kan zijn in de procedure bedoeld in artikel 431 lid 2 Rv, namelijk voor zover deze procedure als verkapte exequaturprocedure wordt gebruikt. Het hof overweegt daartoe als volgt.

Voorop moet worden gesteld dat de procedure bedoeld in artikel 431 lid 2 Rv op twee manieren kan worden gebruikt: zij kan worden ingezet voor een nieuwe behandeling ten gronde en afdoening van het geding door de Nederlandse rechter, maar zij kan ook worden ingezet als een verkapte exequaturprocedure.

Voor zover sprake is van een verkapte exequaturprocedure – dus voor zover de vordering in een procedure op de voet van artikel 431 lid 2 Rv er toe strekt dat de rechter, onder erkenning van het buitenlandse vonnis, zonder behandeling ten gronde de gedaagde veroordeelt conform dat buitenlandse vonnis – zal de rechter naar het oordeel van het hof als volgt te werk dienen te gaan.

In de eerste plaats zal de rechter dienen vast te stellen of het buitenlandse vonnis in Nederland voor erkenning in aanmerking komt (…). Komt hij tot het oordeel dat het buitenlandse vonnis niet kan worden erkend, dan zal hij de vordering strekkende tot veroordeling conform het buitenlandse vonnis dienen af te wijzen.

Komt de rechter echter tot het oordeel (i) dat het buitenlandse vonnis wel in Nederland kan worden erkend en (ii) dat een behandeling ten gronde achterwege kan blijven, dan kan hij volstaan met een veroordeling conform het buitenlandse vonnis. Daarvoor is dat wel vereist dat het buitenlandse vonnis in zijn land van herkomst uitvoerbaar is ten tijde van de uitspraak van de Nederlandse rechter (uitvoerbaar in formele zin, vgl. HvJ EG 29 april 1999, C-267/97, NJ 2000, 477). In zo’n geval wordt de procedure immers als verkapte exequaturprocedure gebruikt, hetgeen rechtvaardigt dat dit vereist wordt gesteld (vgl., in andere kaders, artikel 38 EEX-Verordening en artikel 986 lid 2 Rv). Ook als is het Nederlandse vonnis de titel voor tenuitvoerlegging, in feite gaat het om tenuitvoerlegging van het buitenlandse vonnis. Dit vereist heeft dus geen betrekking op de erkenning van het buitenlandse vonnis, maar op de mogelijkheid om in de procedure bedoeld in artikel 431 lid 2 Rv zonder behandeling ten gronde te veroordelen conform het erkende buitenlandse vonnis. Het is daarbij aan de partij die aldus veroordeling conform het buitenlandse vonnis vordert, om de uitvoerbaarheid van dat vonnis in het land van herkomst te stellen en, ingeval van gemotiveerde betwisting, te bewijzen (vgl. artikel 986 lid 2 Rv). Komt in die situatie – dus een procedure bedoeld in artikel 431 lid 2 Rv die wordt gebruikt als verkapte exequaturprocedure – niet vast te staan dat het buitenlandse vonnis in zijn land van herkomst uitvoerbaar is, dan zal de rechter deze vordering strekkende tot veroordeling conform het buitenlandse vonnis moeten afwijzen.

11. In de onderhavige procedure strekken de vorderingen van Gazprombank er toe dat de Nederlandse rechter, onder erkenning van het Russische vonnis, zonder behandeling ten gronde [verweerder] veroordeelt conform dat vonnis. Zoals hiervoor in rechtsoverweging 8 is overwogen kan het Russische vonnis in Nederland worden erkend. Een behandeling ten gronde kan naar het oordeel van het hof achterwege blijven. Alsdan rijst, gelet op hetgeen in rechtsoverweging 10 is overwogen, de vraag of het Russische vonnis in de Russische Federatie uitvoerbaar is. (…)’.

1.5

Het hof is tot de slotsom gekomen dat de vordering van Gazprombank tot veroordeling van [verweerder] conform het Russische vonnis moet worden afgewezen, omdat aangenomen moet worden dat het Russische vonnis in de Russische Federatie niet meer uitvoerbaar is (rov. 12 t/m 16).

1.6

Gazprombank heeft tijdig cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het hof. [verweerder] heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

2 Bespreking van het cassatiemiddel

2.1

In de kern genomen richt het cassatiemiddel zich met verschillende klachten tegen het oordeel van het hof dat voor de toewijsbaarheid van een vordering in de procedure op de voet van art. 431 lid 2 Rv – door het hof aangeduid als de ‘verkapte exequaturprocedure’ – ook het vereiste geldt dat het buitenlandse vonnis uitvoerbaar is in het land van herkomst van de beslissing. Alvorens de klachten nader te bespreken, geef ik een uiteenzetting over de aard van de procedure van art. 431 lid 2 Rv.

2.2

In het onderhavige geval gaat het om de vraag of een in de Russische Federatie uitgesproken rechterlijke beslissing voor erkenning en tenuitvoerlegging in Nederland in aanmerking komt. Tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Russische Federatie ontbreekt een verdrag waarin de wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen in burgerlijke en handelszaken is geregeld. Bij gebreke van een dergelijk verdrag wordt de erkenning en de tenuitvoerlegging van een Russisch vonnis in Nederland beheerst door het commune internationaal privaatrecht. In dit verband is art. 431 Rv van belang. Hierin is het volgende bepaald:

‘1. Behoudens het bepaalde in de artikelen 985-994, kunnen noch beslissingen, door vreemde rechters gegeven, noch buiten Nederland verleden authentieke akten binnen Nederland ten uitvoer worden gelegd.

2. De gedingen kunnen opnieuw bij de Nederlandse rechter worden behandeld en afgedaan’.

2.3

Het eerste lid van art. 431 Rv handelt over de tenuitvoerlegging van vreemde vonnissen en is duidelijk: vreemde vonnissen worden in Nederland niet ten uitvoer gelegd, behalve in de gevallen voorzien in art. 985-994 Rv. In art. 985-994 Rv zijn algemene regels opgenomen voor de procedure inzake de tenuitvoerlegging van in vreemde Staten tot stand gekomen executoriale titels.4 Deze algemene exequaturprocedure geldt slechts in het geval – in de bewoordingen van art. 985 lid 1 Rv – ‘een beslissing, gegeven door de rechter van een vreemde Staat in Nederland uitvoerbaar is krachtens een verdrag of krachtens de wet’. In het onderhavige geval is daarvan geen sprake, gelet op het ontbreken van een executieverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Russische Federatie. Dit betekent dat ingevolge art. 431 lid 1 Rv een Russisch vonnis niet voor tenuitvoerlegging in Nederland in aanmerking komt.5

2.4

In het tweede lid van art. 431 Rv is bepaald dat het geding opnieuw bij de Nederlandse rechter kan worden behandeld en afgedaan. Dit betekent dat de partij ten behoeve van wie de veroordeling in het vreemde vonnis is uitgesproken, bij de Nederlandse rechter tegen zijn wederpartij een procedure aanhangig kan maken. Deze procedure is een gewone dagvaardingsprocedure. Art. 431 lid 2 Rv geeft uitdrukking aan het beginsel van ‘ne bis in idem’. Dat een vreemde rechter reeds over hetzelfde geschil heeft beslist, staat niet in de weg aan het opnieuw aanhangig maken van het geschil voor de Nederlandse rechter. De vraag rijst of in deze nieuwe procedure op de voet van art. 431 lid 2 Rv het vreemde vonnis van nul en generlei waarde is of dat daaraan nog gezag kan worden toegekend en derhalve kan worden erkend. In het befaamde arrest van 14 november 1924, NJ 1925, p. 91 (Bontmantel) heeft de Hoge Raad beslist dat de Nederlandse rechter ‘in elk bijzonder geval heeft te beoordelen of en in hoeverre aan een vreemd vonnis door hem gezag moet worden toegekend’.

2.5

Sedert het Bontmantel-arrest heeft het commune recht op het punt van de erkenning van vreemde vonnissen zich in de rechtspraak verder ontwikkeld en is uitgangspunt dat een buitenlandse beslissing (die kracht van gewijsde heeft verkregen) in Nederland wordt erkend indien aan de volgende drie minimumvereisten is voldaan:

(i) de bevoegdheid van de rechter die het buitenlandse vonnis heeft gewezen moet zijn gebaseerd op een internationaal aanvaarde bevoegdheidsgrond,

(ii) het buitenlandse vonnis is tot stand gekomen in een gerechtelijke procedure waaraan een behoorlijke en met voldoende waarborgen omklede rechtspleging ten grondslag heeft gelegen,

(iii) de erkenning van het buitenlandse vonnis is niet in strijd met de Nederlandse openbare orde.6

2.6

Wordt aan deze vereisten voldaan, dan heeft het buitenlandse vonnis gezag van gewijsde (res judicata) ten aanzien van de daarin opgenomen feitelijke en juridische beslissingen. Een inhoudelijke behandeling van de zaak kan dan achterwege blijven en de Nederlandse rechter kan volstaan met een veroordeling van de wederpartij tot datgene waartoe zij in het buitenlandse vonnis reeds was veroordeeld.7 In het aldus in de rechtspraak ontwikkelde stelsel wordt het buitenlandse vonnis niet ‘uitvoerbaar’ verklaard, maar wordt in een Nederlands vonnis een nieuwe veroordeling gegeven die overeenkomt met de veroordeling in het buitenlandse vonnis.8

2.7

Zoals vermeld, komt in de procedure van art. 431 lid 2 Rv de vraag naar de erkenning van het vreemde vonnis aan de orde. Voor de erkenning geldt niet de eis dat de beslissing in het land van herkomst uitvoerbaar moet zijn. De vraag naar de uitvoerbaarheid rijst in het kader van de tenuitvoerlegging onder verdragen en verordeningen waarin de wederzijdse tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen is geregeld.9 In dit verband kan ook worden gewezen op art. 986 lid 2 Rv, waarin voor de (algemene) exequaturprocedure op grond van een Nederland bindend verdrag als eis wordt gesteld dat bij het verzoekschrift waarin het verlof tot tenuitvoerlegging wordt gevraagd een authentiek afschrift van de beslissing wordt overgelegd, ‘benevens de stukken, waardoor kan worden vastgesteld dat zij uitvoerbaar is in het land, waar zij is gewezen’. Onder de gelding van verdragen (en thans ook verordeningen) wordt de beslissing van de rechter van de staat van herkomst ‘uitvoerbaar’ verklaard in de staat van tenuitvoerlegging. De rechter in de staat van tenuitvoerlegging controleert slechts of aan de voorwaarden voor de tenuitvoerlegging is voldaan. Is dit het geval, dan aanvaardt de rechter de buitenlandse beslissing als executoriale titel door het verlof tot tenuitvoerlegging te verlenen. Hierop sluit ook aan dat het HvJEG in het arrest Coursier/Fortis Bank ten aanzien van het begrip ‘uitvoerbaar’ van het destijds geldende art. 31 EEX-Verdrag (thans art. 38 lid 1 EEX-Verordening) heeft beslist dat dit begrip ‘uitsluitend ziet op de formele uitvoerbaarheid van in het buitenland gegeven beslissingen en niet op de voorwaarden waaronder die beslissingen in de staat van herkomst ten uitvoer kunnen worden gelegd’.10 Het Hof maakt in rov. 24 van deze prejudiciële beslissing een duidelijk onderscheid tussen de formele uitvoerbaarheid van de beslissing en ‘de vraag of deze beslissing wegens betaling van de schuld of om een andere reden niet meer ten uitvoer kan worden gelegd’. Waar verdragen (en verordeningen) echter ontbreken, geldt echter het verbod van art. 431 lid 1 Rv: geen tenuitvoerlegging in Nederland van het vreemde vonnis.

2.8

In de rechtsliteratuur is de procedure op de voet van art. 431 lid 2 Rv wel aangeduid als een ‘verkapte exequaturprocedure’, omdat zij gelijkenis vertoont met de exequaturprocedure zoals deze is voorgeschreven onder de gelding van verdragen en verordeningen.11 Het hof heeft in rov. 7 e.v. van het thans in cassatie bestreden arrest eveneens de term ‘verkapte exequaturprocedure’ gebruikt. De term is misleidend omdat het bij de procedure van art. 431 lid 2 Rv niet gaat om de tenuitvoerlegging van het vreemde vonnis – dat immers wordt getroffen door het verbod van art. 431 lid 1 Rv – maar om de erkenning van dat vonnis in die zin dat de Nederlandse rechter aan de feitelijke en juridische beslissingen in het vreemde vonnis bindende kracht toekent.12 Dat in het kader van de erkenning van het vreemde vonnis vereisten worden getoetst die gelijkenis vertonen met de eisen die onder de gelding van verdragen en verordeningen worden gesteld, doet daaraan niet af.

2.9

Doet de eiser in de procedure van art. 431 lid 2 Rv een beroep op de bindende kracht van de feitelijke en juridische beslissingen in het vreemde vonnis, dan zal de Nederlandse rechter dit vonnis toetsen aan de in nr. 2.5 genoemde drie vereisten voor erkenning. Een inhoudelijke behandeling van de zaak kan vervolgens achterwege blijven wanneer aan deze vereisten is voldaan. Wordt daaraan niet voldaan, dan zal de zaak alsnog inhoudelijk door de rechter moeten worden behandeld.13 Of en zo ja, welke bewijskracht aan het vreemde (niet voor erkenning in aanmerking komende) vonnis moet worden toegekend, is overgelaten aan de beoordelingsvrijheid van de rechter.14

2.10

Een wettelijke regeling van een exequaturprocedure voor buitenlandse rechterlijke beslissingen die niet op basis van een verdrag of een verordening voor erkenning en tenuitvoerlegging in Nederland in aanmerking komen, ontbreekt vooralsnog. In de literatuur zijn wel aanzetten voor een wettelijke regeling gegeven.15 De materie is van een dergelijke gecompliceerde aard dat zij niet zonder wetswijziging gerealiseerd kan worden.16

2.11

Na deze uiteenzetting over art. 431 Rv keer ik terug naar het cassatiemiddel waarin drie klachten worden aangevoerd. In de eerste klacht wordt betoogd dat het hof in rov. 10 van het bestreden arrest blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door voor de toewijsbaarheid van een vordering op de voet van art. 431 lid 2 Rv de eis te stellen dat het buitenlandse vonnis uitvoerbaar is in zijn land van herkomst. Het middel (onder 1.1) voert aan dat het hof met dit oordeel heeft miskend dat in een verkapte exequaturprocedure krachtens art. 431 lid 2 Rv het buitenlandse vonnis niet uitvoerbaar wordt verklaard in de Nederlandse rechtsorde, zoals het geval is in een procedure op de voet van art. 985 e.v. Rv en art. 38 EEX-Verordening. Volgens het middel doet het ontbreken van uitvoerbaarheid van het vreemde vonnis niet af aan de bindende kracht die de in dat vonnis vervatte eindbeslissingen hebben, zodat de rechter ook in een verkapte exequaturprocedure krachtens art. 431 lid 2 Rv gezag kan toekennen aan een buitenlands vonnis. Art. 431 lid 2 Rv maakt het de Nederlandse rechter mogelijk om, indien een beoordeling ten gronde noodzakelijk is, rekening te houden met de rechtsgevolgen van tijdsverloop volgens het recht dat op het onderliggende geschil van toepassing is en/of zijn lex fori, aldus het onderdeel.

2.12

De klacht slaagt gelet op hetgeen ik hierboven onder 2.2-2.8 heb geschreven. Het hof heeft ten onrechte in het kader van de procedure krachtens art. 431 lid 2 Rv voor de erkenning van het Russische vonnis de eis gesteld dat dit vonnis in het land van herkomst uitvoerbaar is. Het hof heeft de eis van uitvoerbaarheid gesteld door in art. 431 lid 2 Rv een onderscheid te maken tussen twee procedures: de ‘verkapte exequaturprocedure’ en de procedure van behandeling ten gronde en afdoening van het geding door de Nederlandse rechter. Dat onderscheid is onjuist. Gazprombank heeft immers in de onderhavige procedure veroordeling van [verweerder] gevorderd overeenkomstig het vonnis van de rechtbank te Moskou, althans tot betaling aan Gazprombank van RUB 87.090.552,72 ter zake van een nog openstaande vordering uit hoofde van borgtocht. Daarmee heeft Gazprombank een beroep gedaan op de erkenning van het Russische vonnis en diende de Nederlandse rechter het Russische vonnis te toetsen aan de in nr. 2.5 van deze conclusie genoemde vereisten. Nu aan deze vereisten is voldaan (zie slot rov. 8 van het bestreden arrest), heeft het Russische vonnis bindende kracht ten aanzien van de daarin vervatte feitelijke en juridische beslissingen. Een beroep op verjaring van de uitvoerbaarheid van het Russische vonnis is een verweer ten gronde waarover door de rechter in het kader van de beoordeling van de vordering moet worden beslist. Ik merk in dit verband voor de volledigheid op dat verjaring van een vordering uit overeenkomst wordt beheerst door het op de desbetreffende overeenkomst toepasselijke recht (zie art. 12 lid 1 onder d Verordening Rome I), terwijl verjaring van de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van een rechterlijke beslissing wordt beheerst door de desbetreffende lex fori, in Nederland door art. 3:324 BW.

2.13

Onder 1.2 betoogt de klacht dat het hof in strijd heeft gehandeld met hetgeen volgt uit de arresten van de Hoge Raad van 17 december 1993, NJ 1994/348 en 350. Ook deze klacht, die voortbouwt op de klacht onder 1.1, slaagt. In de arresten van 17 december 1993 heeft de Hoge Raad in rov. 3.3.6 het volgende overwogen:

‘Voorts verdient opmerking dat aangenomen moet worden dat bij het instellen van een vordering op de voet van art. 431 lid 2 op grondslag van een uitspraak van een buitenlandse rechter die op grond van een jurisdictieclausule uitsluitend bevoegd is, in beginsel kan worden volstaan met het stellen van deze clausule en de op basis daarvan verkregen uitspraak, terwijl de vordering in beginsel slechts behoeft te strekken tot veroordeling tot hetgeen waartoe de wederpartij bij die uitspraak is veroordeeld. In het geding zal, zo deze stellingen juist bevonden zijn, de gebondenheid van partijen aan deze uitspraak tot uitgangspunt moeten worden genomen’.

Weliswaar is in deze arresten geen uitputtende opsomming gegeven van de vereisten waaraan in het kader van de procedure van art. 431 lid 2 Rv een buitenlands vonnis moet voldoen wil zij voor erkenning in aanmerking komen, maar dit doet niet af aan het feit dat de Hoge Raad in deze arresten heeft aanvaard dat degene die een buitenlands vonnis heeft verkregen op vereenvoudigde wijze een Nederlandse executoriale titel kan verkrijgen. De arresten maken bovendien duidelijk dat art. 431 lid 2 Rv onder omstandigheden bevoegdheid schept en daarmee eigenlijk een ‘verkapte bevoegdheidsregel’ is. In de zaak die thans in cassatie aan de orde is, speelt de bevoegdheidsvraag niet. Gazprombank heeft in de procedure van art. 431 lid 2 Rv een beroep gedaan op het Russische vonnis (gewezen op basis van de door partijen in de borgtochtakte overeengekomen exclusieve forumkeuze ten gunste van de rechter te Moskou) en veroordeling van [verweerder] gevorderd overeenkomstig het Russische vonnis. Daarmee heeft Gazprombank gehandeld overeenkomstig hetgeen is overwogen in de Esmil-arresten van de Hoge Raad.

2.14

In de tweede klacht wordt betoogd dat voor zover het ontbreken van uitvoerbaarheid van het Russische vonnis in de Russische Federatie in de weg kan staan aan een veroordeling conform dit vonnis, het hof in rov. 9 t/m 16 en 19 heeft miskend dat het op de voet van art. 431 lid 2 Rv gehouden was de zaak opnieuw te behandelen en af te doen, en krachtens art. 23 Rv behoorde te beslissen op al hetgeen Gazprombank heeft gevorderd en aan haar vorderingen ten grondslag heeft gelegd. Deze klacht moet worden beschouwd als een subsidiaire klacht en behoeft bij het slagen van de eerste klacht geen behandeling. Ik merk over deze tweede klacht het volgende op onder verwijzing naar hetgeen ik in het algemeen heb opgemerkt over de procedure van art. 431 lid 2 Rv (onder 2.2-2.8 van deze conclusie). Wanneer de Nederlandse rechter in de procedure van art. 431 lid 2 Rv tot het oordeel komt dat het vreemde vonnis niet in Nederland kan worden erkend, zodat de daarin vervatte feitelijke en juridische beslissingen geen bindende kracht hebben, doet dit niet af aan de omstandigheid dat de procedure opnieuw aanhangig is gemaakt en dat de Nederlandse rechter de vordering thans inhoudelijk zal moeten beoordelen. Het hof heeft dit naar mijn mening miskend.

2.15

De derde klacht is een veegklacht en behoeft in het licht van het voorgaande geen behandeling.

2.16

De Hoge Raad kan naar mijn mening na vernietiging van het bestreden arrest de zaak zelf afdoen. Onbestreden is dat het Russische vonnis voldoet aan de voorwaarden voor erkenning (zie ook de slotpassage van rov. 8 van het bestreden arrest). Onbetwist is bovendien dat [verweerder] uit hoofde van de met Gazprombank gesloten borgtochtovereenkomt RUB 87.090.552,72 verschuldigd is, zodat de vordering voor toewijzing gereed ligt.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van het arrest van het gerechtshof Den Haag van 28 mei 2013 en tot afdoening van de zaak als in 2.16 van deze conclusie aangegeven.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G