Home

Hoge Raad, 12-07-2022, ECLI:NL:HR:2022:1023, 20/04007

Hoge Raad, 12-07-2022, ECLI:NL:HR:2022:1023, 20/04007

Gegevens

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
12 juli 2022
Datum publicatie
12 juli 2022
ECLI
ECLI:NL:HR:2022:1023
Zaaknummer
20/04007

Inhoudsindicatie

Medeplegen opzettelijk aanwezig hebben hennep in leegstaande woning op naam van verdachte en haar toenmalige echtgenoot, art. 3.C Opiumwet. Bewijsklacht opzet. Heeft verdachte wetenschap van hennepkwekerij?

Hof heeft o.g.v. vaststellingen in nadere bewijsoverwegingen geoordeeld dat het op de weg van verdachte lag om een verklaring te geven over het hoge energieverbruik en de herkomst van de voor de woning benodigde extra inkomsten, dat verdachte hiervoor geen aannemelijke, min of meer verifieerbare verklaring heeft gegeven en dat de enkele stelling van verdachte dat zij van niets wist, ongeloofwaardig en onaannemelijk is. In aanmerking genomen wat door de verdediging is aangevoerd, in het bijzonder dat verdachte geen sleutel van de woning had, dat zij maar een paar keer in de woning is geweest en sinds het voorjaar van 2014 niet meer, dat zij geen geld stortte op de en/of-rekening, dat het medeverdachte was die de financiële zaken met de en/of-rekening regelde en dat hij de verbouwing van de woning betaalde met geld dat hij van zijn moeder had geleend, is dat oordeel niet zonder meer begrijpelijk.

Volgt vernietiging en terugwijzing.

Samenhang met 20/04008 P, 20/04068 en 20/04069 P.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 20/04007

Datum 12 juli 2022

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 30 november 2020, nummer 21-000816-19, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft F.H.J. van Gaal, advocaat te Wijchen, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

2 Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel klaagt dat de bewezenverklaring van het medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van 193 hennepplanten ontoereikend is gemotiveerd.

2.2.1

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“zij op 11 november 2015 te [plaats], tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk aanwezig heeft gehad in een pand aan de [a-straat 1] een hoeveelheid van 193 hennepplanten, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II.”

2.2.2

Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

“1. Het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal Aantreffen hennepkwekerij, nummer PL0600-2015501176-1, afgesloten op 12 november 2015, opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 1] en [verbalisant 2], beiden hoofdagent van politie Eenheid Oost-Nederland (pagina’s 1 tot en met 3 van het politiedossier), inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van voornoemde verbalisanten:

“Op woensdag 11 november 2015 stelden wij naar aanleiding van een MMA melding, een onderzoek in op de tussenwoning aan de [a-straat 1]. Hieruit bleek dat bij het kelderluik een sterke warmteafgifte werd waargenomen. Op het genoemde adres [a-straat 1], [postcode] [plaats], staat volgens het GBA niemand ingeschreven. In voornoemde woning werd op 11 november 2015 binnengetreden. (...) Het bleek dat op genoemd adres een hennepkwekerij met planten aanwezig was. (...) Na het binnentreden zagen wij het volgende: de kweekruimte bevond zich in de kelder achter een bakstenenmuur. (...) In deze ruimte stonden 193 hennepplanten. De gemiddelde hoogte van de planten was ongeveer 50 cm. Per m2 stonden er 21 planten.

De plantenbakken waren gevuld met potgrond.

In totaal hingen er in de kweekruimte 6 assimilatielampen.

In de kweekruimte bevond zich 1 koolstoffilter.

De luchtverversing en lichtafvoer werd geregeld door een aan- en afzuiginstallatie. De temperatuur in de kweekruimte bedroeg 28 graden Celsius.

(...)

Wij, verbalisanten, constateerden, gezien de waargenomen uiterlijke kenmerken, kleur en vorm, en daarnaast de herkenbare geur, dat de aangetroffen planten hennepplanten betroffen.”

2. Het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal aanvraag machtiging tot leggen van beslag als conservatoir beslag, proces-verbaalnummer 20160304.1418, afgesloten op 12 april 2016, opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 3], verbalisant politie Oost-Nederland, inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van voornoemde verbalisant:

“De woning aan de [a-straat 1] te [plaats] betreft een koopwoning welke sinds 28 juni 2012 eigendom is van verdachte [medeverdachte] en zijn echtgenote [verdachte], geboren [geboortedatum]-1985 te [geboorteplaats].

Opgemerkt wordt dat verdachte [medeverdachte] en [verdachte] al vanaf 17-12-1985 woonachtig zijn op het adres [b-straat 1] te [plaats] en niet GBA ingeschreven hebben gestaan op de [a-straat 1] te [plaats].

De woning aan de [a-straat 1] werd niet bewoond en werd kennelijk alleen gebruikt voor de teelt van hennep.”

3. Het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen, nummer PL06002015501176-24, afgesloten op 27 maart 2018, opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 1] en [verbalisant 2], beiden hoofdagent van politie Eenheid Oost-Nederland, inhoudende ‑ zakelijk weergegeven - als relaas van voornoemde verbalisanten:

“Deze gegevens zijn mij vervolgens ter beschikking gesteld van bankrekeningnummer [rekeningnummer]. Dit bankrekeningnummer betreft een en/of rekening op naam van [medeverdachte] en [verdachte].

(...)

- In totaal is voor € 32.180,60 overgeschreven naar ABN Amro in de opgevraagde onderzoeksperiode. [medeverdachte] en [verdachte] hadden in de onderzoeksperiode een hypotheek lopen bij de ABN Amro Bank voor het adres [a-straat 1] te [plaats]. Dit is via het kadaster opgevraagd.

- Ik zag dat aan Energiedirect/Essent de volgende betalingen waren gedaan voor het adres [a-straat 1]:

€ 107,- per maand van 25 januari 2013 t/m 25 oktober 2013;

€ 106,- per maand van 27 december 2013 t/m 27 januari 2014;

€ 299,- per maand van 26 maart 2014 t/m 26 september 2014;

€ 2.651,62 op 3 april 2014 terugbetalen aan Energiedirect in verband met de jaarafrekening 2013;

€ 1.091,61 op 3 november 2014 in verband met een periodieke factuur;

€ 313,00 per maand van 26 november 2014 t/m 27 oktober 2015;

- Ik zag dat er geen betalingen waren gedaan aan Liander, maar wel aan NUON (...) Aangezien er geen vordering is gedaan voor de contractgegevens van het adres [b-straat 1] te [plaats] is onbekend of deze betalingen aan NUON voor het adres [b-straat 1] zijn. Dit is in de betalingsgegevens op de en/of rekening van [medeverdachte] en [verdachte] ook niet te zien.

€ 119,- per maand van 19 februari 2015 t/m 30 september 2015;

€ 100,- per maand op 1 november 2015.

- Tenslotte zag ik dat er ook huur was betaald aan woningstichting Portaal. De woning aan de [b-straat 1] van de verdachten [medeverdachte] en [verdachte] betreft een huurwoning van woningstichting Portaal ook dit is in het kadaster te zien. Op de betalingsgegevens is echter niet het adres te zien. De volgende betalingen zijn in de onderzoeksperiode aan Portaal betaald:

€ 482,47 per maand op 15 juni 2015;

€ 492,09 per maand van 5 juli 2015 t/m 30 september 2015.

Ook zag ik in het BVH systeem van de politie een mutatie van 8 december 2014 destijds opgemaakt door wijkagent [verbalisant 4] met daarin de opmerking dat hij diverse malen bemoeienis had gehad met [medeverdachte] en [verdachte] en dat hij via woningstichting Portaal erachter was gekomen dat hij al 2,5 jaar een woning in zijn bezit had op de [a-straat 1] te [plaats]. Deze woning zou echter al die tijd leeggestaan hebben en hij zou in de huurwoning op de [b-straat] blijven wonen.”

4. Als schriftelijk bescheid, een bij het politiedossier gevoegd afschrift van de berekening verbruik kweekruimte A (pagina’s 21 en 22 van het politiedossier):

“Standen inval 11-11-2015

1:30588 2:16453 totaal kWh 47041

Nieuwe meter geïnstalleerd per 28-11-2012 met standen 0.

1 volwaardige kweek benodigd 5418 kWh

Huidige kweek van 4 weken benodigd 2266 kWh.

7 volle kweken met de huidige kweek van 4 weken komt totaal op 40193 kWh. Totaal kWh 47041-40193 = 6848 kWh voor huishoudelijk verbruik vanaf inhuizing.

Gemiddeld verbruik gezinswoning +/- 3800 kWh per jaar.”

5. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen, nummer PL06002015501176-18, afgesloten op 13 april 2016, opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 1] en [verbalisant 2], beiden hoofdagent van politie Eenheid Oost-Nederland (pagina 29 van het politiedossier), inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van voornoemde verbalisanten:

“Wij, verbalisanten, spraken aldaar op straat enkele buurtbewoners die ons aangaven dat er al geruime tijd geen bouwactiviteiten in het pand waren en dat de mannelijke bewoner af en toe even langs kwam, maar dat hij elders zou wonen. Er stond al geruime tijd een grote blauwe afvalcontainer voor de deur waarin bouwafval lag, maar deze was al geruime tijd niet verder gevuld met bouwafval. Wij konden ook zien dat hier al her en der gras op bepaalde stukken groeide. In het genoemde pand zagen wij ook dat er geen bouwmaterialen en gereedschappen lagen. Wij konden hieruit afleiden dat er geen werkactiviteiten plaatsvonden.”

6. Als verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van meervoudige kamer voor strafzaken van het hof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 16 november 2020, voor zover inhoudende zakelijk weergegeven:

“Wij zijn gezamenlijk eigenaar van het huis. (...) Mijn levensonderhoud betaalde ik van mijn werk als kapster. (...) [medeverdachte] wilde daarom zo snel mogelijk een huis kopen omdat hij de huurwoning te klein vond. Voor mij hoefde dat niet per se, ik wilde wel in de huurwoning blijven wonen. (...) Volgens mij ben ik in het voorjaar van 2014 voor het laatst in de woning geweest. (...) Ik heb mij nooit met het huis beziggehouden. Ik had kleine kinderen en ik kwam nooit in het huis. (...) Ik ben hooguit vier à vijf keer in de woning aan de [a-straat 1] geweest.””

2.2.3

Het hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring verder het volgende overwogen:

“Verdachte ontkent dat zij wist dat de hennepkwekerij zich bevond in de woning die zij samen met haar toenmalige echtgenoot en tevens medeverdachte [medeverdachte] had gekocht. De raadsman heeft bepleit verdachte vrij te spreken.

Het hof is van oordeel dat het door en namens verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde, wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Het hof overweegt daarbij in het bijzonder het volgende.

Op 11 november 2015 werd een hennepkwekerij aangetroffen in de woning aan de [a-straat 1] in [plaats]. De kelder van de woning was ingericht als kweekruimte waarin 193 hennepplanten stonden.

Verdachte en haar echtgenoot, medeverdachte [medeverdachte], waren sinds 28 juni 2012 samen, ieder voor de helft, eigenaar van de woning aan de [a-straat 1] in [plaats]. De hypotheek voor die woning stond ook op naam van beiden. In de gemeentelijke basisadministratie heeft vanaf 2012 niemand ingeschreven gestaan op voormeld adres. Verdachte heeft verklaard dat zij niet in de woning heeft gewoond en dat ze samen met [medeverdachte] woonde aan de [b-straat 1] te [plaats]. Op grond hiervan stelt het hof vast dat de woning aan de [a-straat 1] in [plaats] al die tijd onbewoond is geweest.

De slimme meter in die woning heeft een totaal elektriciteitsverbruik van 47.041 kWh geregistreerd in de periode van 28 november 2012 tot en met 11 november 2015. In die periode is dus gemiddeld ongeveer 15.680 kWh per jaar en 42,95 kWh per dag verbruikt in de onbewoonde woning van verdachte en haar medeverdachte. Dit elektriciteitsverbruik is ruim vier keer zo hoog als het gemiddelde elektriciteitsverbruik in een bewoonde gezinswoning, te weten 3800 kWh per jaar en 10,41 kWh per dag.

Het is niet aannemelijk dat het hoge elektriciteitsverbruik in de onbewoonde woning aan de [a-straat 1] is veroorzaakt door verbouwingswerkzaamheden in die woning. Zowel uit de stukken van het dossier als uit de verklaring van verdachte ter terechtzitting leidt het hof af dat er in ieder geval vanaf begin 2014 geen verbouwingswerkzaamheden hebben plaatsgevonden.

Verdachte en haar medeverdachte hadden een gemeenschappelijke “en/of”-rekening. Van deze rekening werden in de periode van 31 december 2012 tot en met 2 november 2015 zowel de hypotheek van de woning aan de [a-straat 1] in [plaats] als de hoge kosten van het energieverbruik in die woning voldaan. In die periode woonde de verdachte met haar medeverdachte samen in de woning aan de [b-straat 1] in [plaats]. Over haar inkomsten heeft verdachte verklaard dat zij weleens werkte als kapster, maar dat zij in de genoemde periode voornamelijk thuis voor haar kinderen zorgde. Verdachte en haar medeverdachte leefden met een vol gezin van het zeker niet hoge inkomen van de medeverdachte.

Het hof stelt op grond van het bovenstaande vast dat verdachte en haar medeverdachte een gezamenlijke huishouding voerden en met elkaar samenwoonden in de huurwoning aan de [b-straat 1], terwijl hun koopwoning aan de [a-straat 1] ruim drie jaren onbewoond was en al geruime tijd niet meer werd verbouwd toen de hennepkwekerij in de kelder van die woning werd aangetroffen. Voorts werden de hypotheek van de woning en de hoge energiekosten betaald van de “en/of”-rekening van verdachte en haar medeverdachte, terwijl daarnaast ook nog de huur en andere vaste lasten van de huurwoning werden betaald. Verdachte heeft verder verklaard dat zij een aantal keer in de woning is geweest. Onder deze omstandigheden lag het op de weg van verdachte om een verklaring te geven over het hoge energieverbruik en de herkomst van de voor de woning benodigde extra inkomsten. Verdachte heeft hiervoor echter geen aannemelijke, min of meer verifieerbare verklaring gegeven. Zo heeft zij geen verklaring gegeven over de herkomst van de benodigde inkomsten of stukken overgelegd over de gestelde verbouwing. De enkele stelling van verdachte dat zij van niets wist, acht het hof gelet op het voorgaande ongeloofwaardig en onaannemelijk.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat verdachte wist van de hennepkwekerij en dat bij haar sprake is geweest van opzet. Naar het oordeel van het hof heeft verdachte als medeeigenaar van de woning, waar het gaat om het aanwezig hebben van de hennepkwekerij, tevens zodanig nauw en bewust samengewerkt met haar medeverdachte dat zij als medepleger dient te worden aangemerkt. Anders dan de rechtbank komt het hof evenwel niet tot een bewezenverklaring van het impliciet primair ten laste gelegde medeplegen van de hennepteelt, nu op grond van het dossier niet kan worden vastgesteld dat verdachte op of omstreeks 11 november 2015 samen met haar medeverdachte hennepplanten heeft geteeld. Wat het hof bewezen acht, is dat verdachte en haar medeverdachte de hennepplanten op 11 november 2015 opzettelijk en tezamen en in vereniging aanwezig hebben gehad in hun koopwoning aan de [a-straat 1] in [plaats].”

2.2.4

Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte daar het woord gevoerd overeenkomstig de pleitnota die aan het procesverbaal is gehecht. Deze pleitnota houdt onder meer in:

“Voor wat betreft de energiekosten heeft cliënte verklaard dat zij nimmer heeft geweten dat er zulke kosten zijn betaald. Zij maakte niet of nauwelijks gebruik van de en/of rekening. Het was haar ex-partner die de financiële zaken regelde met deze rekening. Hij zorgde er ook voor dat de hypotheeklasten van de woning aan de [a-straat 1] werden voldaan. Uit het aanvullend proces-verbaal van bevindingen d.d. 27 maart 2018 blijkt dat [medeverdachte] het saldo van de en/of rekening telkens aanzuiverde met behulp van zijn eigen rekening. Over het bezoek aan de woning op de [a-straat 1] heeft zij verklaard dat zij alleen in de beginperiode (medio 2012 en in 2013) de woning heeft bezocht, daarna niet meer. Het dossier bevat geen enkele aanwijzing en/of bewijs dat strijdig is met die verklaring. Sterker nog, buurtbewoners hebben kennelijk tegenover de politie aangegeven dat “de mannelijke bewoner af en toe even langs kwam, maar dat hij elders zou wonen.”

Het dossier bevat onvoldoende wettig en overtuigend bewijs dat cliënte wetenschap moet hebben gehad van de op 11 november 2015 aangetroffen hennepplanten in de woning op het adres [a-straat 1]. Het zal uw hof niet ontgaan zijn dat de Hoge Raad de laatste jaren strenger oordeelt voor wat betreft het aannemen van opzet ten aanzien van medeplegen/medeplichtigheid voor het telen c.q. aanwezig hebben van hennep. Dat geldt temeer indien een verdachte een verklaring heeft afgelegd die niet op zichzelf als onaannemelijk of ongeloofwaardig kan worden gepasseerd.

Gelet op het voorgaande verzoek ik uw hof om het vonnis van de rechtbank te vernietigen en cliënt alsnog integraal vrij te spreken van de gehele tenlastelegging.”

2.2.5

Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt verder onder meer het volgende in:

“De verdachte verklaart -zakelijk weergegeven- als volgt:

Er wordt mij verweten dat ik medeplichtig hieraan ben. Mijn verhaal is dat alles buiten mijn weten om is uitgevoerd. De en/of-rekening werd vooral door [medeverdachte] beheerd. Ik keek nooit op die rekening.

(...)

Ik heb ook geen sleutel, die heb ik nooit gehad. Volgens mij ben ik in het voorjaar van 2014 voor het laatst in de woning geweest. Dat was op het moment dat er een gashaard werd geplaatst. Dat werd gedaan door een bedrijf uit Bemmel. Wij zijn samen naar de showroom geweest en hebben gezamenlijk besloten om een gashaard te laten plaatsen. Ik heb verder niet in de woning gekeken hoe het met de verbouwing ging. Ik ben in totaal twee keer wezen kijken, bij de aanbouw en bij het plaatsen van de open haard. De aannemer is in het najaar van 2012 begonnen met de aanbouw. Ik ben niet meer in het huis geweest toen het helemaal klaar was. Heel eerlijk gezegd had ik ook geen haast bij de verbouwing omdat ik er nooit heb willen wonen.

(...)

Wij zijn niet in gemeenschap van goederen getrouwd en ik stortte ook geen geld op de en/ofrekening.

(...)

De verbouwing werd betaald met het geld van de moeder van [medeverdachte]. Dat weet ik omdat ik gezien heb dat zij samen een contract hebben opgesteld dat [medeverdachte] € 25.000,- bij haar kon lenen.

(...)

De raadsman voert ter aanvulling aan, zakelijk weergegeven:

Aan de hand van de feiten in het dossier benadruk ik waarom de verklaring van mijn cliënt zo aannemelijk is. Mijn cliënt heeft nooit een sleutel van de woning gehad. Dat blijkt ook uit het feit dat [medeverdachte] nu in de woning woont en dat hij niet heeft gezegd dat hij de sloten heeft vervangen. [medeverdachte] en mijn cliënt staan niet op goede voet met elkaar en daarom zou het onaannemelijk zijn dat mijn cliënt een sleutel gehad zou hebben. De interesse in de woning heeft altijd gelegen bij [medeverdachte]. Hij heeft alle hypotheeklasten voldaan en heeft geld van zijn moeder geleend om te verbouwen. Hij is nota bene ook gezien door getuigen, maar mijn cliënt niet. De getuigen hebben het over een mannelijke bewoner.”

2.3.1

Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte en de medeverdachte een gezamenlijke huishouding voerden en met elkaar samenwoonden in de huurwoning aan de [b-straat 1], terwijl hun koopwoning aan de [a-straat 1] ruim drie jaren onbewoond was en al geruime tijd niet meer werd verbouwd toen de hennepkwekerij in de kelder van die woning werd aangetroffen. Verder heeft het hof vastgesteld dat de hypotheeklasten van de koopwoning en de hoge energiekosten betaald werden van de en/of-rekening van de verdachte en haar medeverdachte, terwijl daarnaast nog de huur en andere vaste lasten van de huurwoning werden betaald, en dat de verdachte heeft verklaard dat zij een aantal keer in de woning aan de [a-straat 1] is geweest.

2.3.2

Op grond van deze vaststellingen heeft het hof geoordeeld dat het op de weg van de verdachte lag om een verklaring te geven over het hoge energieverbruik en de herkomst van de voor de woning benodigde extra inkomsten, dat de verdachte hiervoor geen aannemelijke, min of meer verifieerbare verklaring heeft gegeven en dat de enkele stelling van de verdachte dat zij van niets wist, ongeloofwaardig en onaannemelijk is. In aanmerking genomen wat door de verdediging is aangevoerd, in het bijzonder dat de verdachte geen sleutel van de woning aan de [a-straat 1] had, dat zij maar een paar keer in de woning is geweest en sinds het voorjaar van 2014 niet meer, dat zij geen geld stortte op de en/of-rekening, dat het de medeverdachte was die de financiële zaken met de en/of-rekening regelde en dat hij de verbouwing van de woning betaalde met geld dat hij van zijn moeder had geleend, is dat oordeel niet zonder meer begrijpelijk.

2.4

Het cassatiemiddel slaagt.

3 Beoordeling van de overige cassatiemiddelen

Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van het tweede, het derde en het vierde cassatiemiddel niet nodig.

4 Beslissing