Hoge Raad, 18-02-1994, ZC1280 AG6887, 8388
Hoge Raad, 18-02-1994, ZC1280 AG6887, 8388
Gegevens
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 18 februari 1994
- Datum publicatie
- 19 februari 2026
- ECLI
- ECLI:NL:HR:1994:ZC1280
- Formele relaties
- Conclusie: ECLI:NL:PHR:1994:58
- Zaaknummer
- 8388
Inhoudsindicatie
-
Uitspraak
18 februari 1994
Eerste Kamer
Rek.nr. 8388
Br.
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
COPO B.V.,
gevestigd te Vogelenzang, gemeente Bloemendaal,
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: Jhr.Mr. J.L.R.A. Huydecoper,
tegen
[verweerder],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
niet verschenen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Met een op 9 oktober 1991 ter griffie van het Kantongerecht te Amsterdam ingekomen verzoekschrift heeft verzoekster tot cassatie - verder te noemen: Copo - zich gewend tot de Kantonrechter aldaar met verzoek de huurprijs van de flatwoning, staande en gelegen aan de [a-straat 1] te [plaats], met ingang van 1 september 1989 vast te stellen op f 3.065, -- per maand exclusief bijkomende kosten.
Nadat verweerder in cassatie - verder te noemen: [verweerder] - tegen het verzoek verweer had gevoerd, heeft de Kantonrechter bij beschikking van 11 maart 1992 de Huurcommissie in het ressort [plaats] verzocht ingevolge het bepaalde in art. 3 lid 1 sub h van de Wet op de huurcommissies nadere inlichtingen te verschaffen. Bij beschikking van 13 januari 1993 heeft de Kantonrechter de huurprijs van voormelde woning met ingang van 1 september 1989 vastgesteld op. f 2.300,81 per maand, exclusief bijkomende kosten.
Tegen deze beschikking heeft Copo hoger beroep ingesteld bij de Rechtbank te Amsterdam.
Bij beschikking van 9 juni 1993 heeft de Rechtbank Copo niet ontvankelijk verklaard in het door haar ingestelde hoger beroep.
De beschikking van de Rechtbank is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van de Rechtbank heeft Copo beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De conclusie van de Advocaat-Generaal Vranken strekt tot vernietiging en verwijzing.
3. Beoordeling van het middel
3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan:
(i) [verweerder] huurt van Copo een flatwoning aan de [a-straat 1] te [plaats]. Eind juli 1989 heeft hij aan Copo voorgesteld de huurprijs van f 3.065, -- (exclusief bijkomende kosten) per maand met ingang van 31 augustus 1989 te verlagen tot f 1.595,79 per maand (exclusief bijkomende kosten) .
(ii) Copo heeft met dat voorstel niet ingestemd, waarna [verweerder] zich op de voet van art. 23 Huurprijzenwet woonruimte (HPW) heeft gewend tot de Huurcommissie in het ressort [plaats] met het verzoek uitspraak te doen over de redelijkheid van voormeld voorstel.
(iii) De Huurcommissie heeft bij uitspraak van 14 mei 1991, aan partijen verzonden op 8 augustus 1991, beslist dat het voorstel niet redelijk is en dat "redelijk is een huurprijs van f 2.300,81 per maand (exclusief bijkomende kosten) met ingang van 1 september 1989, op grond van een woningkwaliteit van 298 punten".
(iv) De Huurcommissie is tot die uitspraak gekomen op grond van overwegingen welke kort kunnen worden samengevat als volgt:
- van toepassing is punt 5 van de toelichting bij Bijlage III bij het Besluit huurprijzen woonruimte, waarin is bepaald dat bij woonruimten met een puntentotaal van meer dan 250 en een geldende huurprijs hoger dan de maximaal redelijke huurprijs bij een puntentotaal van 250 een afwijkende huuraanpassing kan plaatsvinden, indien het huurpeil van vergelijkbare woonruimte daartoe aanleiding geeft;
- het secretariaat van de commissie heeft met betrekking tot dat punt 5 informatie verstrekt van vergelijkbare woonruimten "waarbij uitsluitend gebruik is gemaakt van woningen van vergelijkbare aard, waarbij de woningkwaliteit eveneens een score te kennen geeft van meer dan 250 punten";
- de commissie heeft niet alleen rekening gehouden met die score van 250 punten, doch ook met de ligging, de aard van het gebruik en een soortgelijke stand, waarbij de onderhoudstoestand buiten beschouwing is gelaten;
- met toepassing van punt 5 van de toelichting bij Bijlage III bij het Besluit is "een uitbreiding van deze Bijlage tot stand gebracht met daarin opgenomen de ten hoogst, de maximaal en minimaal redelijke puntprijs voor het gebied boven 250 woningwaarderingspunten";
- bij een kwaliteit van 298 punten is, met toepassing van genoemd punt 5, een huurprijs van f 2.300, - per maand (exclusief bijkomende kosten) als ten hoogste redelijk aan te merken.
(v) Copo heeft zich na de uitspraak van de Huurcommissie op de voet van art. 27 HPW tot de Kantonrechter gewend met het verzoek de huurprijs met ingang van 1 september 1989, in afwijking van de uitspraak van de Huurcommissie, vast te stellen op f 3.065, -- per maand exclusief bijkomende kosten.
(vi ) De Kantonrechter heeft bij tussenbeschikking van 11 maart 1992 aan de Huurcommissie verzocht hem in te lichten omtrent de in haar uitspraak vermelde vergelijkbare woonruimten, opdat de Kantonrechter zou kunnen toetsen "of de commissie deze in redelijkheid (mede) als basis voor puntenvaststelling van woonruimten met een puntentotaal van meer dan 250 kon aanmerken".
(vii) Naar aanleiding van dat verzoek heeft de Huurcommissie een "rapport van onderzoek" gedateerd 27 april 1992 aan de Kantonrechter toegezonden.
(viii) Nadat Copo een aantal bezwaren tegen dat rapport had aangevoerd, heeft de Kantonrechter aan de Huurcommissie onder meer gevraagd of zij bereid was de vergeleken panden alsnog te identificeren. De Huurcommissie heeft op die vraag bij brief van 9 september 1992 geantwoord, kort samengevat, dat in meerdere gevallen op vertrouwelijke basis informatie was verkregen en dat de commissie zich terughoudend meende te moeten opstellen "mede gezien het feit dat, indien zij dit niet zou doen, het merendeel van de gehanteerde objecten op grond van gedane beloftes zouden afvallen en daardoor de basis waarop thans de puntprijzen zijn gebaseerd zou wegvallen".
3.2 In zijn eindbeschikking heeft de Kantonrechter met betrekking tot het vraagstuk van de vergelijkbaarheid overwogen, verkort weergegeven:
- dat hij de Huurcommissie niet kon nopen van haar beleid af te wijken;
- dat hij niet in staat was zelfstandig een vergelijking uit te voeren;
- dat het evenmin zinvol was alsnog een of meer deskundigen te benoemen, aangezien dezen met dezelfde problemen ten aanzien van de identificatie van de vergeleken objecten te kampen zouden hebben;
- dat de ervaring hem leerde dat de onderzoeken van de rapporteur van de commissie en de daarop gebaseerde uitspraken van de commissie in het algemeen een goede grondslag voor beslissingen in huurprijsvaststellingsprocedures vormen;
- dat naar zijn oordeel de gegevens in de rapporten en uitspraken van de commissie zowel partijen als de Kantonrechter in staat hadden gesteld om zich een beeld te vormen omtrent de vergelijkingsobjecten.
Hieraan verbond de Kantonrechter de conclusie dat hij, hoewel hij niet geheel kon uitsluiten dat een of enkele van de door de Huurcommissie vergeleken percelen niet (geheel) aan de eisen voor vergelijking voldeden, de door de Huurcommissie redelijk geachte huurprijs dienovereenkomstig kon vaststellen.
De Rechtbank heeft Copo in het door deze in weerwil van het appelverbod van art. 28 lid 3 HPW tegen de eindbeschikking van de Kantonrechter ingestelde hoger beroep niet ontvankelijk verklaard op grond van haar oordelen dat de Kantonrechter het beginsel van hoor en wederhoor niet had geschonden en dat ook anderszins geen sprake was van schending van een zo fundamenteel rechtsbeginsel dat niet meer van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak zou kunnen worden gesproken.
3.3 De Hoge Raad zal eerst onderdeel 4 van het middel behandelen. Dit onderdeel klaagt dat de Rechtbank heeft miskend dat de Kantonrechter fundamentele regels van behoorlijke procesvoering heeft veronachtzaamd door zijn eindbeschikking mede te baseren op een door [verweerder] op 23 oktober 1992 genomen akte waarvan geen afschrift aan Copo was verstrekt.
De klacht faalt. Op de brief van de Huurcommissie van 9 september 1992 is eerst door Copo (bij akte van 20 oktober 1992) en kort daarna door [verweerder] (bij voormelde akte) gereageerd. Nu uit de gedingstukken niet kan worden afgeleid dat Copo door een toezegging van de Kantonrechter of op andere gronden erop mocht rekenen dat zij gelegenheid zou krijgen om te repliceren op een eventueel door [verweerder] naar aanleiding van die brief van de Huurcommissie te nemen akte, terwijl niet blijkt en door Copo ook niet is gesteld dat in die akte van [verweerder] nieuwe feiten of gegevens waren aangevoerd waarop de Kantonrechter mede zijn beslissing zou hebben gebaseerd, kan niet worden gezegd dat het beginsel van hoor en wederhoor is geschonden doordat Copo - zoals in cassatie veronderstellenderwijs moet worden aangenomen - pas na het geven van de eindbeschikking van de Kantonrechter een afschrift van bedoelde akte heeft ontvangen.
3.4 De onderdelen 1 en 2, zoals nader toegelicht in de onderdelen 5 en 6, klagen dat de Rechtbank heeft miskend dat de Kantonrechter fundamentele regels van behoorlijke rechtspleging heeft veronachtzaamd door het geschil te beoordelen op basis van "geanonimiseerde" gegevens, namelijk op basis van gegevens omtrent te [plaats] verhuurde woningen en de daarvoor beweerdelijk in het verleden geldende huurprijzen, die noch voor partijen, noch voor hem controleerbaar waren.
Deze klacht treft doel. Voormelde bepaling van Bijlage III bij het Besluit huurprijzen woonruimte gaat uit van een huurprijsvaststelling op basis van een vergelijking met het huurprijspeil van vergelijkbare woningen. Te dezen heeft de Kantonrechter zijn vaststelling zo al niet geheel, dan toch in hoofdzaak doen bepalen door de uitkomst van een door de Huurcommissie gemaakte huurprijsvergelijking die berust op huurprijsgegevens met betrekking tot woningen waarvan de exacte ligging en overige voor de identificatie daarvan relevante gegevens door die commissie ook desgevraagd niet zijn geopenbaard, met als gevolg dat noch partijen, noch hijzelf in staat zijn geweest zich een eigen beeld te vormen omtrent 1 de voor de uitkomst van de huurprijsvergelijking wezenlijke vergelijkingsobjecten.
Door aldus de betalingsverplichting van de huurder vast te stellen aan de hand van rapportage die (mede) is gebaseerd op gegevens van feitelijke aard welke de rapporteurs ook desgevraagd niet hebben willen openbaren en die dientengevolge zowel voor hem als voor partijen oncontroleerbaar zijn gebleven, heeft de Kantonrechter fundamentele beginselen van behoorlijke rechtspleging geschonden: zoals mede blijkt uit de formulering van het op een geding als het onderhavige toepasselijke art. 6, eerste lid, EVRM, is het daarin vaststellen van de rechten en verplichtingen van partijen bij uitsluiting voorbehouden aan de rechter; daarin ligt besloten dat de rechter zich bij die vaststelling niet geheel of in hoofdzaak mag laten leiden door een (deskundigen-)rapport dat geheel of ten dele berust op voor die vaststelling wezenlijke gegevens van feitelijke aard welke de deskundigen ook desgevraagd niet hebben willen openbaren en die hij dientengevolge niet zelf heeft kunnen controleren; het fundamentele beginsel volgens hetwelk een burgerlijk geding op tegenspraak wordt gevoerd - van welk beginsel dat van hoor en wederhoor deel uitmaakt - brengt daarenboven mee dat de rechter zich bij die vaststelling alleen op die gegevens van feitelijke aard mag baseren waarvan partijen de juistheid en volledigheid hebben kunnen nagaan en ten processe ter discussie hebben kunnen stellen.
De stukken van het geding laten geen andere uitleg toe dan dat Copo zich ten betoge dat zij in haar hoger beroep kon worden ontvangen niet slechts op een motiveringsgebrek, maar mede op schending van voormelde fundamentele beginselen van behoorlijke rechtspleging heeft beroepen. Beroep daarop wettigt doorbreking van het appelverbod, zodat de Rechtbank door Copo in haar hoger beroep niet te ontvangen, blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Haar beschikking moet derhalve worden vernietigd. Verwijzing moet volgen opdat de door Copo aangevoerde grieven, mede aan de hand van het hiervoor overwogene, alsnog worden onderzocht.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de beschikking van de Rechtbank te Amsterdam van 9 juni 1993;
verwijst het geding naar het Gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing;
veroordeelt [verweerder] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Copo begroot op f 400, -- aan verschotten en f 3.000, -- voor salaris.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president Martens als voorzitter en de raadsheren Roelvink, Mijnssen, Korthals Altes en Swens-Donner, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer Heemskerk op 18 februari 1994.