Home

Gerechtshof Arnhem, 31-07-1984, AW7262, 0 61/1983

Gerechtshof Arnhem, 31-07-1984, AW7262, 0 61/1983

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
31 juli 1984
ECLI
ECLI:NL:GHARN:1984:AW7262
Zaaknummer
0 61/1983
Relevante informatie
27 OB

Inhoudsindicatie

Uitspraak

Belanghebbende oefende zijn melk veehouders bedrijf tot eind 1980 uit op het adres K in U (gemeente E). Hij verplaatste zijn bedrijf naar het adres E in E waar hij op 22 oktober 1980 een nieuw-gebouwde woning en ligboxenstal in gebruik nam.

Bij brief van 25 april 1980 kende het Ministerie van Landbouw en Visserij belanghebbende een rijksbijdrage van f 98.743 toe in de kosten van 1. de verplaatsing van zijn bedrijfsgebouw, 2. de uitbreiding of verzwaring van het openbare elektriciteitsnet, en 3. de aanleg van erfbeplanting, op grond van de Beschikking rijksbijdragen boerderijverplaatsing.

Het tussen partijen bestaande geschil betreft de vraag of belanghebbende ter zake van voormelde rijksbijdrage omzetbelasting verschuldigd is.

Het hof overweegt omtrent het geschil:

Belanghebbende heeft met zijn bedrijfsverplaatsing, onder meer bestaande uit het bouwen van een bedrijfsgebouw aan de E te E ter vervanging van zijn te ontruimen bedrijfsgebouw aan de K te U, waarvoor het Ministerie van Landbouw en Visserij op grond van de Beschikking rijksbijdragen boerderijverplaatsing de onderwerpelijke rijksbijdrage heeft verleend, in het maatschappelijke ruilverkeer een prestatie tegen vergoeding verricht waarover omzetbelasting verschuldigd is.

Belanghebbende heeft zijn stelling dat hij aan de resoluties van 24 november 1982, nrs. 281-20 433 en 281-20 434, het vertrouwen kon en mocht ontlenen dat de belastingadministratie in dezen heffing van omzetbelasting achterwege zou laten, niet aannemelijk gemaakt.

De genoemde resoluties reppen immers met geen woord over rijksbijdragen voor boerderijverplaatsing. Voorts heeft belanghebbende ter zitting aangevoerd dat bij het overleg, dat heeft geleid tot het uitvaardigen van de genoemde resoluties rijksbijdragen voor boerderijverplaatsing niet aan de orde zijn gesteld en dat deze rijksbijdragen ongetwijfeld op de agenda van het aanstaande overleg op 12 april 1984 van de bewindslieden zouden staan.

In redelijkheid kan derhalve belanghebbende aan de genoemde resoluties niet het vertrouwen hebben ontleend, dat de belastingadministratie te zijnen aanzien de gedragslijn zou volgen die hij voorstaat.

Belanghebbendes constatering dat de inspecteur de afgelopen jaren andere subsidies voor onder meer diepwoelen, tractorcabines, erfverharding en ruilverkaveling onbelast heeft gelaten, mist betekenis, omdat de al dan niet belastbaarheid van die andere subsidies in het onderhavige geding niet ter beoordeling staat.

Zijn betoog dat de inspecteur ook rijksbijdragen voor boerderijverplaatsing onbelast placht te laten, ontbeert feitelijke grond nu de inspecteur daartegenover onweersproken heeft gesteld dat er wat hem betreft vijf door belanghebbendes gemachtigde aangespannen beroepszaken over de belastbaarheid van rijksbijdragen voor boerderijverplaatsing aanhangig zijn. Belanghebbende heeft geen feiten aangedragen waaruit het door hem gestelde beleid van de inspecteur ten aanzien van de onderwerpelijke en andere subsidies zou blijken, zodat zijn stelling dat dit beleid een vertrouwen bij hem heeft gewekt dat rechtens in redelijkheid moet worden gehonoreerd, eveneens feitelijke grondslag mist.

Het vorenstaande voert het hof tot de slotsom dat belanghebbendes beroep ongegrond is.

(Volgt bevestiging van de uitspraak waarvan beroep.)