Home

Centrale Raad van Beroep, 21-01-2026, ECLI:NL:CRVB:2026:95, 25/1276 WIA

Centrale Raad van Beroep, 21-01-2026, ECLI:NL:CRVB:2026:95, 25/1276 WIA

Gegevens

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21 januari 2026
Datum publicatie
5 februari 2026
ECLI
ECLI:NL:CRVB:2026:95
Formele relaties
Zaaknummer
25/1276 WIA

Inhoudsindicatie

Loonsanctie terecht opgelegd. De Raad volgt de rechtbank niet in vasthouden aan nuancering op ‘voor rekening en risico-benadering’. De Raad heeft het bestreden besluit beoordeeld aan de hand van het in zijn uitspraak van 23 november 2023 uiteengezette toetsingskader. Het Uwv wordt gevolgd in zijn standpunt dat de bedrijfsarts – ook als daarbij de professionele marge in acht wordt genomen – in redelijkheid niet tot zijn oordeel over de belastbaarheid van de werknemer heeft kunnen komen. Dit komt voor rekening en risico van de werkgever.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 14 mei 2025, 23/2829 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

[naam B.V.] te [vestigingsplaats] ([naam B.V.])

Datum uitspraak: 21 januari 2026

Deze uitspraak gaat over de vraag of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het Uwv geen loonsanctie mocht opleggen, omdat van [naam B.V.] in redelijkheid niet kon worden gevergd om het advies van haar bedrijfsarts in twijfel te trekken. Het hoger beroep van het Uwv slaagt. De Raad oordeelt dat de rechtbank een onjuiste toets heeft aangelegd door de ‘voor rekening en risico’-benadering niet te volgen en dat het Uwv terecht een loonsanctie heeft opgelegd.

PROCESVERLOOP

Het Uwv heeft hoger beroep ingesteld. Namens [naam B.V.] heeft mr. S.J. Heijtlager, advocaat, een verweerschrift ingediend.

De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 17 december 2025. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. R. Spanjer en mr. M.H. Beersma. Voor [naam B.V.] is mr. Heijtlager en [naam directeur], directeur HRM, verschenen.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.

1.1.

[naam werknemer] (werknemer) was werkzaam bij [naam B.V.], laatstelijk als [naam functie] voor 38 uur per week. Op 10 maart 2021 heeft werknemer zich ziekgemeld met lichamelijke klachten. Op 12 december 2022 heeft werknemer een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aangevraagd. De verzekeringsarts heeft op 13 februari 2023 een rapport opgemaakt, en heeft na telefonisch contact met de bedrijfsarts op 20 februari 2023 nader gerapporteerd. Een arbeidsdeskundige heeft op 28 februari 2023 het re-integratieverslag beoordeeld. De arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat de re-integratie-inspanningen van [naam B.V.] onvoldoende zijn geweest en dat er geen deugdelijke grond is voor dit verzuim. Met een besluit van 3 maart 2023 heeft het Uwv aan [naam B.V.] een loonsanctie opgelegd. [naam B.V.] moet het loon aan werknemer doorbetalen tot 6 maart 2024.

1.2.

Bij besluit van 21 september 2023 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door [naam B.V.] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.

Uitspraak van de rechtbank

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het besluit van 3 maart 2023 herroepen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv de loonsanctie ten onrechte opgelegd.

2.1.

De rechtbank is daarbij eerst ingegaan op de rechtspraak van de Raad in loonsanctiezaken, waarbij bij de boordeling van de re-integratie-inspanningen van de werkgever (de zogeheten ‘RIV-toets’) onjuist medisch handelen van de bedrijfsarts voor rekening en risico van de werkgever komt (de zogeheten ‘voor rekening en risico’benadering). Onder verwijzing naar een uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 11 februari 20221 en op grond van een drietal met elkaar samenhangende redenen, heeft de rechtbank overwogen dat, ondanks de uitspraak van de Raad van 23 november 2023,2 waarin de Raad de ‘voor rekening en risico’-benadering heeft bevestigd, zij blijft vasthouden aan de nuancering die in de uitspraak van 11 februari 2022 op deze benadering is aangebracht.

2.2.

De rechtbank wijst er allereerst op dat de regering op 28 januari 2025 aan de Tweede (en Eerste) Kamer een advies van de Onafhankelijke Commissie Toekomst Arbeidsongeschiktheidsstelsel (OCTAS) heeft gestuurd, waarin is geadviseerd dat het Uwv bij de toetsing van het re-integratieverslag mag uitgaan van vertrouwen in het werk van de bedrijfsarts.3 Daardoor vervalt één van de grondslagen voor de loonsanctie. Ten tweede heeft de rechtbank gewezen op de conclusie van raadsheer advocaat-generaal prof. mr. dr. R.H. de Bock van 10 november 2023,4 waarin zij (onder andere) erop wijst dat er geen steekhoudend argument is voor de rechter om tot in lengte van jaren vast te houden aan wat er eertijds in de wetsgeschiedenis is overwogen en dat nieuwe ontwikkelingen of gewijzigde maatschappelijke inzichten op enig moment een andere interpretatie kunnen rechtvaardigen. De rechtbank ziet hierin voldoende aanleiding om de interpretatie van het begrip ‘in redelijkheid hebben kunnen komen tot de re-integratie-inspanningen’ uit artikel 65 van de wet WIA uit de wetsgeschiedenis van ruim twintig jaar geleden los te laten. Volgens de rechtbank past het niet bij recente ontwikkelingen in het bestuursrecht dat de overheid zich er slechts van hoeft te vergewissen dat een deskundigenadvies dat aan haar besluitvorming ten grondslag ligt, zorgvuldig tot stand is gekomen terwijl de burger (of een bedrijf) in zo’n geval risico-aansprakelijk is voor de inhoud daarvan. Met de nuancering op de ‘voor rekening en risico’-rechtspraak wil de rechtbank bij deze veranderde maatschappelijke ontwikkelingen aansluiten. Ten derde acht de rechtbank de mogelijkheid om de bedrijfsarts civielrechtelijk aansprakelijk te stellen, indien een loonsanctie wordt opgelegd als gevolg van een onjuist advies van de bedrijfsarts, in het licht van de door de rechtbank geschetste ontwikkelingen niet (langer) passend.

2.3.

Dit betekent dat de rechtbank bij de vraag of de loonsanctie terecht aan [naam B.V.] is opgelegd, heeft getoetst of van [naam B.V.] in redelijkheid niet kon worden gevergd om het advies van haar bedrijfsarts in twijfel te trekken. De rechtbank heeft vervolgens geconcludeerd dat het niet in redelijkheid van [naam B.V.] kon worden gevergd om het advies van haar bedrijfsarts in twijfel te trekken en dat, omdat de door [naam B.V.] verrichte re-integratie-inspanningen in voldoende mate waren afgestemd op dat advies, [naam B.V.] in redelijkheid heeft kunnen komen tot die re-integratie-inspanningen.

Het standpunt van het Uwv

3. Het Uwv is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Het Uwv betwist dat de maatschappelijke opvattingen sinds de uitspraak van 23 november 2023 van de Raad zodanig zijn gewijzigd dat bij de beoordeling van de re-integratieactiviteiten niet meer uitgegaan zou mogen worden van het tot nog toe gehanteerde beoordelingskader. Wat betreft het advies van de OCTAS heeft het Uwv erop gewezen dat de rechtbank eraan voorbij lijkt te zijn gegaan dat dit advies onderdeel is van een breder pakket aan maatregelen en voorstellen, gericht op het hele stelsel van loondoorbetaling bij ziekte, re-integratie en het sociaal zekerheidsstelsel, waarbij bij OCTAS in het bijzonder aandacht was voor het tekort aan verzekeringsartsen bij het Uwv en de gevolgen die dat met zich meebrengt. Volgens het Uwv veronderstelt de rechtbank verder ten onrechte dat analoge toepassing van de bestuursrechtelijke vergewisplicht werkgevers zou ‘bevrijden’ van verdere toetsing van de inhoud van het medisch advies en eventuele nadelige consequenties, zoals een loonsanctie. Het Uwv heeft aangevoerd dat niet valt in te zien waarom de civielrechtelijke aansprakelijkheidstelling van een arbodienst niet langer als afdoende drukventiel kan dienen. De aspecten waar de rechtbank in dat verband naar verwijst zijn ook niet wezenlijk anders dan twintig jaar geleden. Tot slot heeft het Uwv opgemerkt dat de rechtbank weliswaar spreekt over burgerperspectief, maar dat de rechtbank in het geheel geen aandacht lijkt te hebben voor de positie van de zieke werknemer en dat ook de doelstelling van de Wet verbetering poortwachter uit het oog lijkt te zijn verloren.

Het standpunt van [naam B.V.]

4. [naam B.V.] heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen. [naam B.V.] heeft daarbij gewezen op het voornemen van de demissionaire minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid om het medisch advies van de bedrijfsarts bij de RIV-toets per 1 januari 2028 leidend te maken.5

Het oordeel van de Raad

Conclusie en gevolgen

BESLISSING

(getekend) E.J.J.M. Weyers

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels