Home

Centrale Raad van Beroep, 14-12-2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4912, 14/4563 WW

Centrale Raad van Beroep, 14-12-2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4912, 14/4563 WW

Gegevens

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14 december 2016
Datum publicatie
23 december 2016
ECLI
ECLI:NL:CRVB:2016:4912
Zaaknummer
14/4563 WW
Relevante informatie
Werkloosheidswet [Tekst geldig vanaf 02-08-2022], Werkloosheidswet [Tekst geldig vanaf 02-08-2022]

Inhoudsindicatie

Bewust handelen appellant. Het dubbel declareren en ontvangen zoals beschreven, vormt objectief een dringende reden tot ontslag. Geen sprake van mede-verantwoordelijkheid werkgeefster. Primaire verantwoordelijkheid van appellant om in te staan voor juistheid declaraties. Gezien gehele gang van zaken en voortvarend optreden van werkgeefster tevens subjectief dringende reden.

Uitspraak

14/4563 WW

Datum uitspraak: 14 december 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

23 juli 2014, 14/1471 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.J. Aanen hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 november 2016, waar voor appellant is verschenen mr. Aanen. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. W.M.J. Evers.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant heeft sinds 1 september 1998 werkzaamheden verricht voor [werkgeefster] . (werkgeefster), laatstelijk in de functie van [naam functie] . Eind mei 2012 heeft appellant onkosten ten bedrage van in totaal € 4.302,79 gedeclareerd. Op 11 juli 2012 heeft werkgeefster appellant meegedeeld dat deze kosten niet voor vergoeding in aanmerking komen aangezien deze al eerder waren vergoed. Tijdens een gesprek op 24 juli 2012 heeft werkgeefster appellant geconfronteerd met het vermoeden dat appellant onkosten dubbel heeft gedeclareerd en uitbetaald heeft gekregen. Appellant is op 24 juli 2012 met onmiddellijke ingang geschorst. Na onderzoek heeft werkgeefster geconstateerd dat appellant € 18.837,62 dubbel heeft gedeclareerd en uitbetaald heeft gekregen en dat hij in verband met geannuleerde vluchten een bedrag van € 1.233,08 onterecht heeft ontvangen. Op 28 september 2012 heeft werkgeefster een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst ingediend bij de kantonrechter, die bij beschikking van 13 november 2012 de arbeidsovereenkomst met ingang van 1 december 2012 heeft ontbonden, zonder toekenning van een vergoeding.

1.2.

Het Uwv heeft bij besluit van 26 juni 2013 geweigerd appellant per 3 december 2012 in aanmerking te brengen voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) aangezien appellant volgens het Uwv verwijtbaar werkloos is geworden omdat aan de werkloosheid een dringende reden in de zin van artikel 7:678 van het Burgerlijk wetboek (BW) ten grondslag ligt. Het tegen het besluit van 26 juni 2013 gemaakte bezwaar heeft het Uwv ongegrond verklaard bij beslissing op bezwaar van 15 januari 2014 (bestreden besluit).

2. De rechtbank heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat niet de ontslagroute die werkgeefster heeft gekozen, maar de weging van de ontslagreden bepalend is. De rechtbank heeft overwogen dat appellant het bedrag aan dubbele declaraties en het bedrag dat hij heeft terug ontvangen, niet heeft betwist. De rechtbank is van oordeel dat het mede gelet op de uitspraak van de kantonrechter op de weg van appellant had gelegen daarvoor een plausibele verklaring te geven en aldus aannemelijk te maken dat het Uwv zich ten onrechte op het standpunt stelt dat sprake is van een dringende reden. Appellant is verwijtbaar werkloos geworden en gesteld noch gebleken is dat hem het niet nakomen van de verplichting om verwijtbare werkloosheid te voorkomen niet in overwegende mate kan worden verweten, zodat het Uwv naar het oordeel van de rechtbank terecht een WW-uitkering heeft geweigerd.

3.1.

Appellant is van mening dat geen sprake is geweest van een dringende reden voor ontslag. Deze ontbreekt volgens appellant in objectieve zin, omdat werkgeefster medeverantwoordelijk is te achten voor het vergoeden van de door appellant ingediende declaraties. Werkgeefster heeft volgens appellant niet gehandeld in overeenstemming met de binnen de onderneming geldende regels. Verder is volgens appellant geen sprake van bewust of opzettelijk dubbel declareren maar veeleer van slordigheid. Voorts is werkgeefster met het onderzoek naar de declaraties erg ver teruggegaan, namelijk tot het jaar 2002. Appellant beroept zich op een arrest van het Hof Arnhem-Leeuwarden van 22 april 2016, waaruit volgens appellant volgt dat declaraties niet achteraf over een periode van drie jaren gecontroleerd mogen worden. Volgens appellant is evenmin sprake van een dringende reden voor ontslag voor werkgeefster, omdat zij nimmer een ontslag op staande voet heeft overwogen, maar integendeel heeft geprobeerd om met een vaststellingsovereenkomst tot een beëindiging van het dienstverband te komen. Dat het voor werkgeefster een dermate ernstige kwestie was, staat volgens appellant niet vast. Daarmee ontbreekt volgens appellant een dringende reden voor ontslag in subjectieve zin.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit. Volgens het Uwv is sprake geweest van een dringende reden tot ontslag in zowel objectieve als subjectieve zin. In objectieve zin aangezien appellant dezelfde kosten dubbel heeft gedeclareerd waarbij hij verschillende data heeft opgegeven zodat het om andere kosten lijkt te gaan. Voor werkgeefster is dit moeilijk te onderkennen. Dat werkgeefster mogelijk in strijd met de binnen de onderneming geldende regels niet originele bonnen heeft geaccepteerd ziet het Uwv als coulance van werkgeefster en doet niet af aan de verantwoordelijkheid van appellant voor het indienen van correcte declaraties. Ook is volgens het Uwv sprake van een dringende reden in subjectieve zin aangezien werkgeefster voortvarend te werk is gegaan met het onderzoek en het daarop volgende verzoek tot ontbinding bij de kantonrechter.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Voor de van toepassing zijnde wettelijke bepalingen wordt verwezen naar overweging 3.2 tot en met 3.4 van de aangevallen uitspraak.

4.2.

Vooropgesteld wordt dat, zoals reeds diverse malen tot uitdrukking is gebracht in rechtspraak van de Raad, niet de keuze van werkgeefster voor de wijze van ontslag bepalend is voor de vraag of sprake is verwijtbare werkloosheid in de zin van artikel 24, tweede lid, onder a, van de WW, maar zijn het de redenen voor het ontslag die de doorslag geven. Die redenen dienen door het Uwv zelfstandig te worden beoordeeld, waarbij op het Uwv een eigen onderzoeksplicht rust (zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Raad van 1 mei 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ9140 en van 26 oktober 2016, ECLI 2016:4145). In het onderzoek kan het Uwv zich baseren op de gegevens die zijn opgenomen in de ontbindingsbeschikking van de kantonrechter, of die volgen uit de aan het Uwv ter hand gestelde stukken die aan de ontbindingsbeschikking ten grondslag hebben gelegen. Hoewel de rechtbank dus ten onrechte heeft overwogen dat het mede gelet op de uitspraak van de kantonrechter op de weg van appellant heeft gelegen aannemelijk te maken dat het Uwv zich ten onrechte op het standpunt stelt dat sprake is van een dringende reden, heeft deze overweging in dit geval geen consequenties aangezien het Uwv op basis van een zorgvuldig eigen onderzoek en een zelfstandige beoordeling met juistheid tot de conclusie is gekomen dat sprake is van een dringende reden voor ontslag. Daartoe wordt het volgende overwogen.

4.3.1.

Niet in geschil is dat op basis van onderzoek door werkgeefster is gebleken dat appellant 48 bedragen dubbel heeft gedeclareerd, waarvan hij 44 bedragen, met een totaal van € 18.837,62 dubbel uitbetaald heeft gekregen. Daarnaast heeft appellant een bedrag van

€ 1.233,08 onterecht ontvangen in verband met gewijzigde en/of geannuleerde vluchten, terwijl hij die bedragen al had gedeclareerd en uitbetaald had gekregen van werkgeefster.

4.3.2.

Uit het verzoekschrift tot ontbinding en de onderliggende stukken is onder meer gebleken dat appellant kosten van vluchten heeft gedeclareerd waarbij hij de ene keer een vertrekdatum vermeldde en de andere keer de datum waarop hij terugkeerde. Ook is gebleken dat appellant ter ondersteuning van zijn kostendeclaraties formulieren van American Express indiende waarbij de ene keer niet de volledige data in de linkerkolom zichtbaar waren (weggevallen/niet mee gekopieerd) en deze de tweede keer volledig zichtbaar waren. Werkgeefster heeft er in de ontbindingsprocedure op gewezen dat hierdoor in eerste instantie de indruk is gewekt dat sprake is van verschillende data, maar dat het bij nadere beschouwing gaat om exact dezelfde kosten. Anders dan appellant naar voren heeft gebracht, duidt deze handelwijze niet op slordigheden maar op een uitgekiende wijze van declareren, die voor werkgeefster niet makkelijk was te ontdekken. Appellant heeft diverse e-mails verzonden waaruit blijkt dat hij controleerde of zijn declaraties reeds waren vergoed en waaruit blijkt dat hij aandrong op betaling. Er is daarom sprake van bewust handelen. Het dubbel declareren en ontvangen, zoals hiervoor is beschreven, vormt objectief een dringende reden tot ontslag.

4.3.3.

Appellant heeft betoogd dat werkgeefster in dit kader ook verantwoordelijk is, omdat zij kennelijk niet originele bonnen heeft geaccepteerd. Dit standpunt wordt niet gevolgd aangezien het primair de verantwoordelijkheid van appellant is om in te staan voor de juistheid van zijn declaraties. De functie van appellant als [naam functie] , hield mede in dat appellant zelfstandig de onderneming vertegenwoordigde waarbij hij veel kosten voor onder meer vluchten en verblijf maakte die hij achteraf mocht declareren. Werkgeefster heeft voor de wijze van declareren weliswaar regels gesteld maar een werkgever moet bij dergelijke functies, waaraan inherent is dat kosten worden gedeclareerd, op de integriteit van zijn werknemers kunnen vertrouwen. Daarbij is tevens van belang dat appellant een voorbeeldfunctie had ten opzichte van andere werknemers. Dat werkgeefster uit coulance mogelijk niet originele bonnen heeft geaccepteerd, ontslaat appellant niet van zijn eigen verantwoordelijkheid. Verder heeft appellant niet onderbouwd waarom werkgeefster niet in beeld zou mogen brengen over welke periode het dubbel declareren door appellant zich heeft uitgestrekt. Dit is niet af te leiden uit het arrest van het Hof Arnhem-Leeuwarden van 22 april 2016 (ECLI:NL:GHARL:2016:3215), aangezien het in die zaak niet gaat om dubbele declaraties maar om onjuiste declaraties die altijd op dezelfde wijze, in alle openheid en zonder zaken te verdoezelen, werden ingediend.

4.3.4.

Appellant wordt evenmin gevolgd in zijn standpunt dat werkgeefster de reden voor ontslag niet als ernstige kwestie beschouwde. Werkgeefster heeft na ontdekking dat de kosten betreffende de door appellant eind mei 2012 ingediende declaraties, al aan appellant waren vergoed, hem daarvan op 11 juli 2012 in kennis gesteld. Op 24 juli 2012 is appellant vervolgens geconfronteerd met het vermoeden dat sprake is van dubbele declaraties en dubbele uitbetalingen en is hij geschorst. Daarbij is een volgend gesprek aangekondigd op

14 augustus 2012 ter bespreking van de onderzoeksbevindingen die appellant dan overhandigd zouden worden. Appellant had reeds een vakantie geboekt van 25 juli 2012 tot 14 augustus 2012, in verband met zijn huwelijk. Direct na terugkomst van zijn vakantie heeft een nader gesprek plaatsgevonden. De schorsing is in stand gebleven. In het kader van hoor en wederhoor hebben er vervolgens gesprekken plaatsgevonden op 21 en 28 augustus 2012 en heeft appellant de gelegenheid gekregen een schriftelijke reactie in te dienen, waarop werkgeefster op 6 september 2012 schriftelijk heeft gereageerd en waarbij is aangekondigd dat een ontbindingsprocedure in gang gezet zal worden. Op 28 september 2012 is het verzoekschrift tot ontbinding ingediend bij de kantonrechter. In de genoemde gesprekken en de berichtgeving daarover heeft werkgeefster steeds duidelijk laten blijken de situatie zeer ernstig te nemen. In dat standpunt van werkgeefster is geen verandering opgetreden. Gezien de gehele gang van zaken en het voortvarend optreden van werkgeefster lag aan de werkloosheid een subjectief dringende reden ten grondslag.

5. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.C.W. Lange als voorzitter en H.G. Rottier en

F.M.S. Requisizione als leden, in tegenwoordigheid van R.I. Troelstra als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 december 2016.

(getekend) C.C.W. Lange

(getekend) R.I. Troelstra

IvR