Home

Centrale Raad van Beroep, 28-09-2010, BN9504, 10-4214 WWB-VV

Centrale Raad van Beroep, 28-09-2010, BN9504, 10-4214 WWB-VV

Gegevens

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28 september 2010
ECLI
ECLI:NL:CRVB:2010:BN9504
Zaaknummer
10-4214 WWB-VV

Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening. Geen spoedeisend belang. De uitkering is niet lager dan de beslagvrije voet van negentig procent van de geldende bijstandsnorm. Verzoeker is inmiddels verhuisd naar de vanwege zijn gezondheidssituatie toegewezen woning en is in aanmerking gebracht voor bijzondere bijstand voor uit de verhuizing voortvloeiende kosten. De stelling dat sprake is van bedreigende schulden waardoor beslaglegging in het verschiet ligt is niet met objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk gemaakt.

Uitspraak

10/4214 WWB-VV

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

U I T S P R A A K

als bedoeld in artikel 8:84, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet naar aanleiding van het verzoek om voorlopige voorziening van:

[verzoeker], wonende te [woonplaats] (hierna: verzoeker),

in verband met het hoger beroep van:

verzoeker

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 25 februari 2009, 08/2635 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

verzoeker

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 28 september 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens verzoeker heeft mr. M.N.R. Nasrullah, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

Verzoeker heeft tevens een verzoek om voorlopige voorziening gedaan.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 september 2010. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door mr. H. Halfers, kantoorgenoot van mr. Nasrullah. Het College heeft zich, met voorafgaand bericht, niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de voorzieningenrechter naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.1. Verzoeker ontvangt bijstand naar de norm voor een alleenstaande. Bij besluiten van 15 en 27 mei 2002 is de bijstand van verzoeker over de periodes van 30 juli 1997 tot en met 31 december 1997 en van 30 maart 1998 tot en met 30 juni 1998 ingetrokken en zijn de over die periodes gemaakte kosten van bijstand tot bedragen van € 1.609,69 en

€ 2.574,20 van verzoeker teruggevorderd. In verband daarmee heeft het College maandelijks bedragen op de bijstand - waaronder de vakantietoeslag - van verzoeker ingehouden.

1.2. Bij besluit van 6 februari 2008 heeft het College, voor zover hier van belang, het verzoek van verzoeker om vergoeding van schade bestaande uit de - naar aanleiding van de onder 1.1 vermelde besluitvorming - ingehouden bijstand en de kosten van een heraansluiting van gas en elektra in 2006 afgewezen.

1.3. Bij besluit van 24 juli 2008 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 6 februari 2008 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het beroep tegen het besluit van 24 juli 2008 gegrond verklaard, dat besluit - gedeeltelijk vernietigd en - in stand gelaten waar het betreft de onder 1.2 vermelde afwijzing van het verzoek om schadevergoeding met bepalingen inzake proceskosten en griffierecht.

3. Verzoeker heeft verzocht om bij wijze van voorlopige voorziening de inhoudingen op de bijstand op te schorten en de eerder gedane en betwiste inhoudingen ongedaan te maken en aan hem te restitueren.

4. Naar aanleiding van dit verzoek overweegt de voorzieningenrechter het volgende.

4.1. Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en artikel 21 van de Beroepswet kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

4.2. De voorzieningenrechter stelt voorop dat volgens vaste rechtspraak van de Raad, zie onder meer de uitspraak van de Raad van 2 december 2003, LJN AO0764, de mogelijkheid om hangende (hoger) beroep een verzoek om een voorlopige voorziening te doen, niet is bedoeld om door middel van zogenoemde “kortsluiting” de behandeling van de hoofdzaak te bespoedigen. Indien van enig spoedeisend belang bij een voorlopige voorziening voorafgaand aan de uitspraak in de hoofdzaak geen sprake is, is daarin een grond gelegen om geen gebruik te maken van de in artikel 8:86, eerste lid, van de Awb neergelegde bevoegdheid onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak en het verzoek om een voorlopige voorziening af te wijzen.

4.3. Namens verzoeker is aangevoerd dat hij spoedeisend belang heeft bij het treffen van een voorlopige voorziening omdat hij als gevolg van jarenlange inhoudingen op zijn uitkering niet in staat is om volledig in zijn levensonderhoud te voorzien. Zo stelt verzoeker dat het gevaar bestaat dat zijn huis wordt leeggehaald door schuldeisers indien het College blijft inhouden op de uitkering. Voorts heeft verzoeker aangevoerd dat zijn financiële situatie in de weg staat aan een - om gezondheidsredenen - noodzakelijke verhuizing.

4.4. De voorzieningenrechter ziet in hetgeen door verzoeker is aangevoerd geen grond voor het oordeel dat sprake is van een spoedeisend belang dat het treffen van voorlopige voorziening vordert. Daarbij heeft de voorzieningenrechter in aanmerking genomen dat verzoeker beschikt over een bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande waarmee hij in zijn levensonderhoud kan voorzien. Weliswaar is sprake van een maandelijkse inhouding op de bijstand van verzoeker, maar deze bedraagt - blijkens de stukken sinds 1 augustus 2004 - € 3,95 waardoor zijn uitkering niet lager is dan de beslagvrije voet van negentig procent van de voor hem geldende bijstandsnorm. Verzoeker is inmiddels verhuisd naar de vanwege zijn gezondheidssituatie toegewezen woning en is in aanmerking gebracht voor bijzondere bijstand voor uit de verhuizing voortvloeiende kosten. De stelling dat sprake is van bedreigende schulden waardoor beslaglegging in het verschiet ligt is niet met objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk gemaakt.

4.5. Ook anderszins is de voorzieningenrechter niet gebleken van een voor verzoeker zo zwaarwegend belang dat behandeling van de bodemprocedure niet door hem zou kunnen worden afgewacht.

5. Voor bepalingen omtrent griffierecht en proceskosten is geen aanleiding.

III. BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht af.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 september 2010.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) J.M. Tason Avila.

IJ