Home

Raad van State, 27-02-2013, BZ2537, 201205688/1/A1

Raad van State, 27-02-2013, BZ2537, 201205688/1/A1

Gegevens

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27 februari 2013
ECLI
ECLI:NL:RVS:2013:BZ2537
Zaaknummer
201205688/1/A1

Inhoudsindicatie

Bij afzonderlijke besluiten van 9 maart 2010 heeft het college aan [appellant sub 1] en [appellant sub 2] geweigerd ontheffing te verlenen voor de permanente bewoning van de recreatiewoningen op de percelen Mulligenweg 8 [nummer A] onderscheidenlijk [nummer B] te Oldebroek (hierna: de percelen).

Uitspraak

201205688/1/A1.

Datum uitspraak: 27 februari 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1.    [appellant sub 1], wonend te Elburg,

2.    [appellanten sub 2] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 2]), beiden wonend te Oldebroek,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 2 mei 2012 in zaken nrs. 10/2120, 10/2121, 10/2122, 10/2123 en 10/2124 in het geding tussen onder meer:

[appellant sub 1] en [appellant sub 2]

en

het college van burgemeester en wethouders van Oldebroek.

Procesverloop

Bij afzonderlijke besluiten van 9 maart 2010 heeft het college aan [appellant sub 1] en [appellant sub 2] geweigerd ontheffing te verlenen voor de permanente bewoning van de recreatiewoningen op de percelen Mulligenweg 8 [nummer A] onderscheidenlijk [nummer B] te Oldebroek (hierna: de percelen).

Bij afzonderlijke besluiten van 16 november 2010 heeft het college de door [appellant sub 1] en [appellant sub 2] daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 2 mei 2012 heeft de rechtbank de onder meer door [appellant sub 1] en [appellant sub 2] daartegen ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 januari 2013, waar

[appellant sub 1] en [appellant sub 2], en het college, vertegenwoordigd door M. Emming en L. Visser, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    De percelen zijn gelegen in recreatiepark Mulligen. Ingevolge het bestemmingsplan "recreatiepark Mulligen" rust op de percelen de bestemming "Verblijfsrecreatie". Het gebruik van de percelen voor permanente bewoning is in strijd met het bestemmingsplan.

2.    [appellant sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college de gevraagde ontheffingen van het bestemmingsplan heeft kunnen weigeren. De in artikel 4.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: het Bro) opgenomen peildatum van 31 oktober 2003 is er niet voor niets, aldus [appellant sub 1] en [appellant sub 2]. Als bewoners, zoals zij, voor die peildatum al in de recreatiewoning permanent verblijven, dan moet het college volgens hen beter motiveren waarom toch geen ontheffing voor permanente bewoning wordt verleend. Het college heeft volgens hen naar willekeur en langdurig niet handhavend opgetreden tegen permanente bewoning van recreatiewoningen op recreatiepark Mulligen. In dat kader voeren zij aan dat het achterhaald is niet meer ruimhartig om te gaan met persoonsgebonden ontheffingen, nu het recreatiepark niet meer bedrijfsmatig wordt geëxploiteerd maar hoofdzakelijk wordt gebruikt voor permanente bewoning van de recreatiewoningen. Ook voeren zij aan dat zij niet tijdig zijn geïnformeerd dat het niet is toegestaan om in de recreatiewoningen permanent te verblijven, bijvoorbeeld door daarover geïnformeerd te worden ten tijde van de inschrijving in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (hierna: de GBA).

2.1.    Ingevolge artikel 3.23, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro), zoals die bepaling luidde ten tijde van belang, kunnen burgemeester en wethouders ten behoeve van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan te geven gevallen ontheffing verlenen van het bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 4.1.1, eerste lid, aanhef en onder j, van het Bro, zoals die bepaling luidde ten tijde van belang, komt voor de toepassing van artikel 3.23, eerste lid, van de Wro in aanmerking een wijziging van het gebruik van een recreatiewoning voor bewoning, mits:

1o de recreatiewoning voldoet aan de bij of krachtens de Woningwet aan een bestaande woning gestelde eisen;

2o bewoning niet in strijd is met de bij of krachtens de Wet milieubeheer, de Wet geluidhinder, de Wet ammoniak en veehouderij en de Wet geurhinder en veehouderij gestelde regels of de Reconstructiewet concentratiegebieden, en

3o de aanvrager vóór, maar in elk geval op 31 oktober 2003 de recreatiewoning als woning in gebruik had en deze sedertdien onafgebroken bewoont.

2.2.    Niet in geschil is dat [appellant sub 1] en [appellant sub 2] voldoen aan de in artikel 4.1.1, eerste lid, aanhef en onder j, van het Bro gestelde voorwaarden.

2.3.    Het college heeft zich in de afzonderlijke besluiten van 9 maart 2010, zoals gehandhaafd bij afzonderlijke besluiten van 16 november 2010, op het standpunt gesteld dat het niet bereid is ontheffing te verlenen voor de permanente bewoning van de recreatiewoningen op de percelen. Het heeft in dit verband gewezen op de op 27 september 2005 door het college vastgestelde nota "Bestrijding permanente bewoning van recreatieverblijven in de gemeente Oldebroek". In bijlage 4 "analyse recreatiepark Mulligen" bij die beleidsnota is vermeld dat legalisering van de permanente bewoning op het recreatiepark onmiskenbaar een doorkruising zou betekenen van het bestaande gemeentelijk ruimtelijk beleid dat sinds begin jaren 1980 wordt gevoerd. Reeds onder het vorige bestemmingsplan heeft de gemeente handhavend opgetreden tegen permanente bewoning. In het thans ter plaatse geldende bestemmingsplan is eveneens een gebruiksverbod voor permanente bewoning van de recreatiewoningen opgenomen. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college met de verwijzing naar de beleidsnota voldoende heeft gemotiveerd waarom permanente bewoning van de recreatiewoningen op het recreatiepark niet is toegestaan en daarmee ook waarom de persoonsgebonden ontheffingen zijn geweigerd. Van bijzondere persoonlijke omstandigheden die zouden moeten leiden tot verlening van de gevraagde ontheffingen, is niet gebleken.

Dat het college volgens [appellant sub 1] en [appellant sub 2] niet tijdig tot handhavend optreden is overgegaan, maakt niet dat het college reeds hierom aan hen ontheffing had moeten verlenen. Daarbij wordt overwogen dat niet valt in te zien dat [appellant sub 1] en [appellant sub 2] niet konden weten dat permanente bewoning van de recreatiewoningen op de percelen niet is toegestaan en geen persoonsgebonden ontheffingen verleend zouden worden. In de hiervoor genoemde bijlage bij de beleidsnota is vermeld dat de gemeente in de informatievoorziening altijd duidelijk heeft gemaakt dat permanente bewoning niet wordt getolereerd. In dit verband wordt gewezen op een in 2000 verzonden brief aan alle eigenaren van recreatiewoningen en in de gemeente gevestigde makelaars waarin dit uitdrukkelijk is verwoord. Uit uitspraken van 12 augustus 2009 in zaak nrs. 200901487/1/H1 en 200901569/1/H1 volgt dat het college bij brief van 15 juni 2000 ook aan [appellant sub 1] en aan [appellant sub 2] heeft laten weten dat permanente bewoning van de recreatiewoningen niet was toegestaan op het recreatiepark en dat tegen permanente bewoning, indien geconstateerd, wordt opgetreden. Bij brieven van 9 januari 2002 en 2 oktober 2002 is hetzelfde nogmaals aan [appellant sub 1] medegedeeld. Voorts is bij brief van 4 november 2004 wederom aan [appellant sub 1] en [appellant sub 2] medegedeeld dat permanente bewoning van de panden op de percelen in strijd is met het bestemmingsplan en dat het college de mogelijkheid heeft om hen bestuurlijke dwangmaatregelen op te leggen, hetgeen vervolgens bij afzonderlijke besluiten van 9 november 2005 onderscheidenlijk 22 november 2005 ook daadwerkelijk is gebeurd. Het betoog van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] inzake willekeur faalt, gelet op het vorenstaande, evenzeer.

Dat het recreatiepark volgens [appellant sub 1] en [appellant sub 2] niet meer bedrijfsmatig zou kunnen worden geëxploiteerd, wat hier ook van zij, leidt, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, evenmin tot het oordeel dat het college de gevraagde ontheffingen niet heeft kunnen weigeren. Het verlenen van ontheffingen staat haaks op het bevorderen van een vergroting en verbetering van de capaciteit van de verblijfsrecreatie, welk uitgangspunt is vertaald in verschillende beleidsnotities en actuele bestemmingsplannen van de gemeente Oldebroek.

Voor zover [appellant sub 1] en [appellant sub 2] een beroep doen op de nota naar aanleiding van het verslag bij het wetsvoorstel "Wet vergunning onrechtmatige bewoning recreatiewoningen" (Kamerstukken II 2010/11, 32 366, nr. 6, blz. 2), kan dit evenzeer niet tot een ander oordeel leiden, reeds omdat dit wetsvoorstel is ingetrokken.

De betogen falen.

3.    De hoger beroepen zijn ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.A.B. Montagne, ambtenaar van staat.

w.g. Wortmann    w.g. Montagne

lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 februari 2013

374-761.