Home

Raad van State, 13-02-2013, BZ1273, 201206332/1/R3

Raad van State, 13-02-2013, BZ1273, 201206332/1/R3

Gegevens

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13 februari 2013
Datum publicatie
18 februari 2013
ECLI
ECLI:NL:RVS:2013:BZ1273
Zaaknummer
201206332/1/R3
Relevante informatie
Wet ruimtelijke ordening [Tekst geldig vanaf 01-07-2021] [Regeling ingetrokken per 2020-02-12], Wet ruimtelijke ordening [Tekst geldig vanaf 01-07-2021] [Regeling ingetrokken per 2020-02-12]

Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 april 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Bakertand Oost 2010" vastgesteld.

Uitspraak

201206332/1/R3.

Datum uitspraak: 13 februari 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    [appellant sub 1], wonend te Tilburg,

2.    [appellant sub 2], wonend te Hilvarenbeek,

3.    [appellant sub 3], wonend te Tilburg,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Tilburg,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 16 april 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Bakertand Oost 2010" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 1] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 januari 2013, waar [appellant sub 2], [appellant sub 3] en de raad, vertegenwoordigd door mr. I.M. van Grinsven, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Buiten bezwaren van de andere partijen heeft [appellant sub 3] ter zitting nog een stuk ingediend.

    Overwegingen

1.    Het plan voorziet in een actualisatie van het bestemmingsplan "Buitengebied Hilvarenbeek" en heeft hoofdzakelijk een conserverend karakter. Ten behoeve van het plan heeft een inventarisatie plaatsgevonden van de in het plangebied aanwezige en met het vorige plan strijdige bebouwing en gebruik.

Het beroep van [appellant sub 3]

2.    Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro), zoals dit luidde ten tijde van belang, kan door een belanghebbende bij de Afdeling beroep worden ingesteld tegen een besluit als het aan de orde zijnde.

    Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

2.1.    [appellant sub 3] heeft vanuit zijn woning aan de [locatie A] op een afstand van ongeveer 1.000 m van het plangebied geen direct zicht op het plangebied. Gelet op het hoofdzakelijk conserverende karakter alsmede de ruimtelijke uitstraling van het plan is deze afstand te groot om te kunnen spreken van een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belang. Voorts is niet gebleken van andere feiten en omstandigheden in verband waarmee moet worden geoordeeld dat een objectief en persoonlijk belang van hem rechtstreeks bij het bestreden besluit is betrokken. Gelet hierop kan [appellant sub 3] niet als belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb worden aangemerkt.

    Het beroep van [appellant sub 3] is niet-ontvankelijk.

2.2.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat ten aanzien van het beroep van [appellant sub 3] geen aanleiding.

Het beroep van [appellant sub 2]

3.    Ter zitting heeft [appellant sub 2] zijn beroepsgrond over het ophogen van gronden en het dempen van sloten in de nabijheid van zijn gronden ingetrokken.

4.    [appellant sub 2] betoogt dat hij zich onvoldoende heeft kunnen voorbereiden op zijn bouwplannen vooruitlopend op de vaststelling van het plan, nu hij bij de inventarisatie ter voorbereiding van het plan niet betrokken is geweest. In dit verband voert hij tevens aan dat hij ook bij de vaststelling van het vorige bestemmingsplan "Buitengebied Hilvarenbeek" ten onrechte niet betrokken is geweest.

4.1.    Het bestreden besluit is voorbereid met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Awb. In overeenstemming met deze procedure is ook [appellant sub 2] in dat kader in de gelegenheid gesteld om een zienswijze over het ontwerpplan naar voren te brengen. Inspraak, zoals de bedoelde burgerparticipatie, maakt geen deel uit van de in de Wro vervatte bestemmingsplanprocedure waardoor eventuele gebreken ten aanzien van die procedure niet kunnen leiden tot vernietiging van het bestemmingsplan.

    Voor zover [appellant sub 2] stelt dat hij ook bij de voorbereiding van het besluit tot vaststelling van het vorige bestemmingsplan niet betrokken is geweest, wordt overwogen dat een eventueel gebrek ten aanzien van de vaststelling van dat bestemmingsplan niet kan leiden tot vernietiging van het voorliggende bestemmingsplan.

    De betogen falen.

5.    [appellant sub 2], exploitant van een volkstuincomplex, betoogt dat de raad het plandeel met de bestemming "Natuur" op zijn percelen ten onrechte heeft vastgesteld, nu hij als gevolg hiervan wordt beperkt in de uitbreidingsmogelijkheden van zijn volkstuin.

5.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat de bestemming "Natuur" vergelijkbaar is met de bestemming "Multifunctioneel bos" in het vorige bestemmingsplan en in overeenstemming is met de Verordening ruimte Noord-Brabant 2011 (hierna: Verordening 2011).

5.2.    Ingevolge artikel 4.2, eerste lid, onder a en b, van de Verordening 2011, strekt een bestemmingsplan dat is gelegen in de ecologische hoofdstructuur tot het behoud, herstel of duurzame ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden en stelt een bestemmingsplan regels ter bescherming van de ecologische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden en houdt daarbij rekening met de overige waarden en kenmerken, waaronder de cultuurhistorische waarden en kenmerken.

5.3.    Het plandeel met de bestemming "Natuur" direct ten noorden van het volkstuincomplex is in de Verordening 2011 aangewezen als ecologische hoofdstructuur. Daargelaten dat [appellant sub 2] niet inzichtelijk heeft gemaakt dat hij door de bestemming "Natuur" in verdergaande mate wordt beperkt in zijn gebruiksmogelijkheden dan door de bestemming "Multifunctioneel bos" uit het vorige plan, heeft de raad gelet op de artikelen 4.1, tweede lid, van de Wro en 4.2, eerste lid, van de Verordening 2011 en in overeenstemming met het bestaande gebruik terecht aan deze gronden de bestemming "Natuur" en niet de bestemming "Recreatie" met de aanduiding "volkstuin", waarbinnen bebouwing is toegestaan, toegekend. Het betoog faalt.

6.    [appellant sub 2] betoogt dat binnen het plandeel met de bestemming "Recreatie" met de aanduiding "volkstuin" in strijd met het gelijkheidsbeginsel geen bedrijfswoning is toegestaan. Daartoe voert hij aan dat verscheidene en zelfs illegale gebouwen elders in het plan wel als zodanig zijn bestemd.

6.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat niet is aangetoond dat een bedrijfswoning op het volkstuincomplex noodzakelijk is, waardoor ter plaatse, gelet op het gemeentelijke beleid voor bedrijfswoningen in het buitengebied, geen bedrijfswoning is toegestaan.

6.2.    Aan het plandeel met de bestemming "Recreatie" met de aanduiding "volkstuin" is geen bouwvlak toegekend. Binnen voornoemd plandeel bevindt zich evenmin een bedrijfswoning. Gelet op het conserverende karakter van het plan, heeft de raad bij de vaststelling van de bestemmingen en de bouw- en gebruiksmogelijkheden als beleidsuitgangspunt zoveel mogelijk aangesloten bij de vorige planologische mogelijkheden en het bestaande gebruik. Niet is gebleken dat de door [appellant sub 2] gewenste bedrijfswoning noodzakelijk is voor de exploitatie van zijn volkstuin. In hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat de raad in strijd met het gelijkheidsbeginsel heeft gehandeld, reeds omdat de door [appellant sub 2] gewenste bedrijfswoning niet is gerealiseerd, in tegenstelling tot de door hen genoemde voorbeelden. Het betoog faalt.

7.    Het beroep van [appellant sub 2] is ongegrond.

8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat ten aanzien van het beroep van [appellant sub 2] geen aanleiding.

Het beroep van [appellant sub 1]

9.    [appellant sub 1] betoogt dat de raad aan het plandeel met de bestemming "Bedrijf" aan de [locatie B] ten onrechte de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - afvalscheiding" en niet, evenals in het ontwerpplan en overeenkomstig de bestaande situatie, de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - groothandel in metalen en halffabricaten" heeft toegekend.

9.1.    Aan het plandeel met de bestemming "Bedrijf" aan de [locatie B] is de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - afvalscheiding" toegekend. De raad heeft erkend dat de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - groothandel in metalen en halffabricaten" in het ontwerpplan abusievelijk is gewijzigd in de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - afvalscheiding" in het vastgestelde plan. Gelet hierop ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover het betreft de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - afvalscheiding" voor het plandeel met de bestemming "Bedrijf" aan de [locatie B], is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het betoog slaagt.

9.2.    Het beroep van [appellant sub 1] is gegrond. Het besluit, voor zover het betreft de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - afvalscheiding" voor het plandeel met de bestemming "Bedrijf" aan de [locatie B], dient wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd.

9.3.    De Afdeling ziet aanleiding met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder a, van de Awb de raad op te dragen om binnen 16 weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan, voor zover het betreft de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - afvalscheiding" voor het plandeel met de bestemming "Bedrijf" aan de [locatie B], te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Daarbij acht de Afdeling het niet nodig om bij de voorbereiding van dat nieuwe besluit de procedure van afdeling 3.4 van de Awb te doorlopen.

10.    De raad dient ten aanzien van het beroep van [appellant sub 1] op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep van [appellant sub 3] niet-ontvankelijk;

II.    verklaart het beroep van [appellant sub 1], gegrond;

III.    vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Tilburg van 16 april 2012 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Bakertand Oost 2010", voor zover het betreft de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - afvalscheiding" voor het plandeel met de bestemming "Bedrijf" aan de [locatie B];

IV.    draagt de raad van de gemeente Tilburg op om binnen 16 weken na de verzending van deze uitspraak en met inachtneming hiervan een nieuw plan, voor zover dit onder III. is vernietigd, vast te stellen en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;

V.    verklaart het beroep van [appellant sub 2] ongegrond;

VI.    veroordeelt de raad van de gemeente Tilburg tot vergoeding van bij [appellant sub 1 in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 472,00 (zegge: vierhonderdtweeënzeventig euro);

VII.    gelast dat de raad van de gemeente Tilburg aan [appellant sub 1] het door hem voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht vergoedt, ten bedrage van € 156,00 (zegge: honderdzesenvijftig euro).

Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.F.N. Pikart-van den Berg, ambtenaar van staat.

w.g. Hoekstra    w.g. Pikart-van den Berg

lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 februari 2013

350-709.