Home

Raad van State, 19-11-2008, BG5674, 200807717/1

Raad van State, 19-11-2008, BG5674, 200807717/1

Gegevens

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19 november 2008
ECLI
ECLI:NL:RVS:2008:BG5674
Zaaknummer
200807717/1
Relevante informatie
Vreemdelingenwet 2000, Vreemdelingenwet 2000 59

Inhoudsindicatie

Vreemdelingenbewaring / China / geen zicht op uitzetting / uitzondering

In het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van verhoor van 27 september 2008 staat dat de vreemdeling heeft verklaard dat zijn oom in het bezit is van zijn paspoort, dat hij denkt dat zijn oom in de buurt van Gieten woont, maar dat hij niet weet wat voor werk zijn oom doet omdat hij nog maar een paar dagen in Nederland verblijft.

In het op ambtseed, onderscheidenlijk ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal van nader verhoor van 29 september 2008 staat dat de vreemdeling heeft verklaard dat hij een paspoort heeft, dat dit paspoort bij zijn oom ligt en vermoedelijk door zijn oom is weggegooid, dat die oom in de buurt van Gieten woont, maar dat hij niet precies weet waar dat is.

Gelet hierop bestaat, gelijk de rechtbank heeft overwogen, geen grond voor het oordeel dat zicht op uitzetting van de vreemdeling naar China ontbrak. De rechtbank heeft daarbij terecht in aanmerking genomen dat door de vreemdeling onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat hij slechts met behulp van een laissez passer kan worden uitgezet. De enkele stelling dat hij het adres van zijn oom niet, althans moeilijk kan achterhalen, heeft de rechtbank terecht onvoldoende kunnen achten om aan te nemen dat de vreemdeling niet in staat zal zijn paspoort te overleggen. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de vreemdeling deze stelling op geen enkele wijze heeft onderbouwd. Nu de staatssecretaris derhalve niet is aangewezen op de medewerking van de Chinese autoriteiten voor het verkrijgen van de voor de uitzetting van de vreemdeling benodigde reisdocumenten, kan een beroep op de door de vreemdeling bedoelde jurisprudentie reeds hierom niet slagen.

Uitspraak

200807717/1.

Datum uitspraak: 19 november 2008

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[appellant],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Assen, van 16 oktober 2008 in zaak nr. 08/34984 in het geding tussen:

[appellant]

en

de staatssecretaris van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 27 september 2008 is [appellant] (hierna: de vreemdeling) in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 16 oktober 2008, verzonden op dezelfde datum, heeft de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Assen (hierna: de rechtbank), het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 20 oktober 2008, hoger beroep ingesteld. Tevens heeft hij daarbij de Afdeling verzocht hem schadevergoeding toe te kennen. Deze brief is aangehecht.

De staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. In de eerste en enige grief betoogt de vreemdeling dat de rechtbank, door te overwegen dat voldoende zicht bestaat op uitzetting van de vreemdeling binnen een redelijke termijn, niet heeft onderkend dat uit de ter zitting bij de rechtbank aangehaalde jurisprudentie van verschillende nevenzittingsplaatsen volgt dat geen zicht op uitzetting naar China binnen een redelijke termijn bestaat en dat de enkele omstandigheid dat de Chinese autoriteiten op 8 september 2008 in één individueel geval een laissez passer zouden hebben afgegeven, niet leidt tot een ander oordeel. De rechtbank heeft door te benadrukken dat hij de beschikking heeft gehad over een paspoort en dit paspoort heeft afgegeven aan zijn oom in [woonplaats] volgens de vreemdeling voorts miskend dat hij geen contact meer heeft met zijn illegaal in Nederland verblijvende oom en evenmin weet of deze nog in [woonplaats] woont.

2.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld in de uitspraak van 13 juni 2008 in zaak nr. 200803407/1, www.raadvanstate.nl), kan van een vreemdeling op wie de rechtsplicht rust Nederland te verlaten, worden gevergd dat hij actieve en volledige medewerking verleent aan het verkrijgen van concrete en verifieerbare gegevens, waaronder documenten, die nodig zijn om de beoogde uitzetting te bewerkstelligen en dat hij ook zelf de nodige, controleerbare inspanningen verricht om dergelijke gegevens te verkrijgen.

2.3. In het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van verhoor van 27 september 2008 staat dat de vreemdeling heeft verklaard dat zijn oom in het bezit is van zijn paspoort, dat hij denkt dat zijn oom in de buurt van [woonplaats] woont, maar dat hij niet weet wat voor werk zijn oom doet omdat hij nog maar een paar dagen in Nederland verblijft.

In het op ambtseed, onderscheidenlijk ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal van nader verhoor van 29 september 2008 staat dat de vreemdeling heeft verklaard dat hij een paspoort heeft, dat dit paspoort bij zijn oom ligt en vermoedelijk door zijn oom is weggegooid, dat die oom in de buurt van [woonplaats] woont, maar dat hij niet precies weet waar dat is.

Gelet hierop bestaat, gelijk de rechtbank heeft overwogen, geen grond voor het oordeel dat zicht op uitzetting van de vreemdeling naar China ontbrak. De rechtbank heeft daarbij terecht in aanmerking genomen dat door de vreemdeling onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat hij slechts met behulp van een laissez passer kan worden uitgezet. De enkele stelling dat hij het adres van zijn oom niet, althans moeilijk kan achterhalen, heeft de rechtbank terecht onvoldoende kunnen achten om aan te nemen dat de vreemdeling niet in staat zal zijn paspoort te overleggen. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de vreemdeling deze stelling op geen enkele wijze heeft onderbouwd. Nu de staatssecretaris derhalve niet is aangewezen op de medewerking van de Chinese autoriteiten voor het verkrijgen van de voor de uitzetting van de vreemdeling benodigde reisdocumenten, kan een beroep op de door de vreemdeling bedoelde jurisprudentie reeds hierom niet slagen.

2.4. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Het verzoek om schadevergoeding dient reeds hierom te worden afgewezen.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. C.H.M. van Altena, leden, in tegenwoordigheid van mr. C.E.C.M. van Roosmalen, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink

voorzitter

w.g. Van Roosmalen

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 november 2008

53.

Verzonden: 19 november 2008

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

voor deze,

mr. H.H.C. Visser,

directeur Bestuursrechtspraak