Home

Raad van State, 18-03-2005, AT1976, 200500899/1 en 200500899/2

Raad van State, 18-03-2005, AT1976, 200500899/1 en 200500899/2

Gegevens

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18 maart 2005
ECLI
ECLI:NL:RVS:2005:AT1976
Zaaknummer
200500899/1 en 200500899/2

Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 april 2004  heeft het college van burgemeester en wethouders van Veghel (hierna: het college) bepaald dat appellante vanaf 6 weken na de verzenddatum van dit besluit dwangsommen verbeurt van € 250,00 per dag, tot een maximum van € 25.000,00, voor iedere dag dat de gebouwen D en E niet zijn verwijderd van het perceel, kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie […], nummer[…] (hierna: het perceel), van € 500,00 per dag, tot een maximum van € 50.000,00, voor iedere dag dat gebouw F niet is aangepast aan de op 12 mei 2000 verleende bouwvergunning en van € 250,00 per dag, tot een maximum van € 25.000,00, voor iedere dag dat de overkapping tussen gebouw F en C niet is verwijderd.

Uitspraak

200500899/1 en 200500899/2.

Datum uitspraak: 18 maart 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 20 december 2004 in het geding tussen:

appellante

en

het college van burgemeester en wethouders van Veghel.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 6 april 2004  heeft het college van burgemeester en wethouders van Veghel (hierna: het college) bepaald dat appellante vanaf 6 weken na de verzenddatum van dit besluit dwangsommen verbeurt van € 250,00 per dag, tot een maximum van € 25.000,00, voor iedere dag dat de gebouwen D en E niet zijn verwijderd van het perceel, kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie […], nummer[…] (hierna: het perceel), van € 500,00 per dag, tot een maximum van € 50.000,00, voor iedere dag dat gebouw F niet is aangepast aan de op 12 mei 2000 verleende bouwvergunning en van € 250,00 per dag, tot een maximum van € 25.000,00, voor iedere dag dat de overkapping tussen gebouw F en C niet is verwijderd.

Bij besluit van 22 juni 2004 heeft het college het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard, de last onder dwangsom gewijzigd in die zin dat de gebouwen D, E, en F, alsmede de aanzet tot een overkapping c.q. uitbreiding, bestaande uit een betonnen vloer, stenen muur met eventuele fundering en staalconstructie, geheel van het perceel dienen te worden verwijderd en de termijn voor de verbeurte van de dwangsommen verlengd tot 6 maanden na de verzenddatum van dit besluit.

Bij mondelinge uitspraak van 20 december 2004, waarvan een afschrift van het proces verbaal is verzonden op 27 december 2004, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de voorzieningenrechter) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 27 januari 2005, bij de Raad van State ingekomen op diezelfde dag, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 27 januari 2005, bij de Raad van State ingekomen op diezelfde dag, heeft appellante de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 februari 2005, waar appellante in persoon, bijgestaan door E.P.J. Hendricks en [gemachtigde] en het college, vertegenwoordigd door mr. L.A. Muller, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2.1.    Overwegingen

2.2.    Het geschil is beperkt tot de last onder dwangsom inzake gebouw F.

2.3.    Vast staat dat gebouw F is opgericht zonder bouwvergunning, zodat is gehandeld in strijd met artikel 40 Woningwet, en het college bevoegd was terzake handhavend op te treden.

   Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

   Niet in geschil is dat er ten tijde van de beslissing op bezwaar geen concreet uitzicht bestond op legalisatie van gebouw F.

2.4.    Het hoger beroep spitst zit toe op de vraag of de voorzieningenrechter terecht heeft geoordeeld dat het college de last mocht beperken tot het verwijderen van gebouw F. Appellante betoogt dat de last ook de mogelijkheid had moeten bieden dit gebouw in overeenstemming te brengen met een aan haar verleende bouwvergunning van 12 mei 2000.

2.4.1.    De bouwvergunning van 12 mei 2000 is verleend voor het verbouwen van een berging op het perceel. Ook als met deze vergunning een algehele vernieuwing van die berging zou kunnen worden gerealiseerd, zoals appellante meent, betekent dat niet dat vergunning is verleend voor het oprichten van een berging.

   Vast staat dat deze vergunning niet is verleend voor het verbouwen van gebouw F maar voor het verbouwen van een berging met geheel andere afmetingen en gelegen op een iets andere locatie dan gebouw F. Gelet hierop kon geen gebruik worden gemaakt van de vergunning van 12 mei 2000 ten behoeve van gebouw F.

   De voorzieningenrechter heeft dan ook op goede gronden geoordeeld dat het onmogelijk is om gebouw F in overeenstemming te brengen met de bouwvergunning van 12 mei 2000, zodat het college heeft kunnen volstaan met de last het gebouw geheel af te breken.

2.5.    Anders dan appellante betoogt heeft de voorzieningenrechter ook in de kapitaalvernietiging die uitvoering van de last met zich brengt, terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het college van handhaving moest afzien. Die kapitaalvernietiging dient voor rekening en risico van appellante te blijven die zonder bouwvergunning heeft gebouwd.

2.6.    In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.7.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8.    Gelet op het vorenstaande ziet de Voorzitter geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

2.9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;

II.    wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. T.M.A. Claessens, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. I. Sluiter, ambtenaar van Staat.

w.g. Claessens    w.g. Sluiter

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2005

292.