Home

Rechtbank Zwolle, 27-04-2000, AA5825, AWB 99/7003 WW

Rechtbank Zwolle, 27-04-2000, AA5825, AWB 99/7003 WW

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zwolle
Datum uitspraak
27 april 2000
Datum publicatie
26 september 2001
ECLI
ECLI:NL:RBZWO:2000:AA5825
Zaaknummer
AWB 99/7003 WW
Relevante informatie
Werkloosheidswet [Tekst geldig vanaf 02-08-2022], Wijzigingswet Burgerlijk Wetboek, het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 enz. (Flexibiliteit en zekerheid) [Tekst geldig vanaf 20-12-2006]

Inhoudsindicatie

Geen ruimte voor extensieve uitleg van art. 16.3 WW.

Ontbinding arbeidsovk. per 1-2-1999 onder toekenning van een vergoeding. Verweerder heeft een fictieve opzegtermijn vastgesteld van 2-2-1999 tot 1-4-1999.

Rb.: In de tekst van art. 16.3 WW kan slechts een verwijzing gelezen worden naar de in casu door de werkgever in acht te nemen opzegtermijn, dat is de termijn bedoeld in art. 7:672.2 BW. Weliswaar zou uit de wetsgeschiedenis van de totstandkoming van de Flexwet een vermoeden kunnen worden afgeleid, dat het de bedoeling van de wetgever is geweest bij het bepalen van de fictieve opzegtermijn ex art. 16.3 WW ook het eerste lid van art. 7:672 BW toe te passen, doch dit is niet als zodanig in de tekst van het derde lid van art. 16 opgenomen.

Nu het gaat om toepassing van een wetsbepaling die als eerste gevolg ten nadele strekt of kan strekken van de werknemer, is er naar het oordeel van de Rb. geen ruimte voor de uitvoeringsinstelling noch voor de rechter om op basis van het bedoelde vermoeden over te gaan tot een extensieve uitleg van art. 16.3 WW.

Overigens deelt de Rb. het standpunt van verweerder, dat er bij toepassing van art. 16.3 BW bij een opzegtermijn ex art. 7:672.2 BW van één maand geen ruimte is voor een verkorting van de opzegtermijn op basis van de artt. 7:672.4 BW jo. 16.3 WW. Immers in datzelfde vierde lid van art. 7:672 BW is bepaald dat de resterende termijn van opzegging ten minste één maand bedraagt.

Beroep gegrond; verweerder dient nieuw besluit te nemen.

Landelijk instituut sociale verzekeringen te Amsterdam, verweerder.

mr. A. Oosterveld mr. M.I. Lammertsma-van der Heij mr. M.A. Pach

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ZWOLLE

Sector Bestuursrecht

Meervoudige Kamer

Reg.nr.: AWB 99/7003 WW

UITSPRAAK

in het geschil tussen:

[eiseres] wonende te [woonplaats], eiseres,

gemachtigde: mr A.A.M. van der Zandt, regiojurist

bij de ABVAKABO/FNV regio Oost te Apeldoorn,

en

het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gevestigd te Amsterdam (uitvoeringsinstelling: Gak Nederland B.V., kantoor Apeldoorn), verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder d.d. 27 juli 1999.

2. Verloop van de procedure

Bij beschikking van 1 februari 1999 is de arbeidsovereenkomst van eiseres per diezelfde datum ontbonden onder toekenning van een vergoeding aan haar ten laste van haar werkgeefster.

Eiseres heeft verweerder op 11 februari 1999 verzocht haar in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (verder te noemen: de WW) in verband met haar ingetreden werkloosheid.

Bij besluit van 17 maart 1999 heeft verweerder gelet op de ontbinding van eiseresses arbeidsovereenkomst een fictieve opzegtermijn vastgesteld van 2 februari 1999 (de dag na die van de ontbindingsbeschikking) tot 1 april 1999.

Eiseres heeft bij brief van 25 april 1999 tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Eiseres is terzake van haar bezwaar niet gehoord, omdat zij - naar verweerder aangeeft - daarop geen prijs stelde.

Bij het bestreden besluit van 27 juli 1999 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft daartegen bij brieven van 30 augustus en

9 september 1999 beroep aangetekend bij deze rechtbank.

Verweerder heeft op 25 oktober 1999 schriftelijk verweer

gevoerd.

Het beroep van eiser is ter zitting behandeld op 5 april 2000. Eiseres en haar gemachtigde zijn niet verschenen. Voor verweerder is verschenen M.J. Gerritsen, beambte bezwaar en beroep van het Gak-kantoor in Apeldoorn.

3. Motivering

3.1

Het geschil betreft de duur van de "fictieve opzegtermijn" die voor de toepassing van de WW in acht genomen dient te worden wegens de ontbinding van de arbeidsovereenkomst van eiseres.

3.2

De rechtbank stelt op basis van de gedingstukken vast dat eiseres op 15 maart 1995 als [functie] in dienst is getreden van de [werkgever].

Op 18 januari 1999 heeft de werkgeefster van eiseres aan de kantonrechter te Harderwijk verzocht om de arbeidsovereenkomst met eiseres te ontbinden.

Bij beschikking van 1 februari 1999 heeft de kantonrechter te Harderwijk eiseresses arbeidsovereenkomst per 1 februari 1999 ontbonden onder toekenning van een vergoeding aan eiseres ten laste van haar werkgeefster van fl. 30.000,-.

3.3

Voor de beoordeling van dit geding zijn met name van belang artikel 16 WW jo. artikel 672 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (BW).

Artikel 16 WW luidt voor zover van belang:

1. Werkloos is de werknemer die:

a. ten minste vijf of ten minste de helft van zijn arbeidsuren per kalenderweek heeft verloren, alsmede het recht op onverminderde doorbetaling van zijn loon over die uren.

2. (....)

3. Met het recht op onverminderde loondoorbetaling van zijn loon, bedoeld in het eerste lid, worden gelijkgesteld de inkomsten waarop de werknemer recht heeft in verband met

de beëindiging van de dienstbetrekking, tot aan het bedrag aan loon dat de werknemer zou hebben ontvangen indien de dienstbetrekking door opzegging met inachtneming van de rechtens geldende termijn zou zijn geëindigd. (...)

Onder de rechtens geldende termijn, bedoeld in de eerste zin, wordt verstaan de termijn die de werkgever of de werknemer op grond van artikel 672 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek ieder voor zich bij de opzegging in acht behoort te nemen.

(...)

Het in de eerste zin bedoelde bedrag wordt:

a. (...)

b. indien de dienstbetrekking is geëindigd door ontbinding, toegerekend aan de periode onmiddellijk volgend op de datum van de beschikking tot ontbinding;

c. (...)

Indien de dienstbetrekking is geëindigd door ontbinding op verzoek van de werkgever, is artikel 672, lid 4 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek van overeenkomstige toepassing. (...)

Artikel 7:672 van het BW luidt (voorzover van belang):

1. Opzegging geschiedt tegen het einde van de maand tenzij

(...)

2. De door de werkgever in acht te nemen termijn van opzegging bedraagt bij een arbeidsovereenkomst die op de dag van opzegging

a. korter dan vijf jaar heeft geduurd: een maand;

b. vijf jaar of langer maar korter dan tien jaar heeft

geduurd: 2 maanden;

c. tien jaar of langer maar korter dan vijftien jaar heeft

geduurd: 3 maanden;

d. vijftien jaar of langer heeft geduurd: vier maanden.

3. (...)

4. Indien de toestemming, bedoeld in artikel 6 van het

Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 is verleend, wordt de termijn van opzegging, bedoeld in lid 2, verkort met een maand, met dien verstande dat de resterende termijn van opzegging ten minste een maand bedraagt.

(...)

Het derde lid van artikel 16 WW is gewijzigd bij de invoering van de Wet Flexibiliteit en zekerheid (wet van 14 mei 1998, Stb. 1998, 300, in werking getreden op 1 januari 1999, verder te noemen: de Flexwet).

Bij de Flexwet is tevens met ingang van 1 januari 1999 artikel 672 van Boek 7 BW gewijzigd. Hierboven is weergegeven hoe dit artikel sedert 1 januari 1999 luidt.

3.4

Verweerder heeft, gelet op de ontbinding van de arbeidsovereenkomst van eiseres, bij de toepassing van artikel 16, derde lid, WW een fictieve opzegtermijn vastgesteld van 2 februari 1999, zijnde de dag na die van de beschikking tot ontbinding, tot 1 april 1999.

Verweerder heeft eerst op basis van artikel 7:672, tweede lid onder a, BW een fictieve opzegtermijn voor de werkgever van één maand vastgesteld. Gelet hierop is er volgens verweerder geen ruimte om toepassing te geven aan de verkorting van de opzegtermijn als bedoeld in de artikelen 16, derde lid WW jo. 7:672, vierde lid BW. Vervolgens heeft verweerder met toepassing van het eerste lid van artikel 7:672 BW bepaald dat de "fictieve opzegging" tegen het einde van de maand maart zou moeten plaatsvinden.

Verweerder is van mening dat het eerste en het tweede lid van artikel 7:672 BW onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn ook bij toepassing van artikel 16, derde lid, WW. Verweerder baseert zijn mening met name op de wetsgeschiedenis van de totstandkoming van de Flexwet, waaruit volgens verweerder de bedoeling van de wetgever is af te leiden dat in geval van ontbinding op verzoek van de werkgever zoveel mogelijk aangesloten dient te worden bij de termijn(en) die feitelijk zouden hebben gegolden in geval van opzegging door de werkgever.

Tot die termijn(en) behoort de tijd die gemoeid is met een verplichte opzegging tegen het eind van de maand, aldus verweerder.

Eiseres is daarentegen van mening dat artikel 16, derde lid, WW alleen doelt op de opzegtermijn volgens het tweede lid van van artikel 7:672 BW. De tekst van het derde lid van artikel 16 WW is daarin volgens haar duidelijk. Bovendien had naar haar mening toepassing gegeven dienen te worden aan de verkorting van de opzegtermijn volgens de artikelen 16,

derde lid WW jo. 7:672, vierde lid BW.

3.5

De rechtbank overweegt het volgende.

De wet maakt een onderscheid tussen de door de werkgever bij opzegging in acht te nemen opzegtermijn (artikel 7:672, tweede lid, BW) en de verplichting dat als regel dient te worden opgezegd tegen het eind van de maand (artikel 7:672, eerste lid, BW). Dit onderscheid is bijvoorbeeld ook neergelegd in artikel 7:680, eerste lid BW, waarin de gefixeerde schadevergoeding niet wordt gelijkgesteld aan het bedrag aan loon over de niet in acht genomen opzegtermijn, maar over "de tijd dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging had behoren voort te duren". Het onderscheid komt ook voort uit een verschil in achtergrond, namelijk enerzijds de bescherming van de werknemer door hem tijd te gunnen naar ander werk uit te zien (opzegtermijn) en anderzijds het voorkomen van frictiewerkloosheid (de dag waartegen).

Gelet hierop kan naar het oordeel van de rechtbank in de tekst van artikel 16, derde lid, WW - zoals eerder aangehaald - slechts een verwijzing gelezen worden naar de in casu door de werkgever in acht te nemen opzegtermijn, dat is de termijn bedoeld in artikel 7:672, tweede lid BW.

Weliswaar zou uit de wetsgeschiedenis van de totstandkoming van de Flexwet een vermoeden kunnen worden afgeleid, dat het de bedoeling van de wetgever is geweest bij het bepalen van de fictieve opzegtermijn ex artikel 16, derde lid, WW ook het eerste lid van artikel 7:672 BW toe te passen, doch dit is niet als zodanig in de tekst van het derde lid van artikel 16 opgenomen.

Nu het gaat om toepassing van een wetsbepaling die als eerste gevolg ten nadele strekt of kan strekken van de werknemer, is er naar het oordeel van de rechtbank geen ruimte voor de uitvoeringsinstelling noch voor de rechter om op basis van het bedoelde vermoeden over te gaan tot een extensieve uitleg van het derde lid van artikel 16 WW.

Overigens deelt de rechtbank het standpunt van verweerder, dat er bij toepassing van artikel 16, derde lid, BW bij een opzegtermijn ex artikel 7:672, tweede lid BW van één maand geen ruimte is voor een verkorting van de opzegtermijn opbasis van de artikelen 7:672, vierde lid BW jo. 16, derde lid WW. Immers in datzelfde vierde lid van artikel 7:672 BW is bepaald dat de resterende termijn van opzegging ten minste één maand bedraagt.

3.6

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, moet worden geconcludeerd dat verweerders besluit in strijd is met het bepaalde in artikel 16, derde lid WW, zodat dit besluit vernietigd moet worden.

Met toepassing van artikel 8:72 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient verweerder opgedragen te worden een nieuwe beslissing te nemen op eiseresses bezwaar.

De rechtbank ziet voorts aanleiding om met toepassing van artikel 8:75 van de Awb verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres redelijkerwijs heeft moeten maken in verband de behandeling van het beroep.

4. Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met

inachtneming van hetgeen bij deze uitspraak is overwogen;

- gelast dat het Lisv als rechtspersoon aan eiseres het door haar betaalde griffierecht ad f. 60,-- vergoedt;

- gelast dat het Lisv aan eiseres de proceskosten vergoedt tot op heden begroot op f. 710,-.

Gewezen door mr A. Oosterveld, voorzitter, mr M.I. Lammertsma-van der Heij en mr M.A. Pach als leden, en in het openbaar uitgesproken op 27 april 2000 in tegenwoordigheid van Y. van der Zaan-van Arnhem als griffier.

Tegen deze uitspraak staat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep open. Dit dient te worden ingesteld binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak door een beroepsschrift en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

afschrift verzonden op