Home

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 29-12-2016, ECLI:NL:RBZWB:2016:8487, AWB - 15 _ 1641

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 29-12-2016, ECLI:NL:RBZWB:2016:8487, AWB - 15 _ 1641

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
29 december 2016
Datum publicatie
16 februari 2017
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2016:8487
Zaaknummer
AWB - 15 _ 1641
Relevante informatie
Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 [Tekst geldig vanaf 01-01-2024 tot 01-01-2025] art. 10a

Inhoudsindicatie

Artikel 10a van de Wet BPM - oogmerk

Auto is binnen 6 maanden na uitvoer uit Nederland naar Duitsland terug ingevoerd. Naheffingsaanslag BPM wordt vernietigd nu belanghebbende aannemelijk heeft gemaakt dat het oogmerk om auto na uitvoer weer in te voeren in zin van het tweede lid van artikel 10a van de Wet BPM ten tijde van uitvoer ontbrak.

Uit de tekst van het tweede lid van artikel 10a van de Wet BPM volgt dat deze bepaling enkel ziet op het oogmerk bij degene van wie de BPM wordt geheven. De andersluidende uitleg van de inspecteur inhoudende dat belanghebbende aannemelijk moet maken dat het oogmerk bij een (hem onbekende) derde ontbrak, komt de rechtbank niet redelijk voor.

Uitspraak

Belastingrecht, enkelvoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummer BRE 15/1641

uitspraak van 29 december 2016

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende] , wonende te [woonplaats] ,

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van de inspecteur van 11 februari 2015 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan hem opgelegde naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) van € 2.915 (hierna: de naheffingsaanslag) ter zake van een personenauto Ford, type C-max, met VIN eindigend op 9195 (hierna: de auto) en de gelijktijdig bij beschikking in rekening gebrachte belastingrente van € 69.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 december 2016 te Breda.

Aldaar zijn verschenen en gehoord, de gemachtigde van belanghebbende, [gemachtigde] , verbonden aan [naam kantoor] te Eindhoven en namens de inspecteur,

[verweerder] .

1 Beslissing

De rechtbank:

-

verklaart het beroep gegrond;

-

vernietigt de uitspraak op bezwaar;

-

vernietigt de naheffingsaanslag en de belastingrentebeschikking;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van

€ 992;

- gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 167 aan deze vergoedt.

2 Gronden

2.1.

De eerste tenaamstelling/registratie van de auto heeft plaatsgevonden in Nederland op 25 november 2010. De auto is op 13 mei 2013 buiten Nederland gebracht en geregistreerd in Duitsland. Naar aanleiding daarvan is op verzoek een teruggave van BPM verleend van

€ 3.461.

2.2.

Belanghebbende heeft de auto op 1 juni 2013 in Duitsland gekocht van een Duitse autohandelaar. Belanghebbende heeft de auto geregistreerd in Nederland en ter zake van deze registratie op 7 juni 2013 aangifte BPM gedaan. De aangifte vermeldt een te betalen bedrag aan BPM van € 1.075. Belanghebbende heeft bij de aangifte op basis van een in opdracht van belanghebbende door [bedrijf] opgesteld taxatierapport een afschrijvingspercentage van 87,3% toegepast. Daarbij is uitgegaan van een historische BPM van € 8.461.

2.3.

De inspecteur heeft met dagtekening 27 augustus 2014 een naheffingsaanslag BPM aan belanghebbende opgelegd. Daarbij heeft de inspecteur vanwege de her-invoer ingevolge artikel 10a van de Wet op de belasting van personen en motorrijwielen 1992 (hierna: Wet BPM) een vermindering toegepast van 52,833% die voortvloeit uit de forfaitaire afschrijvingstabel. Uitgaande daarvan is de verschuldigde BPM berekend op een bedrag van € 3.990 (52,833% van € 8.461) en is de naheffingsaanslag opgelegd naar een bedrag van € 2.915 (€ 3.990 min € 1.075). Daartegen heeft belanghebbende bezwaar gemaakt. Het bezwaar van belanghebbende is bij uitspraak op bezwaar ongegrond verklaard.

2.4.

In geschil is of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd. Meer in het bijzonder is in geschil of artikel 10a van de Wet BPM van toepassing is.

Indien deze vraag ontkennend wordt beantwoord, is niet in geschil dat de naheffingsaanslag moet worden vernietigd.

Vooraf

2.5.

Bij brief van 13 december 2016, ingekomen bij de rechtbank op 14 december 2016, heeft de gemachtigde van belanghebbende verzocht om verdaging van de mondelinge behandeling omdat de inspecteur eerst op 6 december 2016 een verweerschrift heeft ingediend (door de rechtbank ontvangen op 8 december 2016 en diezelfde dag doorgezonden naar belanghebbende). Belanghebbende heeft gesteld dat hij daardoor onvoldoende tijd heeft om zich adequaat te kunnen voorbereiden op de mondelinge behandeling van 15 december 2016. De rechtbank heeft de gemachtigde op 14 december 2016 bericht dat ter zitting nader zal worden beoordeeld of er aanleiding is de zaak alsnog aan te houden. De zaak is ter zitting behandeld waarna de gemachtigde niet om aanhouding heeft verzocht. Gelet op hetgeen ter zitting is besproken is de rechtbank van oordeel dat belanghebbende voldoende heeft kunnen reageren op het verweerschrift en is hij niet in zijn verdedigingsbelang geschaad. Dat geldt temeer gelet op hetgeen de rechtbank met betrekking tot de naheffingsaanslag in het navolgende heeft overwogen.

Artikel 10a van de Wet BPM

2.6.

Ingevolge artikel 10a, eerste lid, van de Wet BPM, wordt, voor zover hier van belang, een vermindering zoals bedoeld in artikel 10 van de Wet BPM (hierna: de afschrijving) vastgesteld aan de hand van de forfaitaire afschrijvingstabel, indien met betrekking tot een gebruikte personenauto voorafgaand aan de heffing voor dat motorrijtuig een verzoek om teruggaaf van de BPM kon worden gedaan op de voet van artikel 14a van de Wet BPM in verband met het buiten Nederland brengen van de auto (hierna: de uitvoer) en de toenmalige uitvoer is gedaan met het oogmerk dat het motorrijtuig opnieuw te naam zou worden gesteld in het register in Nederland (hierna: het oogmerk). Ingevolge het tweede lid van artikel 10a van de Wet BPM wordt het oogmerk geacht aanwezig te zijn geweest indien de BPM wordt verschuldigd binnen zes maanden na de uitvoer tenzij degene van wie de BPM wordt geheven aannemelijk maakt dat dit oogmerk op dat tijdstip ontbrak.

2.7.1.

Vast staat dat de invoer van de auto in Nederland (het tijdstip waarop de BPM wordt verschuldigd) binnen zes maanden na de uitvoer heeft plaatsgevonden en met betrekking tot de uitvoer om teruggaaf van BPM is verzocht. Dit betekent dat artikel 10a, tweede lid, van de Wet BPM van toepassing is waardoor het oogmerk geacht wordt aanwezig te zijn. Naheffing van BPM blijft in dit geval alleen achterwege indien belanghebbende feiten of omstandigheden aannemelijk maakt die de conclusie rechtvaardigen dat het voormelde oogmerk ontbrak.

2.7.2.

De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende in zijn bewijslast is geslaagd en overweegt daartoe als volgt. Gelet op hetgeen in het beroepschrift is gesteld alsmede de verklaring van belanghebbendes gemachtigde ter zitting acht de rechtbank geloofwaardig dat belanghebbende niet gelieerd is aan degene die de auto buiten Nederland heeft gebracht (en/of aan de indiener van het daarmee samenhangende verzoek om teruggaaf) en belanghebbende ook anderszins niet betrokken is geweest bij die uitvoer en/of het teruggaafverzoek. Dit geldt temeer nu de rechtbank aannemelijk acht dat belanghebbende eerst door ontvangst van de naheffingsaanslag op de hoogte is geraakt van het feit dat de auto eerder in Nederland geregistreerd is geweest. Daarbij heeft de rechtbank rekening gehouden met het feit dat de inspecteur ter zitting heeft bevestigd dat de eerdere registratie in Nederland niet kon worden afgeleid uit de bij de auto behorende documentatie zoals deze bij belanghebbende ten tijde van de aankoop en aangifte bekend waren. De rechtbank gaat voorbij aan de stelling van de inspecteur dat belanghebbende zijn onderzoeksplicht naar de herkomst van de auto heeft verzaakt. Naar het oordeel van de rechtbank gaat deze onderzoeksplicht niet zo ver dat belanghebbende is gehouden om het internet te raadplegen ten einde informatie te vinden over het land van de eerste toelating, temeer nu belanghebbende geen reden had te twijfelen dat dat Duitsland was.

2.7.3.

In reactie op de stelling van de inspecteur dat toepassing van het tweede lid van artikel 10a van de Wet BPM betekent dat het oogmerk ook geacht wordt aanwezig te zijn bij degene die de auto destijds buiten Nederland heeft gebracht (en/of aan de indiener van het daarmee samenhangende teruggaafverzoek) en belanghebbende eveneens het tegendeel daarvan aannemelijk moet maken, overweegt de rechtbank als volgt. In de laatste zinsnede van het tweede lid van artikel 10a van de Wet BPM is bepaald: "(...) tenzij degene van wie de belasting wordt geheven aannemelijk maakt dat dit oogmerk op dat tijdstip ontbrak".

Uit deze tekst herleidt de rechtbank dat deze bepaling enkel ziet op de aanwezigheid van het oogmerk bij degene van wie de BPM wordt geheven, in dit geval dus belanghebbende. Het oogmerk strekt zich derhalve niet mede uit tot degene die de auto destijds buiten Nederland heeft gebracht (en/of een teruggaafverzoek heeft gedaan). Dit geldt temeer nu de uitleg zoals de inspecteur deze voorstelt zou betekenen dat belanghebbende aannemelijk moet maken dat het oogmerk bij een (hem onbekende) derde ontbrak. Een dergelijke bewijslast komt de rechtbank niet redelijk voor.

2.8.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is aannemelijk geworden dat het oogmerk, bedoeld in artikel 10, eerste lid, Wet BPM ontbrak zodat de naheffingsaanslag moet worden vernietigd.

2.9.

Nu de naheffingsaanslag moet worden vernietigd, dient de belastingrente-beschikking eveneens te worden vernietigd.

2.10.

Gelet op het vorenstaande is het beroep gegrond verklaard.

Proceskostenvergoeding

2.11.

Nu het beroep gegrond is verklaard, vindt de rechtbank aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 992 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 496 en een wegingsfactor 1). Overige kosten die op grond van het Besluit voor vergoeding in aanmerking komen, zijn niet gesteld. Voor vergoeding van kosten van de bezwaarfase acht de rechtbank geen termen aanwezig, nu gesteld noch gebleken is dat belanghebbende om vergoeding van deze kosten heeft verzocht voordat uitspraak op bezwaar is gedaan, zoals op grond van artikel 7:15, derde lid, van de Awb is vereist.

Deze uitspraak is gedaan op 29 december 2016 door mr. W.A.P. van Roij, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M.C.W. Hermus, griffier.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.