Home

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 21-11-2014, ECLI:NL:RBZWB:2014:8359, AWB - 14 _ 3571

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 21-11-2014, ECLI:NL:RBZWB:2014:8359, AWB - 14 _ 3571

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
21 november 2014
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2014:8359
Zaaknummer
AWB - 14 _ 3571
Relevante informatie
Wet op de motorrijtuigenbelasting 1966 72

Inhoudsindicatie

Bijstelling leeftijdsgrens oldtimerregeling (Artikel 72 Wet op de motorrijtuigenbelasting)

Op 1 januari 2014 is de leeftijdsgrens van de ‘oldtimerregeling’ verhoogd van 30 naar 40 jaar. De rechtbank is van oordeel dat de aanscherping van de leeftijdsgrens geen individuele en buitensporige last oplevert. Dit omdat het financiële gevolg van de wetswijziging een te betalen bedrag van € 120 is. Daarom is er geen schending van het Eerste Protocol van het EVRM.

Uitspraak

Belastingrecht, meervoudige kamer

Locatie: Breda

Procedurenummer AWB 14/3571

uitspraak van 21 november 2014

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] , wonende te [woonplaats],

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft met dagtekening 29 maart 2014 de rekening motorrijtuigenbelasting (MRB) voor het jaar 2014 van € 120 (nummer: [aanslagnummer].M.4.70001, hierna: de rekening MRB) naar belanghebbende gestuurd.

1.2.

Belanghebbende heeft het bedrag van € 120 op 14 april 2014 voldaan. Daartegen heeft belanghebbende bij brief van 14 april 2014, ontvangen door de inspecteur op 16 april 2014 bezwaar gemaakt.

1.3.

De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 4 juni 2014 het bezwaar afgewezen.

1.4.

Belanghebbende heeft daartegen per fax van 7 juni 2014, op dezelfde dag ontvangen bij de rechtbank, beroep ingesteld. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 45.

1.5.

De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft daarop bij fax van 11 september 2014 gereageerd waarna de inspecteur bij brief van 25 september 2014 schriftelijk heeft gereageerd.

1.6.

Met toestemming van partijen heeft de rechtbank bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft. Bij brief van 21 oktober 2014 heeft de rechtbank partijen medegedeeld dat de rechtbank het onderzoek heeft gesloten en dat schriftelijk uitspraak wordt gedaan binnen zes weken na dagtekening van de brief.

2 Feiten

2.1.

Belanghebbende is volgens het kentekenregister houder van de personenauto met het kenteken [kenteken] (hierna: het motorrijtuig). De datum van eerste toelating is 27 oktober 1978. Het motorrijtuig rijdt op benzine.

2.2.

Met dagtekening 29 oktober 2009 is aan belanghebbende ter zake van het motorrijtuig een ‘Vrijstellingsbeschikking motorrijtuigenbelasting vrijstelling 25 jaar en ouder’ (hierna: de vrijstellingsbeschikking) afgegeven.

2.3.

De inspecteur heeft in een brief van “December 2013” aan belanghebbende medegedeeld dat, onder voorbehoud van goedkeuring door de Eerste Kamer van de Staten-Generaal, belanghebbende per 1 januari 2014 voor het motorrijtuig weer motorrijtuigenbelasting is verschuldigd.

2.4.

Op 1 januari 2014 is de leeftijdsgrens in artikel 72, eerste lid, onderdeel b van de Wet MRB verhoogd van 30 naar 40 jaar. Als gevolg daarvan geldt, onder voorwaarden, een vrijstelling voor motorrijtuigen die ten minste 40 jaar eerder in gebruik zijn genomen. In de artikelen 84a en 84b van de Wet MRB is voorzien in overgangsrecht dat onder meer openstaat voor personenauto’s rijdend op benzine die vóór 1 januari 1988 voor het eerst in gebruik zijn genomen. Het eerste lid van eerdergenoemd artikel 84a bepaalt dat het tijdvak voor de overgangsregeling, in afwijking van artikel 10 van de Wet MRB, geen drie maanden is maar een kalenderjaar. Het tweede lid van dat artikel 84a regelt dat op verzoek van de belastingplichtige de belasting wordt berekend op basis van het driemaandstarief, toegepast over het kalenderjaar (kwarttarief). Het derde lid, onderdeel c, regelt de beperking dat met het motorrijtuig waarvoor het overgangsrecht van toepassing is geen gebruik van de weg mag worden gemaakt in de maanden januari, februari en december. Ingevolge het vijfde lid van artikel 84a van de Wet MRB bestaat het verzoek om toepassing van de overgangsregeling uit het betalen van de belasting onder vermelding van het betalingskenmerk zoals aangegeven door de inspecteur.

2.5.

Belanghebbende heeft de uit hoofde van de overgangsregeling verschuldigde MRB van € 120 (kwarttarief) op 14 april 2014 voldaan. Daartegen heeft hij bij brief van 14 april 2014 bezwaar gemaakt. In die brief heeft belanghebbende zijn gronden van bezwaar aangevoerd. Tevens heeft belanghebbende aan de inspecteur verzocht om in te stemmen met rechtstreeks beroep bij de bestuursrechter (artikel 7:1a van de Awb).

2.6.

De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 4 juni 2014 het verzoek van belanghebbende om rechtstreeks beroep niet gehonoreerd en het bezwaar van belanghebbende afgewezen. Daartegen is belanghebbende bij fax van 7 juni 2014 in beroep gekomen.

3 Geschil

3.1.

In geschil is het antwoord op de volgende vragen:

  1. Heeft de inspecteur het hoorrecht van belanghebbende geschonden?

  2. Heeft belanghebbende ondanks de wetswijziging op 1 januari 2014 nog recht op een vrijstelling voor de motorrijtuigenbelasting?

  3. Indien vraag b ontkennend moet worden beantwoord: is artikel 72, eerste lid, aanhef en onderdeel b van de Wet MRB (tekst 2014) in strijd met enig beginsel van behoorlijke wetgeving?

  4. Is de aanscherping van artikel 72, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Wet MRB in strijd met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM?

3.2.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Belanghebbende heeft – kort zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd:

-

de inspecteur heeft mijn verzoek om instemming met rechtstreeks beroep onterecht afgewezen;

-

de inspecteur had niet van het horen mogen afzien;

-

een beschikking vervalt niet van rechtswege als gevolg van een wetswijziging;

-

ik doe een beroep op de beginselen van behoorlijke wetgeving;

-

de beëindiging van de vrijstelling is in strijd met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM. Immers belastingplichtigen mogen “een redelijke mate van zekerheid van de overheid […] verwachten waar het zijn eigendommen betreft”;

-

artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM kan slechts terzijde worden geschoven indien dat op een adequaat gemotiveerde wijze gebeurt;

-

hier is sprake van onrechtmatig handelen van de Belastingdienst en derhalve bestaat recht op toekenning van een schadevergoeding.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vernietiging van de in rekening gebrachte MRB tot nihil. De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4 Beoordeling van het geschil

5 Proceskosten

6 Beslissing