Home

Rechtbank Zwolle-Lelystad, 20-10-2010, BO9271, 169189 - HA ZA 10-392

Rechtbank Zwolle-Lelystad, 20-10-2010, BO9271, 169189 - HA ZA 10-392

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
20 oktober 2010
ECLI
ECLI:NL:RBZLY:2010:BO9271
Zaaknummer
169189 - HA ZA 10-392

Inhoudsindicatie

IPR-zaak. Aanvullende verdeling van huwelijksgoederengemeenschap.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 169189 / HA ZA 10-392

Vonnis van 20 oktober 2010

in de zaak van

[A],

wonende te [woonplaats],

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. N. van der Vegt te Bussum,

tegen

[B],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. A.R. van Maas de Bie te Eindhoven.

Partijen zullen hierna [A] en [B] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 18 augustus 2010

- de conclusie van antwoord in reconventie

- het proces-verbaal van comparitie van 6 oktober 2010.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten en het geschil

in conventie en in reconventie

2.1. Partijen zijn op [datum] in Californië met elkaar gehuwd. [A] woonde voorafgaand aan het huwelijk in de VS. Zij heeft de Amerikaanse en de Italiaanse nationaliteit en is in de VS eerder gehuwd geweest.

[B] woonde voorafgaand aan het huwelijk in Nederland. Hij is geboren en getogen in Zuid-Afrika, in welk land hij huwde op Zuid-Afrikaanse huwelijkse voorwaarden. Hij heeft thans ook de Nederlandse nationaliteit.

2.2. Partijen zijn na de huwelijkssluiting naar Nederland verhuisd. Zij zijn eind 2002 gescheiden gaan leven in de woning (die [B] bij het aangaan van het huwelijk reeds in eigendom bezat) totdat [A] in de loop van 2003 eigen woonruimte vond.

De echtscheiding in Nederland heeft plaatsgevonden eerst op [datum] met het oog op (het kunnen verlengen van) de verblijfstatus van [A] in Nederland.

2.3. Op de woning voornoemd waren voorafgaand aan het huwelijk van partijen twee hypotheken gevestigd ad in totaal EUR 167.604,=. Na de echtscheiding heeft [B] een derde hypothecaire geldlening op de woning gevestigd ad EUR 67.057,= met het oog op financiering van nieuwe woonruimte.

2.4. In 2007 heeft [B] de woning verkocht. In het kader van de door [B] beoogde levering deelde de notaris partijen, voor beiden geheel onverwacht, mee dat ook [A] noodzakelijkerwijs diende mee te werken de levering van de woning.

Omdat het doorgaan van de levering voor [B] essentieel was vanwege de financiële consequenties voor hem in het kader van het met de koper van de woning overeengekomen boetebeding, bereikten partijen daarop in onderlinge correspondentie schriftelijk overeenstemming in die zin dat [B] aan [A] een voorschot zou betalen van

EUR 20.000,= in afwachting van een definitieve, later door advocaten nader vast te stellen verrekening.

2.5. Na aldus verkregen medewerking van [A] is de woning in september 2007 aan een derde geleverd voor EUR 243.000,=. Als netto verkoopopbrengst ontving [B] EUR 2.635,=.

2.6. [B] heeft vervolgens een bedrag van EUR 8.635,= aan [A] betaald (via een door hem verkregen lening van EUR 6.000,= en genoemde overwaarde ad

EUR 2.635,=).

2.7. [A] vordert een verklaring voor recht dat Nederlands huwelijksvermogensrecht van toepassing is en vordert uit hoofde van verdeling een (aanvullende) vergoeding ad

EUR 26.211,= met wettelijke rente wegens onderbedeling.

2.8. Op de stellingen van partijen, hun vorderingen en verweren wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

3. De beoordeling

in conventie en in reconventie

3.1. Tussen partijen is niet in geschil dat op grond van het Haags Huwelijksvermogensverdrag geconcludeerd moet worden dat volgens de hoofdregels van het dit Verdrag Nederlands huwelijksgoederenrecht van toepassing is (geweest) op hun door echtscheiding in 2005 ontbonden huwelijk.

3.2. Voor een (nieuwe dan wel aanvullende) verdeling naar Nederlands huwelijksgoederenrecht, zoals [A] vordert, bestaat evenwel geen aanleiding.

In het licht van de omstandigheden van het geval zou een (nieuwe/aanvullende) verdeling met inbegrip van een verdeling van de woning van [B], naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn. De rechtbank sluit zich aan bij de uitspraak van de Hoge Raad, LJN: AY4029. De rechtbank acht daarvoor onderstaande feiten doorslaggevend.

3.3. Partijen zijn in Californië gehuwd, beiden in de veronderstelling dat Californisch huwelijksgoederenrecht op hun huwelijk van toepassing zou zijn en partijen hebben zich in Nederland naar dat uitgangspunt gedragen. Partijen hebben bovendien in dat voetspoor naar Californisch huwelijksvermogensrecht de afwikkeling van de boedel met wederzijdse instemming, gerealiseerd. De verdeling heeft plaatsgevonden zonder dat een rechtsvordering tot vernietiging van de verdeling binnen drie jaar aanhangig is gemaakt op grond van artikel 3:200 BW. Kortom, de verdeling is daarmee in beginsel rechtens onaantastbaar.

3.4. Wat daar ook van zij, ook vanwege de navolgende bijzondere omstandigheden moet worden geoordeeld dat een (nieuwe/aanvullende) verdeling volgens de hoofdregel van artikel 1:94 BW strijd oplevert met de in 3.2 aangegeven toetsingsmaatstaf.

3.5. [A] woonde in de VS toen zij met [B] in 2000 huwde. Zij was eerder gehuwd in de VS.

[B] is geboren en getogen in Zuid Afrika. Ook hij is eerder gehuwd geweest, namelijk in Zuid Afrika volgens Zuid-Afrikaans recht en om in Zuid-Afrika een gemeenschap van goederen te vermijden onder huwelijkse voorwaarden naar Zuid-Afrikaans recht.

3.6. Partijen hebben uitdrukkelijk niet de bedoeling gehad voorhuwelijks vermogen in enige gemeenschap te brengen, lees: de woning van [B] gemeenschappelijk vermogensbestanddeel van de boedel te maken. Dit resultaat bewerkstelligden zij van rechtswege in Californië zonder het aangaan van huwelijkse voorwaarden in Californië.

Sterker nog, het was naar [B] beargumenteerd heeft gesteld juist de uitdrukkelijke bedoeling van partijen bij het huwelijk in Californië voorhuwelijks vermogen van ieder van partijen buiten verdeling/verrekening te houden.

3.7. De bedoeling van partijen blijkt enerzijds uit het feit dat [A] als Amerikaans staatsburger voor het huwelijk geen enkele rechtsband had met Nederland en zich dus uitsluitend naar Californisch recht een voorstelling kon maken van de gevolgen van een eventuele nieuwe echtscheiding - [A] heeft ook niets gesteld of bijgebracht als gemotiveerd verweer tegenover de gemotiveerde stellingen van [B] waaruit blijkt dat het volgens haar uitdrukkelijk wel de bedoeling is geweest naar Nederlands huwelijksgoederenrecht te trouwen -.

3.8. Anderzijds blijkt die bedoeling daaruit dat [B] op zijn beurt voorafgaand aan het huwelijk van partijen eerder gehuwd is geweest in Zuid-Afrika (waar net als in Nederland na de huwelijkssluiting een gemeenschap van goederen ontstaat) en om een dergelijke huwelijksgoederengemeenschap te vermijden, als Zuid-Afrikaan aldaar gehuwd was volgens huwelijkse voorwaarden naar Zuid-Afrikaans recht, welk resultaat in Californië - naar tussen partijen niet in geschil - reeds zonder het aangaan van huwelijkse voorwaarden wordt bereikt.

3.9. Kortom, juist in het licht van de omstandigheid dat [B] reeds in zijn eerste huwelijk gemeenschap van goederen wilde vermijden en daar afdoende maatregelen voor had getroffen, mag hem niet worden tegengeworpen dat hij in de veronderstelling verkerend dat hij – net als [A] die dat ook dacht – naar Californisch huwelijksvermogensrecht dacht te trouwen, dergelijke maatregelen bij de huwelijksluiting in Californië heeft nagelaten, omdat het Californisch huwelijksvermogensrecht die maatregelen ter voorkoming van een huwelijksgoederengemeenschap niet vergt en van rechtswege voorhuwelijks vermogen niet gemeenschappelijk en verrekenplichtig doet zijn.

3.10. Dat [B] de partijbedoeling en het door partijen gezamenlijk in Californië ter plaatse verrichte vooronderzoek, thans als gevolg van lang tijdverloop sedert 2000 niet meer met emailverkeer en/of met andere bescheiden kan aantonen, kan hem niet worden tegengeworpen.

3.11. Partijen zijn in het kader van de plaatsgevonden verdeling uit elkaar gegaan, ieder met ongeveer evenveel schulden, aldus [A]. [A] heeft [B] sedertdien nimmer aangesproken op het door [B] aan haar bij helfte moeten vergoeden van haar beweerdelijke (dan weer wel en dan weer niet kwijtgescholden) Amerikaanse studieschulden, zoals [B] op zijn beurt van [A] onbetwist nimmer enige vergoeding heeft gevorderd inzake de afbetaling van schulden die partijen ten tijde van het huwelijk waren aangegaan.

[A] heeft na het feitelijk uiteengaan van partijen noch na de echtscheiding van partijen in 2005 ooit een andere verdeling gevorderd dan die welke tussen partijen was tot stand gekomen, en daarmee destijds ook geen verdeling van de woning gevorderd.

[A] was met de uitkomst van de verdeling tevreden. Er was afgewikkeld volgens Californisch recht en [A] heeft haar tevredenheid met die afwikkeling uitgesproken tegenover mevrouw Knijn, van wie [B] bij conclusie van antwoord een schriftelijke verklaring heeft overgelegd, waarvan [A] de juistheid niet heeft betwist.

3.12. Een notariële wijziging van de tenaamstelling van de woning van [B] leek na de echtscheiding van partijen niet vereist, hoewel levering rechtens had moeten plaatsvinden (zie artikel 3:89 lid 4 BW en p. 491 e.v. van De huwelijksgemeenschap bij echtscheiding van B. Breederveld). Daaraan doet niet af dat de woning reeds op naam van [B] stond. Kortom, als gevolg van deze tenaamstelling, die op zichzelf geen wijziging behoefde, zijn partijen ten onrechte niet gealarmeerd dat na de door hen gerealiseerde verdeling, naar Nederlands recht, levering via de notaris nog diende plaats te vinden.

Eerst in 2007 zijn [A] en [B], beiden geheel onverwacht door de notaris geattendeerd op verdeling van de woning in het kader van de levering na verkoop van de woning door [B]. De verbazing van [A] blijkt zonneklaar uit haar bewoordingen in een tweetal mails aan de notaris. Anders gezegd, zij rekende er niet op, omdat dit voor haar geheel onverwacht was in het licht van wat partijen waren overeengekomen.

3.13. Dat betekent dat er geen enkele grond is voor de stelling van [A] dat [B], die ook niet anders wist dan dat Californisch recht van toepassing was, [A] (anders) had kunnen/moeten voorlichten en haar omtrent de verdeling van de woning heeft voorgelogen. [B] heeft dit laatste bovendien gemotiveerd ter zitting betwist.

3.14. Indien partijen bij de echtscheiding op de mogelijke toepasselijkheid van Nederlands huwelijksgoederenrecht waren gewezen door de advocaat van [A], die als enige (!) van partijen juridisch werd bijgestaan, had [B] hierop wellicht kunnen inspelen. [A] heeft echter om voor haar rekening en risico komende omstandigheden nagelaten bij haar echtscheidingsadvocaat te informeren naar de afwikkeling van de boedel naar Nederlands recht, indien zij al geïnteresseerd was in een afwikkeling volgens Nederlands huwelijksgoederenrecht. Van dit laatste blijkt niets.

[B] daarentegen had ten tijde van de echtscheiding niet de bijstand van een advocaat. Dit blijkt onder meer uit de echtscheidingsbeschikking. Het ontbreken van juridisch correcte kennis kan hem daarom nog minder worden tegengeworpen.

3.15. Dat [B] onder druk van [A] en onder druk van een eventueel intreden van het zogenoemde boetebeding bij niet-levering van de woning een overeenkomst met [A] heeft gesloten, kan hem niet worden tegengeworpen in het licht van de kosten en de consequenties van het intreden van het boetebeding wanneer de levering zou afketsen.

3.16. Bij bovengenoemde omstandigheden laat de rechtbank nog buiten beschouwing de vraag of en in hoeverre [A] bijdroeg aan de kosten van de huishouding, de vraag of en in hoeverre in het licht van de feitelijke duur van samenleven van circa twee jaar in het huwelijk sprake is geweest van lotsverbondenheid tussen partijen en de vraag of [B] überhaupt in staat is de door [A] gevorderde aanvullende vergoeding te financieren.

3.17. De reconventionele vordering van [B] tot terugbetaling aan hem van zijn betaling aan [A] wordt afgewezen, nu [B] zij het onder druk van het intreden van het boetebeding doch overigens vrijwillig heeft betaald om de levering van de woning in 2007 te realiseren en gesteld noch gebleken is dat hij zonder de vordering van [A] deze reconventionele vordering aanhangig zou hebben gemaakt.

3.18. Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

4. De beslissing

De rechtbank

in conventie en in reconventie

4.1. wijst de vorderingen van partijen over en weer af,

4.2. compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

4.3. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.M. Rijksen en in het openbaar uitgesproken op 20 oktober 2010.