Home

Rechtbank Oost-Brabant, 01-12-2020, ECLI:NL:RBOBR:2020:5945, 01-132344-20

Rechtbank Oost-Brabant, 01-12-2020, ECLI:NL:RBOBR:2020:5945, 01-132344-20

Gegevens

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
1 december 2020
ECLI
ECLI:NL:RBOBR:2020:5945
Zaaknummer
01-132344-20

Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het tweemaal mishandelen van zijn ex-partner, bedreiging van haar met zware mishandeling en opzetheling. Het beroep op niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie wegens schending van het vertrouwensbeginsel wordt verworpen.

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van acht maanden. Daarnaast legt de rechtbank verdachte een contactverbod met het slachtoffer en een gebiedsverbod voor de woning van de moeder van het slachtoffer op, beiden voor de duur van vijf jaren, te vervangen door twee weken hechtenis voor elke keer dat verdachte een van die verboden schendt.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Locatie 's-Hertogenbosch

Strafrecht

Parketnummer: 01.132344.20

Datum uitspraak: 01 december 2020

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren [geboortejaar 1] 1966,

wonende te [adres 1] ,

thans gedetineerd te: P.I. Sittard.

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 1 september 2020 en 17 november 2020.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 29 juli 2020.

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 1 september 2020 is gewijzigd, is aan verdachte ten laste gelegd dat:

T.a.v. feit 1:

hij op of omstreeks 16 juli 2019 te Eindhoven [slachtoffer 1] heeft mishandeld door die [slachtoffer 1] meermalen met kracht tegen het lichaam te schoppen;

T.a.v. feit 2 primair:

hij op of omstreeks 1 februari 2020 te Eindhoven ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen

meermalen met kracht met een laminaatplank, althans een hard voorwerp, op die [slachtoffer 1] in heeft geslagen en/of die [slachtoffer 1] met die laminaatplank, althans dat harde voorwerp met kracht op/tegen het hoofd en/of tegen haar been en/of op/tegen haar voet heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

T.a.v. feit 2 subsidiair:

hij op of omstreeks 1 februari 2020 te Eindhoven [slachtoffer 1] heeft mishandeld door die [slachtoffer 1] meermalen met kracht met een laminaatplank, althans een hard voorwerp, op/tegen het hoofd en/of tegen haar been en/of op/tegen haar voet te slaan;

T.a.v. feit 3 primair:

hij op of omstreeks 3 november 2019 te Eindhoven ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] opzettelijk van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, terwijl die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] zich in een (door [slachtoffer 2] bestuurde) binnen de bebouwde kom rijdende personenauto bevonden, met een auto met hoge snelheid achter die door die [slachtoffer 2] bestuurde auto aan is gaan rijden en/of links naast die door [slachtoffer 2] bestuurde auto is gaan rijden en/of meermalen, althans eenmaal, stuurbewegingen naar rechts heeft gemaakt en/of meermalen, althans eenmaal, tegen die door [slachtoffer 2] bestuurde auto aan is gebotst/gereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

T.a.v. feit 3 subsidiair:

hij op of omstreeks 3 november 2019 te Eindhoven [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door terwijl die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] zich in een (door [slachtoffer 2] bestuurde) rijdende personenauto bevonden, met een auto met hoge snelheid achter die door die [slachtoffer 2] bestuurde auto aan te rijden en/of links naast die door [slachtoffer 2] bestuurde auto te gaan rijden en/of meermalen, althans eenmaal, stuurbewegingen naar rechts te maken en/of meermalen, althans eenmaal, tegen die door [slachtoffer 2] bestuurde auto aan te botsen/rijden;

T.a.v. feit 4:

hij op of omstreeks 18 mei 2020 te Eindhoven, een goed te weten een elektrische fiets heeft verworven, voorhanden gehad, en/of overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie ten aanzien van feit 3.

Standpunt van de verdediging.

Op de in de pleitnota van de raadsvrouw genoemde gronden heeft de verdediging betoogd dat de officier van justitie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging ten aanzien van feit 3. De verdediging voert, kort gezegd, aan dat in het proces-verbaal van bevindingen strafbare feiten1 door de verbalisant is opgenomen dat voor de aangifte ten aanzien van feit 3 onvoldoende bewijs aanwezig is. Hiermee is volgens de verdediging het gerechtvaardigd vertrouwen gewekt dat de verdachte hiervoor niet zou worden vervolgd. Daarnaast is het, gelet op het tijdsverloop, voor de verdediging niet mogelijk zijn ontkenning ten aanzien van dit feit te onderbouwen nu er geen cameragegevens meer van de route en locatiegegevens van de telefoon van verdachte beschikbaar zijn. Ook zijn de aangiftes niet audiovisueel geregistreerd waardoor de betrouwbaarheid van deze aangifte niet kan worden gecontroleerd. Deze twee vormverzuimen zorgen voor schending van de beginselen van behoorlijke procesorde, te weten het vertrouwensbeginsel en zorgvuldigheidsbeginsel, aldus de verdediging.

Standpunt van het Openbaar Ministerie.

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat door of namens het Openbaar Ministerie (hierna: OM) nooit de toezegging is gedaan dat de verdachte voor dit feit niet strafrechtelijk zou worden vervolgd. Het betreft hier een ambtsedig opgemaakt proces-verbaal dat door de officier van justitie niet kan worden gewijzigd. Desalniettemin heeft de officier van justitie nooit het gerechtvaardigd vertrouwen gewekt dat vervolging ten aanzien van dit feit uit zou blijven. De officier van justitie erkent dat er op dit punt geen sprake is van een ideaal voortvarend opsporingsonderzoek, maar dit moet niet leiden tot niet-ontvankelijkheid van het OM. Er is geen ernstige inbreuk gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan.

Evenmin was het noodzakelijk dat de aangifte van het slachtoffer audiovisueel geregistreerd werd, gelet op de bepalingen in de ‘Aanwijzing auditief en audiovisueel registreren van verhoren van aangevers, getuigen en verdachten’2, nu dit geen geplande aangifte betreft. Concluderend is de officier van justitie van mening dat zij in de vervolging – ten aanzien van alle feiten op de dagvaarding – kan worden ontvangen.

Het oordeel van de rechtbank.

Ter terechtzitting is namens de verdachte bepleit het OM niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging, omdat het handelen van het OM in strijd is met beginselen van een goede procesorde, één en ander zoals uiteengezet in de pleitaantekeningen.

De in de tenlastelegging neergelegde verdenking betreft – in de kern – primair poging doodslag/zware mishandeling, subsidiair bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht dan wel bedreiging met zware mishandeling.

De rechtbank stelt voorop dat in artikel 167, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering aan het OM de bevoegdheid is toegekend zelfstandig te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging moet plaatsvinden. De beslissing van het OM om tot vervolging over te gaan, leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het OM in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde.

Zo'n uitzonderlijk geval doet zich voor wanneer de vervolging wordt ingesteld of voortgezet nadat door het Openbaar Ministerie gedane, of aan het Openbaar Ministerie toe te rekenen, uitlatingen (of daarmee gelijk te stellen gedragingen) bij de verdachte het gerechtvaardigde vertrouwen hebben gewekt dat hij niet (verder) zal worden vervolgd. Aan uitlatingen of gedragingen van functionarissen aan wie geen bevoegdheden in verband met de vervolgingsbeslissing zijn toegekend, kan gerechtvaardigd vertrouwen dat (verdere) vervolging achterwege zal blijven, evenwel in de regel niet worden ontleend.

Een uitzonderlijk geval als zojuist bedoeld, doet zich ook voor wanneer de vervolging wordt ingesteld of voortgezet terwijl geen redelijk handelend lid van het Openbaar Ministerie heeft kunnen oordelen dat met (voortzetting van) de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn. In het geval van een zodanige, aperte onevenredigheid van de vervolgingsbeslissing is de (verdere) vervolging onverenigbaar met het verbod van willekeur (dat in de strafrechtspraak in dit verband ook wel wordt omschreven als het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging).3

Nu de uitlating, dat sprake is van onvoldoende bewijs voor dit concrete feit, is opgenomen in een proces-verbaal door een verbalisant kan niet worden gesproken van een uitlating of gedraging van de zijde van (functionarissen van) het OM. De rechtbank oordeelt dat geen toezegging aan verdachte is gedaan van een niet-vervolging ten aanzien van dit feit en er dus geen sprake is van een door of namens het OM opgewekt gerechtvaardigd vertrouwen.

De verdediging heeft verder gewezen op het tijdsverloop waardoor het niet mogelijk is gebleken camerabeelden aan het dossier toe te voegen, welke beelden volgens de verdediging ontlastend zouden zijn geweest, en het gestelde verzuim de aangiftes audio(visueel) te registreren. De rechtbank begrijpt het verweer aldus, dat deze omstandigheden in onderling verband en in verband met de gestelde toezegging dat niet vervolgd zou worden voor dit feit, als schending van beginselen van een behoorlijke procesorde moeten worden beoordeeld

De rechtbank neemt bij die beoordeling als uitgangspunt dat een schending van beginselen van een goede procesorde alleen in uitzonderlijke gevallen tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie kan leiden. Alleen als met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op die beginselen en daardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan zijn recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan, komt de sanctie van niet-ontvankelijkverklaring in aanmerking. Hiervan is in het onderhavige geval geen sprake. De door de verdediging gestelde omstandigheden, noch als zodanig noch in onderlinge samenhang beschouwd, zijn niet van dien aard dat het recht op een eerlijke behandeling onherstelbaar is geschaad.

De rechtbank verwerpt het verweer. Ook overigens zijn er geen omstandigheden die in de weg staan aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie, zodat zij ten aanzien van alle ten laste gelegde feiten in de vervolging kan worden ontvangen.

Bewijs

Inleiding.

Op 21 november 2019 wordt door [slachtoffer 1] , de ex-partner van verdachte, aangifte gedaan van eenvoudige mishandeling, welke zou zijn gepleegd door verdachte in het Crematorium “ [bedrijf] ” te Eindhoven. [slachtoffer 1] heeft verklaard dat verdachte haar heeft geduwd en meermalen in haar rug heeft geschopt. Dit feit is onder 1 ten laste gelegd als mishandeling.

Op 3 november 2019 is door [slachtoffer 1] aangifte gedaan voor poging doodslag/moord. Verdachte zou [slachtoffer 1] in de auto hebben achtervolgd terwijl zij als bijrijder in de auto zat bij haar nicht, [slachtoffer 2] . Verdachte zou daarbij met hoge snelheid achter de auto van [slachtoffer 2] zijn aangereden en door middel van het maken van stuurbewegingen tegen de auto zijn gebotst. Ook [slachtoffer 2] heeft hiervan aangifte tegen verdachte gedaan. Onder feit 3 wordt verdachte dan ook primair poging doodslag dan wel poging zware mishandeling verweten. Onder feit 3 subsidiair is verdachte bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of zware mishandeling ten laste gelegd.

Vervolgens heeft [slachtoffer 1] op 5 maart 2020 opnieuw aangifte gedaan van mishandeling door verdachte. Zij verklaart met een laminaatplank door hem te zijn geslagen. Als feit 2 is aan verdachte primair poging zware mishandeling en subsidiair mishandeling ten laste gelegd.

Ten slotte wordt verdachte schuldheling dan wel opzetheling van een elektrische fiets verweten (feit 4).

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht hetgeen dat onder feit 1, feit 2 primair, feit 3 subsidiair en feit 4 ten laste gelegd wettig en overtuigend bewezen. Volgens de officier van justitie kan hetgeen onder feit 3 primair ten laste is gelegd, niet wettig en overtuigend worden bewezen.

Het standpunt van de verdediging.

Ten aanzien van feit 1 stelt de verdediging zich op het standpunt dat de aangifte van [slachtoffer 1] onbetrouwbaar is en op essentiële punten niet wordt ondersteund door getuigenverklaringen van de medewerkers van het crematorium. Ook ten aanzien van feit 2 heeft [slachtoffer 1] een onbetrouwbare aangifte gedaan. Daarnaast had verdachte geen voorwaardelijk opzet gehad tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer 1] .

Met betrekking tot feit 3 stelt de verdediging zich, mocht het ontvankelijkheidsverweer worden gepasseerd, op het standpunt dat verdachte dient te worden vrijgesproken nu geen wettig en overtuigend bewijs aanwezig is en de aangifte wederom onbetrouwbaar is. Meer subsidiair stelt de verdediging zich op het standpunt dat er geen sprake is van voorwaardelijk opzet op het overlijden of zwaar lichamelijk letsel van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] .

Ten slotte is de verdediging van mening dat het onder feit 4 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend kan worden bewezen nu verdachte niet wist of redelijkerwijs kon vermoeden dat de elektrische fiets uit diefstal afkomstig was, omdat verdachte heeft voldaan aan zijn onderzoeksplicht.

Vrijspraak.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte onder feit 2 primair en onder feit 3 primair ten laste is gelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen 4

Ten aanzien van feit 1:

Proces-verbaal van aangifte, gedaan door [slachtoffer 1] d.d. 21 november 2019 (p. 24-25). Voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven -:

[p. 24] Op dinsdag 16 juli 2019 kwam ik bij het Crematorium aan de [adres 2] in Eindhoven, gemeente Eindhoven. Toen ik binnen was, voelde ik een harde duw waardoor ik op de grond viel. Gelijk daarop zie en voel ik dat [verdachte] begint te schoppen. Hij schopt mij tegen de rechterkant van mijn lichaam. Terwijl [verdachte] schopt voel ik pijn, heftige pijn. Ik hoor dat [verdachte] tijdens het schoppen blijft schreeuwen, schelden en vloeken. Ik hoor hem roepen, 'kuthoer' en 'wat doe jij hier?'

Proces-verbaal van bevindingen medische gegevens in relatie tot aangifte (p. 121-122). Voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven -:

Op 30 juni 2020, zijn de medische gegevens van [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum] , aangekomen bij het onderzoeksteam.

Betreft de mishandeling, gepleegd op dinsdag 16 juli 2019, bij het Crematorium, gevestigd te Eindhoven. [slachtoffer 1] heeft zich als gevolg van deze mishandeling onder doktersbehandeling gesteld.

16-07-19 Vanmorgen om 9 uur (nu 17 uur) een aantal schoppen in de rug gehad van ex, gaat gedurende de dag steeds meer pijn doen, alle bewegingen van de rug pijnlijk. Vanmorgen 2 pcm ingenomen, weinig effect. Pijn bij diep ademhalen, geeft soms een wat benauwd gevoel. Hematurie. Geen overig letsel. Antalgisch looppatroon, wijst meeste pijn thv onderste ribben re thoracaal achter aan, thv BH band, hier forse drukpijn, er lijken geen trapjes palpabel. Geen hematomen, huid intact. Mishandeling met dd contusie ribben, cave fractuur.

16-07-19 moeilijk door ademen.

Proces-verbaal van verhoor getuige, [getuige] , medewerker van het crematorium (p. 32-33). Voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven -:

[p. 32] Op dinsdag 16 juli 2019 was ik aan het werk bij het crematorium [bedrijf] . Ik zag dat er een meisje in het portaal bij de glazen deur aangerend kwam en ik hoorde dat zij riep 'help help'. Ik zag ineens dat er drie mannen achter het meisje aangerend kwamen. Ik denk dat dit de zoon van de overledene was, de kleinzoon en nog een andere man. Ik zag vervolgens dat de mannen haar sloegen, schoppen en aan haar haren trokken. Ik zag dat de mannen het meisje in haar gezicht en tegen haar rug sloegen.

[p. 33] Ik had vrij zicht op het incident. Achteraf vroeg ik aan het meisje of zij pijn had. Zij klaagde over pijn in de rug en op de borst.

Ik omschrijf het meisje als volgt:

- donker, lang haar;

- elastiek in het haar wat op de grond lag na de mishandeling;

- zonnebank bruin;

- begin 20 jaar;

- kleding onbekend;

- kwam met scooter.

Ik omschrijf de mannen als volgt:

Man 1 (volgens mij zoon van overledene):

- lange man, tussen 1.80-1.90 m;

- half-kalend, kort haar;

- veel tatoeages op armen;

- tussen de 40-50 jaar;

- zonnebank bruin.

De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 17 november 2020, voor zover inhoudende:

Op 16 juli 2019 vond de uitvaart van mijn moeder plaats. Ik was daarbij aanwezig.

Het oordeel van de rechtbank ten aanzien van feit 1.

Op 21 november 2019 meldt [slachtoffer 1] zich op het politiebureau om aangifte te doen van mishandeling door haar ex-partner op 16 juli 2019 in het crematorium te Eindhoven. Zij verklaart dat verdachte tegen de rechterkant van haar lichaam schopte, terwijl zij op de grond lag. Gedurende het schoppen bleef verdachte tegen haar schreeuwen. Zij herkende zijn stem.

Door de politie zijn de medische gegevens van [slachtoffer 1] opgevraagd. Hieruit blijkt dat [slachtoffer 1] zich na het incident onder behandeling heeft laten stellen van een arts. Deze arts heeft onder andere gerapporteerd dat het slachtoffer klaagt over pijn in de rug, pijn bij diep ademhalen, benauwdheid, een antalgisch looppatroon, pijn ter hoogte van de onderste ribben aan de rechter kant van haar lichaam, contusie van de ribben dan wel cave fractuur en moeite met ademhalen.

Een onafhankelijke getuige, een medewerker van het crematorium, heeft verklaard dat hij heeft gezien dat een jonge vrouw werd geslagen en geschopt door drie mannen. Een van deze mannen meent de getuige te herkennen als de zoon van de overledene, te weten verdachte.

Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de aangifte van het slachtoffer betrouwbaar is. Deze aangifte wordt ondersteund door de bevindingen van de arts. De klachten die door de arts worden geconstateerd passen bij een mishandeling als door het slachtoffer is omschreven. De arts rapporteert over een contusie (kneuzing of breuk) van de ribben. Ook de klachten die daarmee gepaard gaan, zoals benauwdheid en pijn bij het ademhalen, ondersteunen deze bevindingen. Dat het slachtoffer geen duidelijk zichtbare blauwe plekken heeft, doet daar niet aan af. Daarnaast is door de medewerker van het crematorium, de heer [getuige] , maanden na het incident op essentiële onderdelen vergelijkbaar verklaard met de aangifte van het slachtoffer. Deze medewerker heeft voorafgaand aan de crematie contact gehad met verdachte en hem als zoon van de overledene herkend. Ook had de getuige vrij zicht op het incident. De verklaring die door de getuige wordt afgelegd over de wijze van mishandeling, namelijk het schoppen in de rug, komt eveneens overeen met de bevindingen van de arts. De rechtbank hecht geen waarde aan de getuigenverklaringen, zoals zijn afgelegd bij de rechter-commissaris op 26 oktober 2020 en ter terechtzitting, nu deze getuigen – in tegenstelling tot getuige [getuige] – geen onafhankelijke getuigen zijn.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte het onder feit 1 ten laste gelegde heeft begaan.

Ten aanzien van feit 2:

Proces-verbaal van aangifte, gedaan door [slachtoffer 1] (met bijlagen) (p. 35-38). Voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven -:

[p. 35] De mishandeling vond plaats in de nacht van vrijdag 31 januari 2020 op zaterdag 01 februari 2020.

[p. 37] Er lagen planken laminaat in de tuin. Ik zag dat [verdachte] een paar planken oppakte. De planken waren best lang en waren zo'n 10 centimeter breed. Voordat ik het wist sloeg hij mij met de laminaat planken.

Vervolgens komt [verdachte] met de planken in zijn hand op mij af. Hij had de planken bovenarms vast. Ik hoorde [verdachte] nog zeggen: "Jij gaat eraan man." [verdachte] haalde met de planken uit en sloeg mij kei hard. Hij sloeg van boven naar beneden. De planken raakte mij in eerste instantie op mijn rechter onderbeen en mijn linker voet. Voor zover ik me kan herinneren heeft [verdachte] drie keer met de planken op mij geslagen. Alle drie de keren sloeg hij van boven naar beneden. Ik bedoel dan dat hij de planken boven zijn schouder/hoofd had en dan naar beneden sloeg. Vervolgens sloeg [verdachte] mij op mijn linker voet.

[p. 38] Toen ik met de laminaat werd geslagen deed dat ontzettend veel pijn. Ik had ook de nodige verwondingen. Mijn been rechterbeen lag open. Net onder mijn knie. Mijn linkervoet was heel erg gezwollen en ook daar had ik een wond op. Mijn neus was gezwollen. Verder had ik op mijn kont een wond. Ik heb, toen ik even alleen in de badkamer van [verdachte] was, foto's van mijn verwondingen gemaakt.

Proces-verbaal van bevindingen overeenkomsten foto's-badkamer (p. 63). Voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven -:

De mishandeling vond plaats in de tuin van de woning [adres 1] te Eindhoven. Het slachtoffer, [slachtoffer 1] , heeft na dit feit foto’s van haar letsel gemaakt in de badkamer van genoemde woning. Op maandag 18 mei 2020 vond een doorzoeking ter inbeslagname plaats in de woning van verdachte [verdachte] . Er werden van de badkamer foto's gemaakt. Het volgende kan worden geconcludeerd:

• Foto 1 is genomen door aangeefster [slachtoffer 1] . Te zien zijn kleine tegeltjes en een wisser die

tegen de muur staat.

• Op foto 2 welke ook door slachtoffer [slachtoffer 1] is genomen, is de vloer wederom te zien en een

overgang naar mogelijke andere vloertegels welke gescheiden is door een zwarte baan.

• Op foto 3, ook door het slachtoffer genomen, is de structuur van de vloertegels te zien.

• Foto 4, genomen door verbalisant, toont een zelfde soort tegels en de wisser zoals ook

afgedeeld op foto 1.

• Foto 5, genomen door verbalisant, toont de overgang van de tegels met de zwarte scheiding zoals zichtbaar op foto 2

• Foto 5, genomen door verbalisant, toont de structuur van de tegels zoals die ook zichtbaar

is op foto 3

Gezien bovenstaande kan worden geconcludeerd dat de foto’s welke aangeefster [slachtoffer 1] ter beschikking heeft gesteld inderdaad zijn genomen in de badkamer van de woning van verdachte [verdachte] , [adres 1] te Eindhoven.

Proces-verbaal van bevindingen vergelijken letsel (met bijlagen). 5 Voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven -:

In onderzoek [onderzoek] heeft [slachtoffer 1] meerdere foto's verstrekt aan de politie. Daarnaast is een telefoontoestel in gebruik bij [slachtoffer 1] onderzocht. Hierop zijn ook foto's aangetroffen. Hierbij viel op dat er een verstrekte foto overeenkomsten vertoonde met een aangetroffen foto op het toestel van [slachtoffer 1] .

Op de eerste foto is volgens [slachtoffer 1] letsel te zien dat is toegebracht door [verdachte] in de nacht van 31 januari op 1 februari 2020. De foto zou van diezelfde nacht zijn. Op de tweede foto is een foto te zien die is aangetroffen op de telefoon van [slachtoffer 1] . Volgens de metadata van de foto is foto 2 is gemaakt, geopend en gewijzigd op 13-02-2020 19:18:44 (utc+1 ). Op deze foto's lijkt de plaats, vorm en grootte van het letsel overeen te komen. Het lijkt er op dat op de tweede foto het herstel van de wond verder is door korsten op de wond. Daarnaast past het helen van de wond bij het mogelijke tijdsverschil tussen de twee foto's.

Het oordeel van de rechtbank ten aanzien van feit 2.

Het slachtoffer heeft bij haar aangifte verklaard dat verdachte haar met een laminaatplank van ongeveer 10 centimeter breed meerdere malen heeft geslagen tegen haar voet, been en hoofd. Ter terechtzitting heeft verdachte ontkend dat hij aangeefster heeft mishandeld en gesuggereerd dat een ander of zijzelf de verwondingen aan het slachtoffer heeft toegebracht. De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde op basis van het bewijs dat hiervoor is opgenomen. De aangifte beoordeelt de rechtbank als betrouwbaar. Zij heeft daarbij acht geslagen op de ondersteuning die de foto’s van het letsel en de locatie waar die foto’s zijn gemaakt, aan de aangifte geven. De suggestie van verdachte dat het letsel op een andere wijze dan door zijn toedoen tot stand is gekomen, schuift de rechtbank terzijde.

De rechtbank overweegt daartoe nog als volgt. De foto’s van het letsel die bij de aangifte zijn gevoegd komen overeen met de omschrijving van een laminaatplank van 10 centimeter breed, gelet op de afmeting van de wonden en de oppervlakkigheid van deze verwondingen die worden veroorzaakt door het slaan met een dergelijk object. Daarnaast is in het proces-verbaal van bevindingen geconstateerd dat de foto’s van het slachtoffer daadwerkelijk op de badkamer van verdachte zijn gemaakt. Dit is door verdachte ook niet tegengesproken. Ook zijn, gezien de datering van die foto’s, ongeveer twee weken later door het slachtoffer foto’s gemaakt van haar verwondingen. Deze verwondingen komen overeen met de foto’s die kennelijk kort na, volgens aangeefster: direct na, het incident op de badkamer van verdachte zijn gemaakt en laten herstel zien dat past bij het tijdsverloop.

De rechtbank acht het onder feit 2 primair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen. Het slachtoffer verklaart bij de aangifte dat zij in haar gezicht is geslagen met de laminaatplank, maar dat vindt geen ondersteuning in de bewijsmiddelen. Gelet hierop acht de rechtbank onvoldoende bewijs aanwezig voor het aannemen van poging tot zware mishandeling. Wel oordeelt de rechtbank dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte het onder feit 2 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan door het slachtoffer meermalen tegen haar been en voet te slaan met een laminaatplank.

Ten aanzien van feit 3:

Proces-verbaal van aangifte, gedaan door [slachtoffer 1] d.d. 3 november 2019 (p. 74). Voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven -:

Zondag 3 november 2019, omstreeks 17.00 uur, ben ik naar de woning van [verdachte] gegaan. [verdachte] woont [adres 1] te Eindhoven.

Tijdens mijn bezoek bij [verdachte] heb ik mijn nichtje uit Lille (België) gebeld of geappt of zij mij kon komen ophalen bij [verdachte] . Mijn nichtje heet [slachtoffer 2] .

Ik ben toen met mijn nichtje meegegaan. We zijn toen in de auto van mijn nichtje gestapt en zijn richting België gegaan. Mijn nichtje rijdt een blauw bestelautootje met Belgisch kenteken. Toen wij stilstonden bij de verkeerslichten op de Bredalaan te Eindhoven zag mijn nichtje dat [verdachte] in zijn Ford Ka, blauw van kleur, langs ons stopte. Toen het verkeerslicht op groen sprong reed mijn nichtje aan. Bij het aanrijden zag ik dat [verdachte] naar rechts stuurde en zijn auto tegen de auto van mijn nichtje reed. Wij reden 10 a 15 km harder dan de maximum snelheid, ook zijn wij enkele keren door rood gereden om te proberen van [verdachte] af te komen maar hij bleef ons proberen van de weg af te duwen. Ook weet ik dat hij bij de Hurk met zijn rechterzijkant tegen ons linkerzijkant gereden is.

Door het rijgedrag van [verdachte] was ik echt bang. Ik was echt bang dat wij zouden verongelukken doordat hij ons van de weg af wilde duwen.

Proces-verbaal van aangifte, gedaan door [slachtoffer 2] d.d. 3 november 2019 (p. 76-77). Voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven -:

[p. 76] Op zondag 3 november 2019 kwam ik bij [slachtoffer 1] aan.

[verdachte] woont aan de [adres 1] te Eindhoven.

[p. 77] Vervolgens ben ik met [slachtoffer 1] de auto in gestapt. Ik hoorde [slachtoffer 1] zeggen "Snel weg, snel weg, want die komt eraan".

Ik ben daarop normaal weggereden in de richting van de Noord Brabantlaan. Toen ik op de Noord Brabantlaan reed zag ik dat [verdachte] achter me aan zat. Ik zag dit doordat de koplampen van zijn voertuig snel op mij af kwamen. Ik herkende ook de Ford Ka van [verdachte] . Ik zag dat de Ford Ka mij links inhaalde en naast mij ging rijden. Ik zag toen dat [verdachte] achter het stuur van de Ford Ka zat. Ik zag en voelde dat de Ford Ka met hoge snelheid mij van links wilde raken. Dit heeft hij 2 keer gedaan. 1 keer heeft hij mij geraakt aan de linkerkant en de tweede keer remde ik hard waardoor ik achter hem kwam te rijden en [verdachte] met zijn Ford Ka voor mij kwam rijden. Daarop zag ik dat de Ford Ka de beide rijbanen gebruikte van links naar rechts zodat ik hem niet kon passeren. Ik zag dat hij voortdurend hard op zijn rem trapte doordat de remlichten op lichten.

Op een gegeven moment zag ik kans om rechts naast hem te gaan rijden. Waarop hij ook naar rechts kwam en mij opnieuw wilde rammen. Dit gebeurde allemaal met een snelheid van ongeveer 70 of 80 km/u. Daarop remde ik opnieuw krachtig en heb ik zijn rechter achterkant geraakt met mijn voertuig. Ik zag in mijn spiegel dat het voertuig van [verdachte] spinde waardoor ik hard weg ben gereden in de richting van Veldhoven. Ik zag daarop dat het voertuig van [verdachte] weer achter me aan reed met een snelheid van ongeveer 90 km/u.

Ik ben toen een woonwijk in gereden en [verdachte] achtervolgde me. Ik zag en voelde dat [verdachte] mij met zijn voertuig van achter ramde. Dit heeft hij 2 of 3 keer gedaan. Ik reed toen ongeveer 80 of 90 km/u. [slachtoffer 1] zat naast me op de bijrijdersstoel en was ondertussen volledig in paniek. [slachtoffer 1] was heel bang dat [verdachte] mij kapot zou maken. Ikzelf was ook vreselijk bang mede doordat [verdachte] me zo’n hoge snelheid achtervolgde en daardoor een vreselijk onveilige verkeerssituatie ontstond.

Proces-verbaal van bevindingen 112 melding gedaan door [slachtoffer 1] (p. 80-83). Voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven -:

[p. 80] Gedurende het rijden, reed haar ex-vriend genaamd [verdachte] , opzettelijk tegen de auto van haar nicht. Waarna [slachtoffer 1] , op zondag 3 november 2019 te 18.55 uur belde met de 112 alarmcentrale. In het geluidsfragment maakt de meldster zich bekend als [slachtoffer 1] . Verder herken ik, verbalisant [verbalisant] , de stem ook van [slachtoffer 1] , dit omdat ik recent twee aangiften van [slachtoffer 1] heb opgenomen. Het geluidsfragment is zoveel als mogelijk letterlijk weergegeven. Hierbij dient in acht genomen te worden dan [slachtoffer 1] heel erg emotioneel en paniekerig klinkt. Ze schreeuwt en huilt en er is angst in haar stem te horen.

[slachtoffer 1] : Hoi ik ben [slachtoffer 1] , ik heb een AOL tegen mijn ex-vriend [verdachte] .

OC: Ja en jij bent thuis in Veldhoven?

[slachtoffer 1] : Wij zijn onderweg en wij durven niet te stoppen want hij rijdt tegen onze auto aan.

OC: Ojee, waar ben jij?

[slachtoffer 1] : Wij zijn onderweg Eindhoven Strijp

(...)

[p. 82] [slachtoffer 1] : Ja en hij rijdt achter ons aan, maar luister, wij durven niet te stoppen. Hij heeft zijn vorige auto in de prak gereden. Hij rijdt ons aan omdat ik niet bij hem blijf. Ik heb een AOL op mijn woning maar ik durf niet naar huis.

OC: Dat snap ik, ik weet waar jij woont, dus blijf zeggen war jullie rijden, blijf zeggen waar je rijdt.

[slachtoffer 1] : We rijden nu bij de Nettorama

[slachtoffer 2] (nicht): (schreeuwt iets onverstaanbaars)

OC: Bij de Nettorama Noord Brabantlaan

[slachtoffer 1] : Waar moeten we heen, waar moeten we heen.

[slachtoffer 1] : Rij door het rood, Schijt aan, Gek. Die rijdt ons aan. Ja sorry hoor mevrouw, gij denkt dat ik gek ben maar hij rijdt ons aan.

OC: Ja wie is dat? Is dat [verdachte] , is dat

[slachtoffer 1] : [verdachte]

(...)

[slachtoffer 1] : Rechtdoor, ja jouw wiel draait direct af gek. Maar mevrouw mijn nicht wil doorrijden maar ik wil uitstappen want ik wil niet dood.

OC: Nee doorrijden naar het politiebureau.

[slachtoffer 1] : Je moet rechtdoor, (huilt) Ja mevrouw sorry.

(...)

OC: Maakt niet uit, gewoon naar het politiebureau rijden. In wat voor auto rijdt [verdachte] ?

[slachtoffer 1] : Hij rijdt in een Ford ka want die Mercedes heeft hij in de prak gereden en dan krijgt hij ook geld.

(…)

Het oordeel van de rechtbank ten aanzien van feit 3.

De rechtbank acht de aangiftes in de kern betrouwbaar nu die op essentiële onderdelen overeenkomen en in lijn zijn met de 112-melding. De rechtbank merkt daarbij wel op dat zij ten aanzien van het daadwerkelijk rammen van de auto van [slachtoffer 2] tot een ander oordeel komt, nu het schadebeeld dat onderdeel van beide aangiftes niet ondersteunt. De rechtbank ziet hierin geen reden de aangiftes in hun geheel onbetrouwbaar te achten, nu aannemelijk is dat de beleving van dat ‘rammen’ mede is gekleurd door angst en paniek bij aangeefsters.

Op basis van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank het volgende vast.

Nadat een ruzie is ontstaan tussen [slachtoffer 1] en verdachte, vertrekt [slachtoffer 1] samen met haar nicht, [slachtoffer 2] , bij de woning van verdachte. Kort na hun vertrek worden zij met de auto achterna gezeten door verdachte. Zoals uit beide aangiftes blijkt, heeft verdachte terwijl hij met hoge snelheid naast hen rijdt meermalen naar rechts gestuurd en zo geprobeerd het tweetal van de weg te duwen of in ieder geval angst aan te jagen. Het tweetal probeert meerdere malen te ontkomen, onder andere door rood licht te rijden. Dat er paniek ontstaat, blijkt vervolgens uit het gesprek dat door [slachtoffer 1] met de 112-alarmcentrale is gevoerd. Al rijdende wordt het tweetal door de medewerker van de alarmcentrale naar het politiebureau in Eindhoven genavigeerd. Daar aangekomen doen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] aangifte tegen verdachte.

Na aankomst op het politiebureau worden een tweetal foto’s gemaakt van het voertuig van [slachtoffer 2] . Dat dit de auto van [slachtoffer 2] is, blijkt uit de omschrijving die daarvan is gegeven bij aangifte en de Belgische kentekenplaat. De foto’s zijn bijgevoegd bij het proces-verbaal van bevindingen van de 112-melding. Dit zijn twee foto’s die gemaakt zijn in het donker en waarop volgens de rechtbank vrijwel geen schade zichtbaar is. Door de verbalisant is in het proces-verbaal van bevindingen opgenomen dat de schade aan het voertuig gering is en dat op de avond van het incident geen verder onderzoek is gestart op de verdachte en diens voertuig.6

De rechtbank is van oordeel dat gelet op de bewijsmiddelen onvoldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig is om poging doodslag, zoals onder feit 3 primair ten laste is gelegd, aan te kunnen nemen.

Gelet op de gevaarlijke handelingen, waaronder het met snelheid opjagen van [slachtoffer 2] , het meermalen insturen richting de auto waarin aangeefsters zich bevonden en de snelheid waarmee verdachte deze handelingen heeft verricht, oordeelt de rechtbank dat sprake is van bedreiging met zware mishandeling nu daarmee bij aangeefsters in redelijkheid de vrees voor bijvoorbeeld een ernstig auto-ongeluk kon en, gezien de aangiftes en 112-melding, ook is ontstaan.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat met de aangiftes van de slachtoffers in combinatie met het proces-verbaal van bevindingen van de 112-melding wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte hetgeen onder feit 2 subsidiair, voor zover hierna bewezen is verklaard, heeft begaan.

Ten aanzien van feit 4:

Afschrift van aangifte van diefstal fiets, gedaan door [slachtoffer 3] (p. 87). Voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven -:

Op maandag 11/05/2020 is mijn fiets gestolen bij m'n werk. Hij stond op dubbel slot maar helaas nergens aan vast.

Merk: KOGA

Type: E-NOVA

Op slot: Ja

Waarde of schadebedrag in euro's: 1000,00

Framenummer: [nummer]

Eigenaar: [persoon 1]

Verslag van binnentreden in woning [adres 1] te Eindhoven d.d. 18 mei 2020 (p. 225). Voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven -:

In de woning werden in beslag genomen: niet zaakinhoudelijke goederen te weten 3x elektrische fiets.

Bijlage inbeslaggenomen goederen bij proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming (p. 230).

KOGA, Nova, Dames. Categorie voer

Het oordeel van de rechtbank ten aanzien van feit 4.

Ter terechtzitting is vrijspraak bepleit, waartoe is aangevoerd dat verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen niet wist dat het goed van misdrijf afkomstig was.

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt. Bij de beoordeling van dit verweer gaat de rechtbank op grond van de bewijsmiddelen uit van de navolgende feiten en omstandigheden: op 11 mei 2020 is door aangever aangifte gedaan van de diefstal van de elektrische fiets van zijn vrouw. Deze was gestolen terwijl hij aan het werk was. Diezelfde fiets is op 18 mei 2020 aangetroffen in de schuur van verdachte en vervolgens onder verdachte in beslag genomen.

Op grond van de gebruikte bewijsmiddelen stelt de rechtbank allereerst vast dat het onder de verdachte in beslag genomen goed van misdrijf, te weten van diefstal, afkomstig was. De rechtbank stelt voorts vast dat niet is gebleken van een aanwijzing dat verdachte zelf op enigerlei wijze betrokken is geweest bij de diefstal of verduistering van dit goed.

Verdachte heeft mondjesmaat bij de politie een verklaring afgelegd en deze verklaring ter terechtzitting nader aangescherpt. Tijdens het verhoor bij de politie weet verdachte niet over welke van zijn drie fietsen het verhoor gaat, maar geeft hij wel aan dat hij de fiets heeft gecontroleerd bij de RDW en dat deze niet als gestolen stond geregistreerd. Daarnaast heeft verdachte verklaard dat hij de elektrische fiets voor € 500,-- heeft gekocht. De rechtbank acht de verklaring van de verdachte dat hij de fiets voor € 500,-- van een kennis heeft gekocht en bij de RDW heeft gecontroleerd hoogst onaannemelijk, aangezien verdachte ten aanzien van deze elektrische fiets geen eenduidige verklaring aflegt en voorts onaannemelijk is dat zijn inkomenspositie een dergelijke dure aankoop toelaat. Ook het tijdstip waarop verdachte met een verklaring komt, doet afbreuk aan de aannemelijkheid van zijn verklaring. Wegens het ontbreken van een geloofwaardige en aannemelijke hem ontlastende verklaring voor het voorhanden hebben van het goed, kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders zijn dan dat de verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen daarvan wist dat deze van misdrijf afkomstig was. De rechtbank betrekt bij dat oordeel de omstandigheid dat aanwijzingen ontbreken dat wetenschap bij de verdachte van de criminele herkomst van het goed eerst is ontstaan na het verwerven of voorhanden krijgen daarvan. Het is een feit van algemene bekend dat elektrische fietsen een hoge aanschafwaarde hebben. De rechtbank concludeert dan ook tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde opzetheling. Het bewijsverweer wordt derhalve verworpen.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

T.a.v. feit 1:

op 16 juli 2019 te Eindhoven [slachtoffer 1] heeft mishandeld door die [slachtoffer 1] meermalen met kracht tegen het lichaam te schoppen;

T.a.v. feit 2 subsidiair:

op 1 februari 2020 te Eindhoven [slachtoffer 1] heeft mishandeld door die [slachtoffer 1] meermalen met kracht met een laminaatplank, tegen haar been en tegen haar voet te slaan;

T.a.v. feit 3 subsidiair:

op 3 november 2019 te Eindhoven [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft bedreigd met zware mishandeling, door terwijl die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zich in een (door [slachtoffer 2] bestuurde) rijdende personenauto bevonden, met een auto met hoge snelheid achter die door die [slachtoffer 2] bestuurde auto aan te rijden en links naast die door [slachtoffer 2] bestuurde auto te gaan rijden en stuurbewegingen naar rechts te maken;

T.a.v. feit 4:

op 18 mei 2020 te Eindhoven, een goed te weten een elektrische fiets voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van dit goed wist, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie eist een gevangenisstraf van 18 maanden onvoorwaardelijk.

De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat de rechtbank aan verdachte de vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht zal opleggen voor de duur van 5 jaren, te vervangen door 2 weken hechtenis bij iedere overtreding van de maatregel. De maatregel houdt in dat verdachte geen contact zal hebben met [slachtoffer 1] en dat hij zich niet in de buurt van [adres 3] Eindhoven (de woning van de moeder van [slachtoffer 1] ) zal begeven. De officier van justitie heeft daarbij de dadelijke uitvoerbaarheid van de maatregel gevorderd.

Ten slotte dient de in beslag genomen elektrische fiets, merk KOGA, verbeurd te worden verklaard.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft verzocht verdachte vrij te spreken van alle hem ten laste gelegde feiten. Indien de rechtbank overgaat tot het opleggen van een straf verzoekt de verdediging de door de officier van justitie geëiste straf te matigen in overeenstemming de LOVS-oriëntatiepunten. Ook dient artikel 63 Wetboek van Strafrecht te worden toegepast. De raadsvrouw verzet zich in beginsel niet tegen het contactverbod, maar acht het opleggen hiervan niet noodzakelijk nu verdachte voorafgaand aan en gedurende zijn detentie geen contact heeft gehad met het slachtoffer. Een locatieverbod dient niet te worden opgelegd nu het een adres betreft van een persoon die geen rechtstreeks belang heeft bij de procedure. De verdediging verzet zich tegen de periode van 5 jaar. Ten aanzien van het beslag refereert de raadsvrouw zich aan het oordeel van de rechtbank.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het tweemaal mishandelen van zijn ex-partner, bedreiging met zware mishandeling en opzetheling.

Verdachte heeft een grote inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de slachtoffers en de lichamelijke integriteit van [slachtoffer 1] aangetast. De bedreigingen en het geweld moeten een grote indruk op hen hebben gemaakt. Slachtoffers van dit soort ernstige feiten ondervinden daar vaak nog jarenlang last van en de herinnering eraan hindert hen in hun dagelijks bestaan. Uit de toelichting op de vorderingen benadeelde partij en de slachtofferverklaring van [slachtoffer 2] blijkt dat dit ook in deze zaak het geval is.

Daarnaast is ook opzetheling een ernstig strafbaar feit. Heling bevordert diefstal en zorgt bovendien voor een illegaal circuit van goedkope goederen, waardoor de reguliere, eerlijke (detail)handel wordt verstoord en schade wordt toegebracht.

Kijkend naar de persoon van verdachte, houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat verdachte eerder voor een soortgelijk feit werd veroordeeld en dat verdachte, nu hij alle feiten in alle toonaarden ontkent, de ernst van het door hem aan zijn slachtoffers aangedane leed kennelijk niet inziet en daarom ook kennelijk niet of onvoldoende bereid is zijn (criminele) gedrag te veranderen. De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat de mishandeling en bedreiging met zware mishandeling zijn gepleegd jegens zijn ex-partner en dat deze bedreiging heeft plaatsgevonden door middel van agressie in het verkeer.

Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten. De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf.

De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden. De rechtbank acht uit een oogpunt van vergelding en ter beveiliging van de maatschappij een vrijheidsbeneming van lange duur op haar plaats.

De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank verdachte vrijspreekt van het onder 2, primair ten laste gelegde, terwijl de officier van justitie bij de formulering van haar strafeis is uitgegaan van een bewezenverklaring van dat primaire, en voorts van oordeel is dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

Daarnaast zal de rechtbank een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht, bestaande uit een contact- en gebiedsverbod zoals door de officier van justitie is gevorderd, opleggen voor de duur van 5 jaren, te vervangen door 2 weken hechtenis bij iedere overtreding van de maatregel. De rechtbank is van oordeel dat een contactverbod noodzakelijk is voor het slachtoffer om zich veilig te kunnen voelen. In tegenstelling tot wat de verdediging heeft betoogd acht de rechtbank een gebiedsverbod eveneens in het belang van het slachtoffer, opdat zij in alle rust en vrijheid haar moeder kan bezoeken zonder dat zij bang hoeft te zijn dat verdachte haar daar komt opzoeken. Nu er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt of zich belastend gedraagt jegens [slachtoffer 1] , zal de rechtbank bevelen dat deze maatregel dadelijk uitvoerbaar is.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] .

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht de vordering voldoende onderbouwd en eist daarom dat deze volledig wordt toegewezen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en toekenning van de wettelijke rente.

Het standpunt van de verdediging.

Gelet op het feit dat de raadsvrouw heeft verzocht verdachte vrij te spreken van het hem ten laste gelegde, verzoekt zij dat de vordering van de benadeelde partij wordt afgewezen dan wel niet-ontvankelijk wordt verklaard. Subsidiair verzoekt de verdediging de vordering tot schadevergoeding te matigen nu de kosten met betrekking tot behandeling van PTSS niet zijn onderbouwd.

Beoordeling. De rechtbank acht toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade, de volgende onderdelen van de vordering te weten immateriële schadevergoeding ten bedrage van € 1.500,-- vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 juli 2019 tot aan de dag der algehele voldoening.

De rechtbank overweegt daartoe als volgt. Op grond van artikel 6:106 eerste lid, onder b, BW maakt de benadeelde aanspraak op vergoeding van immaterieel schadevergoeding wanneer sprake is van lichamelijk letsel. Gelet op het bewezenverklaarde onder feit 1 en 2 is hiervan sprake. Daarnaast heeft een benadeelde partij op grond van artikel 6:106 eerste lid, onder a, BW recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade als de aansprakelijke persoon het oogmerk had zodanig nadeel toe te brengen. Daarvan is naar het oordeel van de rechtbank sprake. Met de gepleegde bedreiging, zoals onder feit 3 subsidiair bewezen is verklaard, had verdachte immers het oogmerk om de benadeelde partij angst aan te jagen. Mede als gevolg van de bedreiging (in combinatie met de mishandelingen) heeft de benadeelde partij een grote mate van angst ontwikkeld, zo blijkt uit de onderbouwing van de vordering.

Ten aanzien van het gevorderde bedrag voor immateriële schade acht de rechtbank een bedrag van € 1.500,-- redelijk en billijk, gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde, de gevolgen voor de benadeelde partij en de bedragen die in vergelijkbare gevallen aan smartengeld worden toegekend.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaren ten aanzien van de overige gevorderde immateriële schadevergoeding, te weten een bedrag van € 1.500,--. Van dit gedeelte van de vordering is niet eenvoudig vast te stellen of en in hoeverre deze kosten zijn ontstaan in directe relatie tot het bewezen verklaarde feit. Nader onderzoek naar de juistheid en omvang van de vordering (in zoverre) zou een uitgebreide nadere behandeling vereisen. De rechtbank is van oordeel dat de behandeling van (dit deel van) de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De benadeelde partij kan dit onderdeel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 juli 2019 tot de dag der algehele voldoening.

Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] .

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht de vordering voldoende onderbouwd en eist daarom dat deze volledig wordt toegewezen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en toekenning van de wettelijke rente.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging stelt zich op het standpunt dat de vordering onvoldoende is onderbouwd, aangezien onduidelijk is wanneer en hoe de gevorderde kosten ten behoeve van de psycholoog zijn gemaakt en of de verzekering hiervan een deel heeft uitgekeerd. Ten aanzien de kosten van de auto zijn de gevorderde kosten niet daadwerkelijk gemaakt en is geen sprake van een causaal verband. Om deze reden verzoekt de verdediging de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering.

Beoordeling. De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering, aangezien onvoldoende is onderbouwd dat sprake is van rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade. De rechtbank sluit niet uit dat schade is ontstaan aan de auto van de benadeelde partij door toedoen van het onder feit 3 bewezen verklaarde feit. Echter, nader onderzoek naar de juistheid en omvang van de vordering (in zoverre) zou een uitgebreide nadere behandeling vereisen. De rechtbank is van oordeel dat de behandeling van (dit deel van) de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

De rechtbank merkt daarnaast op dat de door het slachtoffer gevorderde kosten van immateriële schade worden aangemerkt als materiële schade nu deze post de kosten voor behandeling bij een psycholoog betreft. De rechtbank acht deze kostenpost onvoldoende onderbouwd en zal om deze reden ook dit deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren.

De benadeelde partij kan deze onderdelen van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal de benadeelde partij veroordelen in de kosten van de verdachte als bedoeld in artikel 592a van het Wetboek van Strafvordering. Deze kosten worden begroot op nihil. De rechtbank zal de kosten van partijen als bedoeld in artikel 592a van het Wetboek van Strafvordering compenseren aldus dat elke partij haar eigen kosten draagt.

Beslag.

De rechtbank zal de teruggave gelasten van het in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen voorwerp, te weten een elektrische fiets van het merk KOGA, aan de redelijkerwijs als rechthebbende aan te merken persoon nu naar het oordeel van de rechtbank het belang van strafvordering zich niet meer verzet tegen de teruggave van het inbeslaggenomen goed.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

36f, 38v, 38w, 57, 63, 285, 300, 416 Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

T.a.v. feit 2 primair, feit 3 primair: Vrijspraak.