Home

Rechtbank Oost-Brabant, 02-10-2020, ECLI:NL:RBOBR:2020:4802, 19/2616

Rechtbank Oost-Brabant, 02-10-2020, ECLI:NL:RBOBR:2020:4802, 19/2616

Gegevens

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
2 oktober 2020
Datum publicatie
5 oktober 2021
ECLI
ECLI:NL:RBOBR:2020:4802
Zaaknummer
19/2616

Inhoudsindicatie

faunaschade

Uitspraak

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 19/2616

[eiser] , eiser,

(gemachtigde: mr. A.J.C. van Gurp),

en

het college van gedeputeerde staten van de provincie Noord-Brabant, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 19 april 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om een tegemoetkoming in faunaschade, als bedoeld in artikel 6.1 van de Wet natuurbescherming, afgewezen.

Bij besluit van 27 augustus 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Er is een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft, daartoe door de rechtbank in de gelegenheid gesteld, gerepliceerd.

Verweerder heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid om te dupliceren.

De rechtbank heeft met toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaald dat een nader onderzoek ter zitting achterwege blijft nu partijen, desgevraagd, niet hebben aangegeven gebruik te willen maken van hun recht ter zitting te worden gehoord. De rechtbank heeft het onderzoek vervolgens gesloten.

Overwegingen

Feiten

1. Eiser exploiteert een melkveebedrijf en pacht hiervoor gronden in Werkendam van de Staat der Nederlanden. Op 15 juni 2018 hebben deze partijen hiervoor een zesjarige “pachtovereenkomst los land” gesloten, die is goedgekeurd door de Grondkamer Zuid op 6 juli 2018. De percelen beslaan in totaal ongeveer 120 hectare.Op 11 april 2019 heeft eiser een aanvraag ingediend bij verweerder om tegemoetkoming in faunaschade, in verband met schade aan de bij hem als grasland in gebruik zijnde percelen, aangericht door grauwe ganzen en kolganzen. De geschatte beschadigde oppervlakte bedraagt volgens eiser de totale 120 ha.

Verweerder heeft deze aanvraag afgewezen, omdat de schade is aangericht aan gewassen (gras) op gronden waarvan, gelet op de in de gesloten pachtovereenkomst opgelegde beperkingen, niet gezegd kan worden dat hierop de normale agrarische bedrijfsvoering volledig kan worden uitgeoefend. Eiser is het hier niet mee eens.

2. In de pachtovereenkomst, die is ingegaan op 1 mei 2018 en eindigt op 30 april 2024, is onder andere de volgende bepaling opgenomen:

Artikel 4. Beheer laaggelegen weideHet verpachte is uitsluitend bestemd om te worden gebruikt als grasland. Het dient beheerd te worden als nat, matig voedselrijk grasland. Het is verboden het grasland te scheuren. De gronden hebben als vegetatie schraal bloemrijk hooiland.

Geldende bepalingen:

Optie 1. * Begrazing gedurende het hele groeiseizoen;

* Overwinteren van vee in de Noordwaard is niet toegestaan; * Bemesten is niet toegestaan; * Bijvoeren is niet toegestaan;

* Het gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen is niet toegestaan;

* Elk jaar vóór 1 oktober eventueel nog aanwezige hoge vegetatie maaien en afvoeren.

Optie 2.

* Eén keer per jaar maaien (na 20 juni) en afvoeren; * Nabeweiden is niet toegestaan;

* Bemesten is niet toegestaan;

* Bijvoeren niet toegestaan; * Het gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen is niet toegestaan;

* Elk jaar vóór 1 oktober eventueel nog aanwezige hoge vegetatie maaien en afvoeren.

3. Vast staat dat eiser de percelen waarop schade is aangericht op titel van pacht in gebruik heeft voor de uitoefening van bedrijfsmatige landbouw, te weten zijn melkveebedrijf.

Vast staat ook dat in de pachtovereenkomst geen beperkingen zijn opgenomen ten aanzien van het bestrijden van schadeveroorzakende diersoorten.

Wettelijk kader / beleidskader

4. Voor het voor deze zaak van belang zijnde wettelijk kader, de artikelen 6.1 van de Wet natuurbeheer en 4.6, eerste lid, onder l, sub 2, van de Beleidsregel natuurbescherming Noord-Brabant, zoals dat gold ten tijde van het nemen van het bestreden besluit, wordt verwezen naar de bijlage.

Het geschil

5. Tussen partijen is in geschil of de bepalingen als opgenomen in artikel 4 van de pachtovereenkomst al dan niet kunnen worden opgevat als “beperkingen in het landbouwkundig gebruik” die volgens het beleid van verweerder in de weg staan aan het verlenen van een tegemoetkoming in de door eiser gestelde schade.

6. Volgens eiser is geen sprake van dergelijke beperkingen. Hij voert daartoe aan dat het verbod om grasland te scheuren geen beperking vormt van normaal landbouwkundig gebruik. Het merendeel van de blijvend graslandpercelen wordt slechts eens in de 10 tot 20 jaar gescheurd. Dat het grasland dient te worden beheerd als nat, matig voedselrijk grasland brengt mogelijk een matige voedselrijkheid met zich, maar dat maakt niet dat de opbrengst van het grasland niet normaal is. Ook vormt de bestaande vegetatie, te weten schraal bloemrijk hooiland, niet per definitie een belemmering voor de groei van het gras. Weliswaar zorgt bloemrijke vegetatie niet altijd voor de hoogste productie van gras, maar het gaat ook niet om een zo optimaal mogelijke opbrengst maar om een normale opbrengst. Daar komt bij dat met een bloemrijke vegetatie het grasland kruidenrijker is waardoor een veerkrachtiger grasland ontstaat, dat onder extreme weersomstandigheden bovengemiddeld presteert. Het verbod op kunstmatige bemesting en op het gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen levert al evenmin een beperking op, aldus eiser.

7. Verweerder stelt dat normaal landbouwkundig gebruik inhoudt dat er geen beheersbeperkingen op de betreffende gronden rusten. Het gaat daarbij om beperkingen ten aanzien van bijvoorbeeld bemesting, gebruik van chemische middelen, beweiding en maaien, die een belemmering vormen voor normaal landbouwkundig gebruik van gronden. Hierdoor kunnen niet de opbrengsten worden gerealiseerd die normaliter wel worden gehaald, indien er geen beperkingen rusten op de gronden. De beperkingen uit de pachtovereenkomst zijn volgens verweerder zodanig dat niet gesproken kan worden van normaal landbouwkundig gebruik. Daarom is de schade niet getaxeerd en het verzoek afgewezen.

Als voorbeelden van landbouwkundige beperkingen heeft verweerder in het bestreden besluit genoemd: het niet mogen gebruiken van kunstmest en/of chemische bestrijdingsmiddelen, een hoge waterstand en beperkingen in grootvee-eenheden per hectare. Dankzij dergelijke beperkingen worden geen normale opbrengsten gehaald van de gronden, waarmee bij taxaties wel wordt gerekend.

8. De rechtbank oordeelt dat verweerder bij de toepassing van (artikel 4.6 van) de Beleidsregel natuurbescherming Noord-Brabant op goede gronden heeft aangenomen dat de pachtovereenkomst beperkingen stelt aan het landbouwkundig gebruik. Weliswaar zijn de gronden door de Staat aan eiser verpacht als landbouwgrond, uit de pachtovereenkomst en de daarin opgenomen voorwaarden leidt de rechtbank af dat het landbouwkundig gebruik ondergeschikt is aan natuurbeheer. De voorwaarden in de pachtovereenkomst kunnen niet anders worden uitgelegd dan als beperkende voorwaarden in het agrarisch gebruik.

Hoewel, zoals eiser heeft gesteld, in voorkomende gevallen een goede opbrengst zal kunnen worden behaald, is op de gronden als gevolg van de voorwaarden in de pachtovereenkomst geen sprake van normale agrarische productie. Uit het beleid en de daarop door verweerder gegeven toelichting volgt dat faunaschade in dergelijke gevallen tot het ondernemersrisico behoort en de grondgebruiker daarvoor niet wordt gecompenseerd. De rechtbank volgt verweerders standpunt dat dit een consequentie is van door eiser gemaakte bedrijfskeuze door het aangaan van een dergelijke pachtovereenkomst. De rechtbank neemt daarbij mede in aanmerking dat de overeengekomen pachtprijs van € 322,60 per hectare ruim 35% lager ligt dan de reguliere prijs van € 505,00. Ook daarin ziet de rechtbank een aanwijzing dat sprake is van beperkingen in het landbouwkundig gebruik.

9. Conclusie is dat het beroep ongegrond zal worden verklaard, omdat verweerder het verzoek van eiser om een tegemoetkoming in schade op grond van de Beleidsregel heeft kunnen afwijzen. Bijzondere omstandigheden die verweerder ertoe hadden moeten brengen in dit geval van de Beleidsregel af te wijken zijn gesteld noch gebleken.

10. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling, noch om te bepalen dat het door eiser betaalde griffierecht moet worden vergoed.

Beslissing

Rechtsmiddel

BIJLAGE wettelijk kader

Artikel 6.1 Wet natuurbescherming

Artikel 4.6 Gevallen waarin geen tegemoetkoming wordt verleend