Home

Rechtbank Noord-Nederland, 12-05-2021, ECLI:NL:RBNNE:2021:1837, C/18/193917 / HA ZA 19-180

Rechtbank Noord-Nederland, 12-05-2021, ECLI:NL:RBNNE:2021:1837, C/18/193917 / HA ZA 19-180

Gegevens

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
12 mei 2021
Datum publicatie
24 mei 2021
ECLI
ECLI:NL:RBNNE:2021:1837
Zaaknummer
C/18/193917 / HA ZA 19-180

Inhoudsindicatie

Omvang schade veroorzaakt door een aangewezen noodweg. De op artikel 5:57 BW gebaseerde vordering tot schadevergoeding wordt beheerst door artikel 6:95 BW e.v. Het is aan de eigenaar van de grond waarover de noodweg loopt om deze schade te stellen en zo nodig te onderbouwen.

Uitspraak

vonnis

Afdeling privaatrecht

Locatie Groningen

zaaknummer / rolnummer: C/18/193917 / HA ZA 19-180

Vonnis van 12 mei 2021

in de zaak van

[eiser] , in zijn hoedanigheid van executeur in de nalatenschap van [naam 1],

laatstelijk gewoond hebbende te Veendam,

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. E.T. van Dalen te Groningen,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te Groningen,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. P.G.H. van Dijk te Groningen.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

-

het tussenvonnis van 9 september 2020

-

de akte van [gedaagde] tevens akte vermeerdering van eis in reconventie

-

de antwoordakte van [eiser]

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling

2.1.

In het tussenvonnis van 9 september 2020 heeft de rechtbank in conventie overwogen dat de door [eiser] gevorderde verklaring voor recht dat er sprake is van een noodweg voor toewijzing gereed ligt. Er is geen sprake van een erfdienstbaarheid. In reconventie heeft de rechtbank overwogen dat het [gedaagde] niet wordt toegestaan de toegang tot de poort te sluiten en afgesloten te houden. Met betrekking tot de subsidiaire vordering van [gedaagde] om, bij toewijzing van de noodweg, een vergoeding van € 500,00 per maand als tegenprestatie toe te wijzen, heeft de rechtbank partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de hoogte van de tegenprestatie en de vraag of deze als een som ineens of periodiek betaald zou moeten worden.

2.2.

In zijn akte heeft [gedaagde] zich, samengevat, op het standpunt gesteld dat de woonruimten boven de winkelruimte in het pand aan het [straatnaam 1] [huisnummer 1] wel degelijk bereikbaar zijn via de toegangsdeur van de schoenmakerij. De huurders van de winkelruimte gebruiken de tussendeur om naar het achter de winkel gelegen toilet te gaan die ook in gebruik is dan wel kan zijn bij de huurders van de bovengelegen woonruimte. Om de situatie goed te kunnen beoordelen, verzoekt [gedaagde] met klem een descente te bepalen.

2.2.1.

Verder heeft [gedaagde] betoogd dat hij in het verleden steeds per huurder afzonderlijk toestemming heeft verleend tot het gebruik van de gang. De noodweg dient dan ook beperkt te worden tot de huidige huurders. Volgens [gedaagde] zijn de huurders geen bezoekers dan wel zakelijke gebruikers. Verder zet [gedaagde] zijn vraagtekens bij de noodzaak van de noodweg.

2.2.2.

Met betrekking tot de schadevergoeding stelt [gedaagde] dat door het opleggen van een redelijke vergoeding de huidige eigenaar van het pand die een noodweg wil gebruiken een extra financiële impuls krijgt om mogelijk het pand aan te passen. Volgens de door [gedaagde] geraadpleegde makelaar [naam 2] is een maandelijkse vergoeding van € 500,00 gelet op de waardevermindering voor [gedaagde] en de waardevermeerdering voor [eiser] op zijn plaats. [gedaagde] is van mening dat dit bedrag jaarlijks dient te worden geïndexeerd.

2.2.3.

Tot slot vermeerdert [gedaagde] zijn eis dat een eventueel op te leggen noodweg tegen een maandelijkse vergoeding van € 500,00 vanaf 1 december 2019 aan tijd gebonden zal zijn bijvoorbeeld voor de duur van een halfjaar of zolang de huidige bewoners er nog verblijven dan wel de huidige huurders van de winkelruimte nog gebruik maken van de begane grond als winkelruimte.

2.3.

Bij antwoordakte heeft [eiser] zich op het standpunt gesteld dat voor zover [gedaagde] in zijn akte aan de instructie van de rechtbank om zich uit te laten over de schadevergoeding voorbij gaat, dit buiten beschouwing dient te worden gelaten. Het is in strijd met de regels van een goede procesorde om terug te komen op een bindende eindbeslissing, aldus [eiser]

2.3.1.

voert verder aan dat uit de door [gedaagde] overgelegde verklaring van [naam 2] blijkt dat hij geen nader onderzoek heeft verricht. [naam 2] is volgens [eiser] blind gevaren op de door [gedaagde] aan hem verstrekte informatie. De in de verklaring opgenomen conclusies zijn ook niet nader onderbouwd. Daar komt volgens [eiser] bij dat door [naam 2] niet het door artikel 5:57 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) omschreven uitgangspunt van de waardevermindering is genomen. Aan de verklaring moet daarom voorbij worden gegaan volgens [eiser]

2.3.2.

Om een verdere discussie te voorkomen, stelt [eiser] zich op het standpunt dat een eventuele vergoeding op een bedrag ineens moet worden vastgesteld. De door [eiser] geraadpleegde makelaar [naam 3] heeft de waardevermindering van de grond echter op nihil vastgesteld. Hieraan is ten grondslag gelegd dat de noodweg kwalificeert als gebonden grond die ter dienste staat van het object en geen waarde vertegenwoordigt.

2.3.3.

Subsidiair stelt [eiser] zich op het standpunt dat de rechtbank ex aequo et bono een bedrag ineens moet vaststellen.

2.4.

De rechtbank oordeelt als volgt.

2.4.1.

Hoewel [gedaagde] aan zijn stelling dat de woonruimten, anders dan de rechtbank in het tussenvonnis in r.o. 4.7 heeft geoordeeld, wel degelijk bereikbaar zijn via de toegangsdeur van de schoenmakerij geen juridische consequenties heeft verbonden, begrijpt de rechtbank dat verweer aldus dat [gedaagde] zich op het standpunt stelt dat de rechtbank dient terug te komen op haar oordeel dat de verklaring voor recht dat er sprake is van een noodweg toewijsbaar is.

2.4.2.

Bij de beoordeling van de vraag of aanleiding bestaat terug te komen op de eerdere eindbeslissing wordt het volgende voorop gesteld. De eisen van een goede procesorde brengen mee dat de rechter aan wie is gebleken dat een eerdere door hem gegeven, maar niet in een einduitspraak vervatte eindbeslissing berust op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag, bevoegd is om, nadat partijen de gelegenheid hebben gekregen zich dienaangaande uit te laten, over te gaan tot heroverweging van die eindbeslissing, teneinde te voorkomen dat hij op een ondeugdelijke grondslag een einduitspraak doet (HR 25 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC2800).

2.4.3.

In de door [gedaagde] naar voren gebrachte stellingen ziet de rechtbank geen aanknopingspunten dat het oordeel dat er sprake is van een noodweg in het tussenvonnis van 9 september 2020 op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag berust. Redengevend hiervoor is dat de in de akte vervatte stellingen van [gedaagde] ook in een eerder stadium van de procedure reeds naar voren zijn gebracht en in het oordeel zijn meegewogen. Dat dit tot een juridisch onjuist oordeel heeft geleid, is niet gebleken. Met betrekking tot de stelling van [gedaagde] dat de boven de winkel gelegen woonruimten wel degelijk toegankelijk zijn via de winkelruimte, maakt ook dit het oordeel dat er sprake is van een noodweg niet anders. Niet in geschil is namelijk dat de winkelruimte is verhuurd aan een andere partij dan de bovengelegen woonruimten. Gelet op deze omstandigheid is het niet mogelijk om de bewoners van de woningen boven de winkel via de winkelruimte toegang tot hun woonruimte te verschaffen, wat verder ook zij van de vraag of deze toegangsdeur al dan niet aanwezig is. Het gaat immers om verschillende huurovereenkomsten. Bovendien heeft [eiser] weersproken dat een dergelijke doorgang thans nog mogelijk is.

2.4.4.

Van een onjuiste feitelijke of juridische grondslag is in het tussenvonnis dan ook geen sprake. Er is daarom geen reden terug te komen op de daarin opgenomen eindbeslissing over de noodweg. Om die reden zal ook aan het verzoek tot het gelasten van een descente voorbij worden gegaan.

2.5.

Partijen zijn in de gelegenheid gesteld zich nader uit te laten over de schade die de noodweg berokkent. Daarbij heeft de rechtbank geoordeeld dat de waardevermindering van de grond die als noodweg wordt gebruikt van belang is.

2.5.1.

De rechtbank overweegt dat de eigenaar van het door de noodweg te bezwaren erf, in casu [gedaagde] , recht heeft op vergoeding van schade en kan eisen dat de vergoeding vooraf wordt betaald of dat de betaling ervan vooraf is verzekerd (artikel 5:57 lid 1 BW). De op artikel 5:57 BW gebaseerde vordering tot schadevergoeding wordt beheerst door artikel 6:95 BW e.v.1 Onder schade kunnen de kosten van de aanleg van de weg, gederfde opbrengst van de grond waarover de weg loopt, immateriële schade (bijvoorbeeld wegens geluidsoverlast en/of stankoverlast) en de kosten van onderhoud van de noodweg worden begrepen.2 Het belangrijkste element van de schadevergoeding is de waardevermindering van de grond waarover de uitweg loopt, onder meer veroorzaakt door hinder die de eigenaars kunnen ondervinden indien van de uitweg gebruik wordt gemaakt. Volgens de Hoge Raad kan dat niet zonder meer gelijk worden gesteld met hetgeen die grond zonder een dergelijke belasting bij verkoop aan derden zou kunnen opbrengen.3 De eventuele waardevermeerdering van het erf dat door de noodweg wordt ontsloten, speelt bij de vaststelling van de schadevergoeding geen rol.

2.5.2.

Het is aan [gedaagde] om te stellen, en zo nodig te onderbouwen, waaruit de door hem geleden schade door de aanwijzing van een noodweg bestaat. In dat kader heeft [gedaagde] een verklaring van [naam 2] in het geding gebracht. De rechtbank oordeelt dat, anders dan het onder r.o. 2.5.1. weergegeven uitgangspunt, [naam 2] uitgaat van een waardevermeerdering van het pand van [eiser] Zoals reeds is overwogen, is een dergelijke waardevermeerdering bij de beoordeling van de schade aan de zijde van [gedaagde] niet relevant. Verder gaat [naam 2] uit van de huurprijs van de bovenwoningen en de waardevermeerdering die het gebruik van de noodweg oplevert. Ook dit is niet relevant voor de begroting van de schade aan de zijde van [gedaagde] .

2.5.3.

Nadere aanknopingspunten dat [gedaagde] door aanwijzing van de noodweg schade lijdt, zijn naar het oordeel van de rechtbank niet aanwezig. De aanwijzing tot noodweg ziet op een steeg. Deze steeg kan, ook bij het gebruik als noodweg door (de huurders van) [eiser] , nog steeds door [gedaagde] als zodanig worden gebruikt. Dat [gedaagde] door het enkele gebruik van de huurders van de bovenwoningen schade lijdt, is niet gebleken. Dit klemt temeer nu het een beperkt aantal personen is dat gebruik zal maken van de noodweg. Ter zake de door [gedaagde] gestelde overlast is door [eiser] naar voren gebracht dat er al geruime tijd niet meer over overlast is geklaagd en [gedaagde] heeft dat niet betwist en de gestelde overlast evenmin nader onderbouwd. Dat [gedaagde] door aanwijzing van de noodweg schade lijdt, is tegen deze achtergrond niet gebleken. Dit betekent dat de schadevergoeding op nihil zal worden gesteld.

2.5.4.

Nu de schadevergoeding op nihil wordt gesteld, kunnen de stellingen van partijen over de vraag of een eventuele vergoeding periodiek of ineens moet worden betaald buiten beschouwing worden gelaten.

2.5.5.

Bij vermeerdering van eis heeft [gedaagde] gevorderd dat de rechtbank een einddatum voor de duur van de noodweg vaststelt. Ook dit zal worden afgewezen. Volgens de Hoge Raad is de bevoegdheid tot het aanwijzen van een noodweg een rechtstreeks uit de wet voortvloeiende, de inhoud van het eigendomsrecht van de eigenaren van naburige erven nader bepalende, bevoegdheid.4 Dit brengt mee dat ook een rechtsopvolger onder bijzondere titel van de eigenaar van een met een noodweg bezwaard erf, behoudens het bepaalde in artikel 5:57 leden 3 en 4 BW, gebonden is aan de met inachtneming van lid 3 van artikel 57 BW gedane aanwijzing van de noodweg en dus die noodweg heeft te dulden, ook indien hij met het bestaan van die noodweg niet bekend was en van die aanwijzing geen inschrijving is gedaan in de openbare registers.5 Een noodweg vervalt, hoelang hij ook heeft bestaan, zodra hij niet meer nodig is, aldus artikel 5:57 lid 5 BW. Een termijn verbinden aan de noodweg zal, nu niet is gesteld noch gebleken dat de noodzaak van de noodweg binnen afzienbare tijd niet meer aan de orde is, worden afgewezen.

2.5.6.

[gedaagde] heeft geen gemotiveerd verweer gevoerd tegen de door [eiser] gevorderde dwangsom. De dwangsom zal worden toegewezen en gemaximeerd zoals in het dictum staat omschreven.

2.5.7.

[gedaagde] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de kosten van de procedure worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] in conventie worden vastgesteld op:

- dagvaarding € 99,01

- griffierecht 297,00

- salaris advocaat 1.086,00 (2 punten × tarief € 563,00)

Totaal € 1.522,01.

De kosten aan de zijde van [eiser] in reconventie worden vastgesteld op:

- salaris advocaat € 678,75 (2,5 punten × factor 0,5 × tarief € 563,00)

Totaal € 703,75.

3 De beslissing

De rechtbank

in conventie

3.1.

verklaart voor recht dat er sprake is van een recht van noodweg met betrekking tot de gang die is gelegen tussen de percelen van partijen gelegen aan het [straatnaam 1] [huisnummer 1] / [huisnummer 2] en [huisnummer 3] enerzijds en het [straatnaam 1] [huisnummer 4] te Groningen anderzijds;

3.2.

verbiedt [gedaagde] om de toegangspoort die toegang geeft tot de gang die is gelegen tussen de percelen van partijen gelegen aan het [straatnaam 1] [huisnummer 1] / [huisnummer 2] en [huisnummer 3] enerzijds en het [straatnaam 1] [huisnummer 4] te Groningen anderzijds af te sluiten dan wel op enigerlei andere wijze aan [eiser] en zijn huurders te verhinderen dat zij gebruik kunnen maken van deze gang op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000,00 voor iedere overtreding van dit verbod tot een maximum van € 100.000,00 is bereikt;

3.3.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden vastgesteld op € 1.522,01,

3.4.

verklaart dit vonnis in conventie voor wat betreft de veroordelingen onder 3.2. en 3.3. uitvoerbaar bij voorraad,

3.5.

wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

3.6.

wijst de vorderingen van [gedaagde] af;

3.7.

veroordeelt [gedaagde] in de kosten van de procedure, aan de zijde van [eiser] tot op heden vastgesteld op € 703,75,

3.8.

verklaart dit vonnis in reconventie wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in conventie en in reconventie

3.9.

veroordeelt [gedaagde] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 246,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat hij niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

3.10.

verklaart de veroordeling onder 3.9. uitvoerbaar bij voorraad,

3.11.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. N.A. Baarsma en in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2021.6