Home

Rechtbank Noord-Holland, 03-11-2021, ECLI:NL:RBNHO:2021:10254, 8709503 \ CV EXPL 20-4107

Rechtbank Noord-Holland, 03-11-2021, ECLI:NL:RBNHO:2021:10254, 8709503 \ CV EXPL 20-4107

Gegevens

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
3 november 2021
ECLI
ECLI:NL:RBNHO:2021:10254
Zaaknummer
8709503 \ CV EXPL 20-4107

Inhoudsindicatie

CAK vordert eigen bijdragen voor door gemeente toegekende vervoersvoorziening. Beschikkingen en facturen hebben formele rechtskracht, zodat kantonrechter moet uitgaan van de juistheid daarvan.

Uitspraak

Handel, Kanton en Bewind

locatie Alkmaar

Zaaknr./rolnr.: 8709503 \ CV EXPL 20-4107 BL

Uitspraakdatum: 3 november 2021

Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:

de publiekrechtelijke rechtspersoon zelfstandig bestuursorgaan CAK

gevestigd te ’s-Gravenhage

eiseres

verder te noemen: CAK

gemachtigde: GGN Mastering Credit B.V.

tegen

[gedaagde]

wonende te [woonplaats]

gedaagde

verder te noemen: [gedaagde]

procederend in persoon

De zaak in het kort

CAK vordert eigen bijdragen voor een vervoersvoorziening die de gemeente aan [gedaagde] heeft toegekend. De beschikkingen waarin CAK die eigen bijdragen heeft vastgesteld en de daarop gebaseerde facturen hebben formele rechtskracht gekregen. De kantonrechter moet daarom uitgaan van de juistheid daarvan. Dit betekent dat de vordering van CAK moet worden toegewezen, met uitzondering van twee facturen waarvoor [gedaagde] in een eerder vonnis al is veroordeeld tot betaling.

1 Het procesverloop

1.1.

CAK heeft bij dagvaarding van 28 juli 2020 een vordering tegen [gedaagde] ingesteld. [gedaagde] heeft schriftelijk geantwoord.

1.2.

CAK heeft hierop schriftelijk gereageerd, waarna [gedaagde] een schriftelijke reactie heeft gegeven en nadere stukken heeft overgelegd.

1.3.

Op 24 februari 2021 heeft de kantonrechter een tussenvonnis gewezen. Naar aanleiding daarvan heeft CAK zich op 24 maart en 6 oktober 2021 bij akte uitgelaten.

2 De feiten

2.1.

In 2015 en 2016 hebben [gedaagde] en de gemeente [xxx] (verder: de gemeente) geprocedeerd over een besluit van de gemeente met betrekking tot de ‘gesloten buitenwagen’ van [gedaagde] (hierna: de Canta). Tijdens de zitting van het hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep op 29 november 2017 is in die kwestie een schikking tot stand gekomen. De afspraken tussen [gedaagde] en de gemeente zijn toen door de Centrale Raad van Beroep vastgelegd in een proces-verbaal.

2.2.

In vervolg daarop schrijft de gemeente in een beschikking van 2 februari 2018 – voor zover in deze zaak van belang – het volgende aan [gedaagde] .

“(…) Wat hebben wij tijdens de zitting samen met u afgesproken • U ontvangt maandelijks van de gemeente een tegemoetkoming van € 93,75. Dit bedrag ontvangt u in plaats van een vervoersbudget en een scootmobiel. U ontvangt dit bedrag zolang u een eigen Canta heeft waarmee u zich kunt verplaatsen. (…) • Voor de tegemoetkoming, dat u ontvangt in de plaats van een scootmobiel (€ 50,--), moet u één een eigen bijdrage betalen. De eigen bijdrage wordt door het CAK (Centraal administratiekantoor) vastgesteld en geïnd. (…)

Besluit Naar aanleiding van de afspraken zoals die omschreven staan in het Proces verbaal hebben wij besloten om aan u maandelijks een bedrag toe te kennen van € 93,75. (Waarvan € 50,-- in plaats van een scootmobiel en € 43,75 in plaats van een vervoersbudget.) Dit met ingang van 1 november 2017, de eerste dag van de maand waarin wij tot een schikking zijn gekomen. Met dit bedrag kunt u tegemoetkomen in de kosten van de Canta. De voorziening eindigt wanneer u niet meer kunt beschikken over- of geen gebruik meer kunt maken van de Canta.

(…)

Eigen bijdrage U bent een eigen bijdrage verschuldigd in de kosten voor (een deel van) deze voorziening. Uw wijkteamconsulent heeft u tijdens het huisbezoek op 3 oktober 2016 en 22 maart 2017 uitleg gegeven over de systematiek van de eigen bijdrage. (…)”

2.3.

Vervolgens heeft CAK op 27 maart 2018 bij ‘Beschikking Wmo 2018’ de door [gedaagde] verschuldigde eigen bijdrage vanaf periode 1 van 2018 bepaald op maximaal € 17,60 per vier weken. Tegen deze beschikking van CAK heeft [gedaagde] bezwaar gemaakt. Bij beslissing van 6 juni 2018 heeft CAK dit bezwaar ongegrond verklaard. Tegen deze beslissing op bezwaar heeft [gedaagde] geen beroep ingesteld.

2.4.

Op 1 maart 2019 heeft CAK bij ‘Beschikking Wmo 2019’ de door [gedaagde] verschuldigde eigen bijdrage vanaf periode 1 van 2019 bepaald op maximaal € 17,50 per vier weken. Hiertegen heeft [gedaagde] geen bezwaar gemaakt.

2.5.

In een factuur van 7 januari 2020 met kenmerk 140377711900012 heeft CAK de eigen bijdrage van € 17,50 voor de periode 12-2019 aan [gedaagde] in rekening gebracht. [gedaagde] heeft hiertegen bezwaar gemaakt met een brief die op 10 februari 2020 door de sector bestuursrecht van de rechtbank Noord-Holland is ontvangen, en in mei 2020 is doorgezonden aan CAK. Bij beslissing van 21 augustus 2020 heeft CAK dit bezwaar ongegrond verklaard.

2.6.

In een factuur van 7 februari 2020 met kenmerk 140377711900013 heeft CAK de eigen bijdrage van € 17,50 voor de periode 13-2019 aan [gedaagde] in rekening gebracht. Ook hiertegen heeft [gedaagde] bezwaar gemaakt, met een brief van 20 mei 2020. CAK heeft bij beslissing van 22 juli 2020 [gedaagde] niet-ontvankelijk verklaard, omdat [gedaagde] haar bezwaar te laat had ingediend. Hiertegen heeft [gedaagde] beroep ingesteld bij de bestuursrechter te Haarlem. Deze heeft in een uitspraak van 14 september 2021 geoordeeld – samengevat – dat [gedaagde] haar bezwaar bij CAK te laat heeft ingediend, en bovendien CAK slechts zijn wettelijke taak tot het innen van de eigen bijdrage uitvoert, zodat [gedaagde] zich niet tot CAK maar tot de gemeente moet wenden als zij het niet eens is met (de hoogte van) haar Wmo-voorziening. Het beroep is daarom ongegrond verklaard.

3 De vordering en het verweer

3.1.

CAK vordert dat de kantonrechter [gedaagde] veroordeelt tot betaling van € 335,97, en legt aan de vordering – kort weergegeven – het volgende ten grondslag. [gedaagde] heeft in 2018 en 2019 gebruik gemaakt van een Wmo voorziening. De eigen bijdrage die [gedaagde] daarvoor verschuldigd is, heeft zij tot een bedrag van in totaal € 280,30 onbetaald gelaten, ondanks herhaalde aanmaning. Daarom is [gedaagde] ook wettelijke rente (tot dagvaarding berekend op € 4,80) en buitengerechtelijke incassokosten (€ 50,87) verschuldigd.

3.2.

[gedaagde] betwist de vordering, en voert daartoe – samengevat – het volgende aan. [gedaagde] heeft twee vervoersvoorzieningen die haar eigendom zijn. De tweede voorziening wordt niet ondersteund door de gemeente. Voor de verzekering van beide voorzieningen betaalt [gedaagde] € 2.102,16 per jaar, aan de ANWB twee maal € 158,00 per jaar en daarnaast maakt [gedaagde] kosten voor reparatie, onderhoud, stroom, benzine en afschrijving. Dit kan [gedaagde] allemaal niet betalen van haar AOW-uitkering. Uit de CAK specificaties blijkt dat CAK € 599,99 per vier weken aan de gemeente betaalt voor de voorziening van [gedaagde] , terwijl [gedaagde] maar € 93,75 krijgt. De rest verdonkeremaant de gemeente. [gedaagde] is gerechtigd tot deze € 599,99, want zij maakt alle kosten voor haar vervoersvoorziening, niet de gemeente. CAK moet voor haar vordering bij de gemeente zijn. [gedaagde] heeft de kwestie voorgelegd aan de (bestuurs)rechter te Haarlem en de Centrale Raad van Beroep in Utrecht.

4 De beoordeling

5 De beslissing