Home

Rechtbank Noord-Holland, 01-06-2018, ECLI:NL:RBNHO:2018:4472, AWB - 17 _ 419

Rechtbank Noord-Holland, 01-06-2018, ECLI:NL:RBNHO:2018:4472, AWB - 17 _ 419

Gegevens

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
1 juni 2018
Datum publicatie
1 juni 2018
ECLI
ECLI:NL:RBNHO:2018:4472
Zaaknummer
AWB - 17 _ 419
Relevante informatie
Wet op de Ruimtelijke Ordening [Tekst geldig vanaf 01-07-2008] [Regeling ingetrokken per 2008-07-01]

Inhoudsindicatie

Betreft een verzoek om tegemoetkoming in planschade als gevolg van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan ‘Bergen, Dorpskern Zuid’.

Uitspraak

Zittingsplaats Alkmaar

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 17/419

(gemachtigde: ing. F. Zomers),

en

(gemachtigde: mr. P.J.M. Hink).

Procesverloop

Bij besluit van 5 juli 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiser om een tegemoetkoming in planschade afgewezen.

Bij besluit van 15 december 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 januari 2018. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld van mr. E. Wiarda en C.R. Leenstra. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld van mr. T. ten Have. Het beroep is volgtijdelijk op zitting behandeld met de procedures 14/5318, 15/5543, 15/5545 en 17/473.

Overwegingen

1.1

Eiser is sinds 8 juni 2005 eigenaar van het perceel [adres] . Op het perceel geldt sinds de inwerkingtreding op 12 juni 2009 (peildatum) het bestemmingsplan ‘Bergen, Dorpskern Zuid’ (hierna: het nieuwe bestemmingsplan). Het perceel heeft de bestemming Wonen-Westdorp (artikel 26 van het nieuwe bestemmingsplan) met de aanduiding natuur- en landschapswaarden. Daarvoor gold het bestemmingsplan ‘Uitbreidingsplan gemeente Bergen N.H.’ (hierna: het oude bestemmingsplan) dat op 16 november 1937 was vastgesteld. Onder dit bestemmingsplan was het perceel bestemd voor Villa’s en Landhuizen (artikel 4 van het oude bestemmingsplan). Eiser stelt schade te lijden in de vorm van waardevermindering van zijn woning als gevolg van de inwerkingtreding van het nieuwe bestemmingsplan.

1.2

Eiser heeft bij brief van 14 augustus 2015, ontvangen door verweerder op diezelfde datum, een verzoek om tegemoetkoming in planschade ingediend.

2. Verweerder heeft naar aanleiding van de aanvragen om een tegemoetkoming in planschade advies gevraagd aan Ten Have Advies v.o.f. (hierna: Ten Have).

Ten Have heeft geadviseerd tot afwijzing van de aanvraag. Hoewel zij geen toegang heeft verkregen tot eisers woning voor een inpandige bezichtiging en Ten Have meent dat zij derhalve niet toekomt aan een waardebepaling, heeft Ten Have geconcludeerd dat het planologisch voordeel als gevolg van de afname van de forse bouwmogelijkheden op de belendende percelen dusdanig groot is, dat dit het voor eiser ontstane planologisch nadeel als gevolg van het afnemen van de bouwmogelijkheden op het eigen perceel overstijgt. Aldus is volgens Ten Have aannemelijk dat de effecten van de planologische wijzigingen per saldo niet leiden tot planschade.

Verweerder heeft de advisering aan zijn primaire besluit ten grondslag gelegd.

3. Verweerder heeft het bezwaar in navolging van het advies van de commissie van advies voor de bezwaarschriften (de commissie) ongegrond verklaard. Volgens de commissie voldoet de advisering van Ten Have aan de zorgvuldigheids- en motiveringseisen en doen de in bezwaar overgelegde stukken niet twijfelen aan de juistheid en volledigheid van de advisering van Ten Have. Verweerder mocht de advisering dan ook aan zijn besluitvorming ten grondslag leggen. Daarbij heeft verweerder nog gesteld dat, anders dan eiser heeft aangevoerd, hij uitgaat van de deskundigheid en onpartijdigheid van Ten Have.

4.1

Eiser heeft aangevoerd dat de commissie in bezwaar ten onrechte marginaal heeft getoetst.

4.2

Hoewel de commissie in haar advies aangeeft dat zij het planschadedossier marginaal heeft beoordeeld, stelt de rechtbank vast dat de commissie in het advies tevens aangeeft dat zij alle op deze bezwaarprocedure betrekking hebbende stukken, inclusief alle documenten van gemachtigde, heeft beoordeeld en dat er geen redenen zijn gevonden om te twijfelen aan het objectieve en onpartijdige advies van Ten Have. Volgens de commissie kan in zijn algemeenheid worden gesteld dat de methodiek en systematiek die Ten Have in haar advies hanteert goed navolgbaar is. De commissie stelt dat Ten Have, anders dan eiser, consequent uitgaat van planologische maximalisatie. Hetgeen eiser in bezwaar heeft aangedragen doet de commissie niet twijfelen aan de juistheid of volledigheid van het advies van Ten Have. Naar het oordeel van de rechtbank kan, gelet op deze motivering en het feit dat in bezwaar geen contra-expertises zijn overgelegd, niet worden gesteld dat de commissie in dit geval het bezwaar slechts marginaal heeft getoetst. Deze beroepsgrond slaagt dan ook niet.

5. Eiser heeft verder aangevoerd dat verweerder de advisering van Ten Have niet aan zijn besluitvorming ten grondslag mocht leggen. Eiser stelt zich op het standpunt dat Ten Have niet als ter zake deskundig kan worden beschouwd.

6. De rechtbank heeft eerder het op vergelijkbare gronden ingenomen standpunt dat Ten Have niet als deskundige kan worden aangemerkt, verworpen. Verwezen wordt naar rechtsoverweging 5.2 van de uitspraak van 30 maart 2017 (ECLI:NL:RBNHO:2017:2646). De rechtbank blijft bij dit oordeel.

7. In beroep heeft eiser contra-expertises overgelegd van mr. E. Wiarda van Langhout & Wiarda juristen/rentmeesters (hierna: Wiarda) en C.R. Leenstra van Leenstra Taxaties O.G. (hierna: Leenstra). Wiarda komt tot de conclusie dat het wegvallen van bouwmogelijkheden op het eigen perceel leidt tot een niet onaanzienlijk planologisch nadeel. Ten Have heeft volgens Wiarda aan het planologisch voordeel van de afname van de bouwmogelijkheden op de belendende percelen een te hoge waarde toegekend. Voorts is ten aanzien van het gebruik sprake van enig planologisch nadeel, nu het gebruik van de gronden voor kleinschalige bedrijfsactiviteiten en huis-aan-huis beroepen onder het nieuwe bestemmingsplan is beperkt tot 55 m2. Ook ten aanzien van de situeringswaarde is sprake van planologisch nadeel, nu het nieuwe bestemmingsplan afbreuk doet aan het open en villawijk-achtige karakter van de omgeving doordat het dichtere bebouwing toestaat. Leenstra heeft op basis van de advisering van Wiarda een taxatie gemaakt en geconcludeerd dat de waarde van de woning als gevolg van het nieuwe regime fors is gedaald.

De planvergelijking

8.1

De rechtbank stelt vast dat, nu Ten Have ter zitting heeft laten weten dat volgens haar een nagenoeg aaneengesloten bebouwing onder het nieuwe bestemmingsplan mogelijk is, ten aanzien van de planvergelijking tussen partijen nog in geschil is of (vrijstaande) bijgebouwen onder het oude bestemmingsplan waren toegelaten.

8.2

Net als in de uitspraak van 30 maart 2017 is de rechtbank ook thans van oordeel dat onder het oude bestemmingsplan op gronden met de bestemming ‘Villa’s en Landhuizen’ bebouwing met (vrijstaande) bijgebouwen was toegestaan, mits de eisen omtrent de terreinbreedte en de verhouding tussen bebouwd en onbebouwd terrein in acht werden genomen. De rechtbank leidt dit allereerst af uit de tekst van artikel 4 van het oude bestemmingsplan. Onder ten tweede wordt aan het hoofdgebouw op de bestemming ‘Villa’s en Landhuizen’ een minimum inhoudsmaat gesteld. Het noemen van het hoofdgebouw veronderstelt dat naast een hoofdgebouw ook nog andere bebouwing mogelijk is. Hoewel artikel 4 onder ten eerste vermeldt dat gronden met de bestemming ‘Woningen’ uitsluitend zijn aangewezen voor bebouwing met woningen, mogen naast woningen als hoofdgebouw bijgebouwen worden opgericht. Dat blijkt uit het feit dat aan het oprichten van bijgebouwen beperkingen zijn gesteld. Dat artikel 4 onder ten tweede bepaalt dat de gronden uitsluitend zijn aangewezen voor villa’s en landhuizen, kan dus niet inhouden dat daarmee het oprichten van vrijstaande bijgebouwen niet is toegestaan. Daarnaast is het ook niet goed voorstelbaar dat de planwetgever in 1937 het wel mogelijk heeft willen maken op ruime terreinen grote villa’s en landhuizen op te richten, maar bijgebouwen zoals een vrijstaande garage, werkruimte, schuur of gastenverblijf niet heeft willen toestaan. Dat in meer recente bestemmingsplannen een andere wijze van het omschrijven van toegestane bebouwing gebruikelijk is, waar verweerder op heeft gewezen, leidt niet tot een ander oordeel. Datzelfde geldt voor het gegeven dat verweerder onder het oude regime bijgebouwen vergunde met een vrijstelling op grond van artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening. Omdat Ten Have er in haar planvergelijking vanuit is gegaan dat (vrijstaande) bijgebouwen onder het oude bestemmingsplan niet waren toegestaan, is haar planvergelijking op dit punt onjuist. Verweerder mocht deze planvergelijking dan ook in zoverre niet volgen.

8.3

De rechtbank volgt partijen in hun standpunt dat er een planologisch nadeel is ten aanzien van de mogelijkheid tot het oprichten van aan-, uit- en bijgebouwen. Onder het oude regime bestonden binnen de 1:1-verhouding ruime mogelijkheden voor het oprichten hiervan. Onder het nieuwe regime is dit, afhankelijk van de grootte van het bouwperceel, beperkt tot ten hoogste 55 m2 tot 75 m2.

8.4

De rechtbank volgt eiser en de door hem ingeschakelde deskundigen niet in hun betoog dat de omgevingskarakteristiek kan worden aangetast als gevolg van het nieuwe bestemmingsplan. Ten Have heeft er naar het oordeel van de rechtbank terecht op gewezen dat het bebouwingspercentage van 35% in het nieuwe bestemmingsplan de bebouwbare oppervlakte van het perceel limiteert. Mede bezien in relatie tot de grote kavels is niet aannemelijk dat maximale invulling onder het nieuwe bestemmingsplan leidt tot aantasting van het open en villawijk-achtige karakter van de omgeving, zoals eiser en zijn deskundigen stellen. Daarbij neemt de rechtbank ook in aanmerking dat onder het oude regime de toegestane bouwhoogte en bouwvolume evenzeer afbreuk konden doen aan de omgevingskarakteristiek als hier bedoeld. In zoverre is het nieuwe bestemmingsplan dan ook niet planologisch nadeliger.

De taxatie

9.1

Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft overwogen (bijvoorbeeld de uitspraak van 9 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:655), zijn inzichten van een taxateur gebaseerd op diens kennis en ervaring, zodat een nadere toelichting op die inzichten niet in alle gevallen kan worden verlangd. Wel mag worden verlangd dat de gedachtegang duidelijk en voldoende controleerbaar is en dat het verslag van het onderzoek voldoende basis biedt voor verdere besluitvorming.

9.2

Kort gezegd golden onder het oude bestemmingsplan slechts beperkingen in de vorm van een minimum terreinbreedte en een verhouding van 1:1 tussen bebouwd en onbebouwd terrein en een minimale inhoud van de woning van 550 m3. Daarnaast gold op grond van de Bouwverordening een maximum hoogte van 15 meter. Onder het nieuwe bestemmingsplan mag de inhoud van een hoofdgebouw ten hoogste 2.200 m3 bedragen en geldt een bouwhoogte van maximaal 10 meter. Verder mag het bouwperceel ten hoogste voor 35% worden bebouwd en mag het hoofdgebouw niet breder zijn dan de helft van de breedte van het bouwperceel. Voorts moet binnen het bouwvlak worden gebouwd.

9.3.1

De rechtbank stelt vast dat Ten Have in haar advies aangeeft dat vanwege het niet mogen bezichtigen in de woning - mede gelet op het unieke karakter van de woning en het hogere prijssegment waartoe eisers woning behoort - het niet goed mogelijk is om tot een waardebepaling te komen. Desalniettemin concludeert Ten Have op basis van de meest ongunstige invulling van het planologische regime dat de woning van eiser onder het nieuwe regime in waarde is gestegen, hetgeen zij verder niet cijfermatig heeft onderbouwd of anderszins in omvang heeft geduid. De waardestijging is het gevolg van het wegvallen van bouwmogelijkheden op de buurpercelen. Het wegvallen van bouwmogelijkheden op het eigen perceel vertegenwoordigt volgens Ten Have geen waarde. Onder het nieuwe bestemmingsplan kan, in aanmerking genomen de ontheffingsbevoegdheid ten behoeve van geringe afwijkingen (artikel 36, eerste lid aanhef en onder a, van het nieuwe bestemmingsplan), nog altijd een hoofdgebouw met een inhoud van 2.420 m3 worden gerealiseerd. Een groter volume bouwen is volgens Ten Have niet rendabel en krijgt geen doorvertaling in de verkoopprijs, zo stelt zij aan de hand van de door Arcadis berekende herbouwkosten, die zijn gebaseerd op het BouwkostenKompas. Aldus leidt het wegvallen van bouwmogelijkheden op het eigen perceel volgens Ten Have niet tot schade.

9.3.2

Leenstra heeft erop gewezen dat in de advisering van Ten Have veel te hoge herbouwkosten worden gehanteerd en dat haar conclusie dat een groter bouwvolume dan 2.420 m3 niet rendabel is, dan ook niet houdbaar is. Leenstra gaat uit van bouwkosten van Reed Business en het Nederlands Bouwkosten Instituut en komt uit op veel lagere herbouwkosten. Dat brengt Leenstra tot de conclusie dat het bouwen van een bouwvolume van 4000 à 5000 m3 op deze locatie reëel is.

9.3.3

Naar het oordeel van de rechtbank biedt de contra-expertise van Leenstra op dit punt aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid van de door Ten Have overgenomen cijfers van Arcadis en daarmee aan haar conclusie dat meer bouwvolume dan maximaal is toegestaan op grond van het nieuwe bestemmingsplan niet rendabel is op deze locatie. Hoewel op zichzelf aannemelijk is dat zich ergens een omslagpunt bevindt met betrekking tot de rentabiliteit van bouwvolume, heeft Ten Have haar conclusie, dat dit omslagpunt reeds bij een bouwvolume van 2.420 m3 is bereikt, niet inzichtelijk gemaakt. De rechtbank gaat overigens, anders dan partijen, uit van een maximaal bouwvolume van 2.200 m3 - exclusief de binnenplanse ontheffingsmogelijkheid - gelet op het bepaalde in artikel 6.1, zesde lid, van de Wro.

9.4

Ten Have heeft voorts gesteld dat het wegvallen van bouwmogelijkheden op de buurpercelen leidt tot een waardestijging van de woning, in ieder geval zodanig dat dit het planologisch nadeel overstijgt. De rechtbank is van oordeel dat Ten Have niet inzichtelijk heeft gemaakt hoe de beoordeling van de planologische voor- en nadelen tot stand is gekomen en wat de omvang van dit planologisch voordeel is. Dit maakt het voor de rechtbank niet controleerbaar en evenmin is inzichtelijk gemaakt dat het niet nader in omvang vastgestelde voordeel de nadelen overstijgt. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het advies van Ten Have niet voldoet aan de uitgangspunten genoemd in de onder rechtsoverweging 9.1 aangehaalde jurisprudentie.

9.5

Gelet op het voorgaande, is het standpunt van Ten Have dat het planologisch voordeel het planologisch nadeel overstijgt onvoldoende controleerbaar en inzichtelijk. Verweerder mocht haar advies dan ook niet aan zijn besluitvorming ten grondslag leggen.

9.6

De rechtbank kan Ten Have wel volgen in haar ter zitting gegeven toelichting dat de mogelijkheid van nagenoeg aaneengesloten bebouwing onder het nieuwe bestemmingsplan geen invloed heeft op de prijs vanwege de afstand van de bebouwing tot de weg. De bebouwing moet immers achter de voorgevelrooilijn worden gerealiseerd, die op ruime afstand van de weg is gelegen.

9.7

Voor zover door eiser is verwezen naar een groot aantal schadecomponenten die ook in de verzoeken om een tegemoetkoming in planschade zijn genoemd, waaronder een beperking van kapvormen, diepte van het hoofdgebouw en erfafscheidingen, stelt de rechtbank vast dat de door eiser ingeschakelde adviseurs ten aanzien van die aspecten, evenals Ten Have, geen planologisch nadeel hebben geconstateerd. Om die reden slagen de daartegen gerichte beroepsgronden niet.

9.8.1

Ten Have heeft voorts gesteld dat het planologisch nadeel door de beperkingen aan het oprichten van aan- en bijgebouwen gedeeltelijk anderszins is verzekerd, nu vergunningvrij bouwen mogelijk is. Eiser betwist dit en stelt dat als gevolg van de aanduiding ‘natuur- en landschapswaarden’ op hun perceel geen sprake is van ‘erf’ in de zin van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht en dat vergunningvrij bouwen derhalve niet is toegestaan.

9.8.2

Anders dan eiser stelt levert de aanduiding ‘natuur- en landschapswaarden’ geen bouw- of aanlegverbod op. De aanduiding stelt wel beperkingen aan het bouwen van bepaalde bouwwerken, zoals paardenbakken en onoverdekte zwembaden, maar niet aan het oprichten van aan- en bijgebouwen. Het nieuwe bestemmingsplan verbiedt dan ook niet het gebruik als erf. Ondanks deze aanduiding heeft het perceel van eiser dan ook een erf waarop vergunningvrij bouwen mogelijk is. Gelet hierop kan de rechtbank de gedachtegang van Ten Have volgen.

9.9

De beperking die het nieuwe bestemmingsplan stelt aan het uitoefenen van beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten, is volgens Ten Have niet van invloed op de waarde van de woning. Daarbij acht zij van belang dat deze beperking ook geldt voor de woningen op naburige percelen. De rechtbank kan deze gedachtegang van Ten Have volgen. Dat Leenstra dit aanmerkt als een geringe planologische verslechtering waarvan hij de schade taxeert op € 10.000,-, leidt niet tot een ander oordeel.

Slotsom

10.1

Nu verweerder de advisering van Ten Have, gelet op het voorgaande, niet aan zijn besluit ten grondslag heeft kunnen leggen, is het beroep gegrond en moet het bestreden besluit worden vernietigd.

10.2

Eiser heeft de rechtbank voorgesteld om zelf in de zaak te voorzien op basis van de door hem overgelegde contra-expertises. De rechtbank volgt de conclusie van Leenstra, dat de planologische wijziging leidt tot een forse waardevermindering, echter niet. Leenstra is in zijn koopsommenonderzoek - welk onderzoek de basis vormt voor zijn waardebepaling - uitgegaan van gerealiseerde koopsommen, waarop een correctie is toegepast voor de marktontwikkeling. Daaruit blijkt niet dat Leenstra bij het bepalen van de marktwaarde onder het oude bestemmingsplan rekening heeft gehouden met de maximale invulling van dat bestemmingsplan, waarbij moet worden uitgegaan van forse bebouwing op de naburige percelen. De rechtbank acht het niet reëel te veronderstellen dat een redelijk denkende en handelende koper de planologische mogelijkheden onder het oude bestemmingsplan in zijn koopprijs heeft verdisconteerd. Aldus hadden de gerealiseerde verkoopprijzen van vóór de peildatum moeten worden gecorrigeerd met inachtneming van planmaximalisatie. Dat heeft Leenstra in zijn onderzoek niet meegenomen. De verwijzing van eiser naar een uitspraak met betrekking tot de Wet waardering onroerende zaken (Woz) treft geen doel, nu de Woz niet uitgaat van planmaximalisatie, hetgeen voor beoordeling van een aanvraag om een tegemoetkoming in planschade het uitgangspunt is. De rechtbank zal dan ook niet zelf in de zaak voorzien door een tegemoetkoming in planschade vast te stellen op basis van de taxatie van Leenstra.

10.3

Omdat in negen vergelijkbare zaken, waarin de rechtbank op 30 maart 2017 uitspraak heeft gedaan, reeds hoger beroep is ingesteld bij de Afdeling en partijen hebben aangegeven dat hoger beroep tegen de volgende uitspraken van de rechtbank in de rede ligt bij een vergelijkbare uitkomst, ziet de rechtbank geen mogelijkheden voor definitieve geschilbeslechting. De rechtbank zal derhalve verweerder opdragen een nieuw besluit te nemen op basis van een nieuwe taxatie met inachtneming van hetgeen is overwogen in deze uitspraak. Vanwege het te verwachten hoger beroep gaat deze opdracht pas in na het onherroepelijk worden van deze uitspraak. De rechtbank hecht er nog belang aan te benadrukken dat van een aanvrager om planschade mag worden verwacht dat hij de benodigde medewerking verleent aan de beoordeling van zijn aanvraag. Het inpandig bezichtigen van de woning door de planschadeadviseur is daarbij geen onredelijke eis. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat eisers alsnog de voor de taxatie vereiste medewerking zullen verlenen. Doen zij dat niet dan zullen zij er rekening mee moeten houden dat dit tot afwijzing van het verzoek om een tegemoetkoming in planschade zal kunnen leiden.

Kosten

11. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

12.1

De rechtbank veroordeelt verweerder in de gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.002,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 501,- en een wegingsfactor 1). De ter zitting behandelde zaken waarin proceskosten dienen te worden vergoed, worden beschouwd als samenhangend in de zin van artikel 3 van het Besluit, op grond waarvan voor vier of meer samenhangende zaken een factor 1,5 geldt. De totale kosten voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand komen derhalve op € 1.503,-. In deze zaken dient verweerder per zaak een vijfde deel daarvan te betalen, zijnde € 300,60.

12.2

Eiser heeft voorts gevraagd om een vergoeding van de kosten die de door hem inschakelde deskundigen bij hem in rekening hebben gebracht. Deze opgevoerde kosten houden verband met het voorbereiden van de zitting, de reistijd en het bijwonen van de zitting.

Ook zijn de kosten van de in beroep ingediende contra-expertises opgevoerd.

De rechtbank ziet aanleiding een vergoeding toe te kennen voor het bijwonen van de zitting door Wiarda en Leenstra. Daarbij gaat de rechtbank ervan uit dat de reiskosten en de reistijd zijn gemaakt voor alle vijf zaken die op de zitting zijn behandeld. Deze kosten worden over deze zaken omgeslagen.

Voor Wiarda geldt een bedrag van € 54,16 voor een retour, voor Leenstra geldt een bedrag van € 53,60 voor een retour. De bedragen zijn vastgesteld op een tarief waarvan de hoogte gelijk is aan de reiskosten per openbaar middel van vervoer, laagste klasse. Gelet op het bepaalde in artikel 11, vierde lid, van het Besluit tarieven in strafzaken 2003, dient verweerder per zaak één vijfde deel te vergoeden, te weten € 21,55.

Op grond van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b, van het Besluit, gelezen in samenhang met artikel 8:36, tweede lid, van de Awb dient het bedrag van de te vergoeden deskundigenkosten te worden vastgesteld overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens de Wet tarieven in strafzaken. Op grond van artikel 6 van het Besluit tarieven in strafzaken 2003 geldt voor werkzaamheden waarvoor geen speciaal tarief is bepaald, naar gelang de werkzaamheden niet of in meer of mindere mate van wetenschappelijke of bijzondere aard zijn, een tarief van ten hoogste - ten tijde hier van belang - € 121,95 per uur (exclusief btw). Voor tijdsverzuim geldt op grond van artikel 8, eerste lid, onder d, eveneens een tarief van € 121,95 per uur (exclusief btw).

Eiser heeft een factuur overgelegd van de contra-expertises van Wiarda en Leenstra ten bedrage van € 1.500,- (exclusief btw). De factuur is niet naar uren gespecificeerd. Uitgaande van het voornoemde uurtarief van € 121,95 komt het factuurbedrag omgerekend neer op ongeveer 12 uur. De rechtbank acht dit niet onredelijk en zal daarom verweerder opdragen een bedrag van € 1.770,71 (12 uur x € 121,95 + 21% btw) te vergoeden in verband met de door eiser in beroep overgelegde contra-expertises.

De reistijd van Wiarda bedraagt volgens de factuur 4 uur en levert daarmee een totale vergoeding voor de zitting op van € 590,24 (4 x € 121,95 + 21% btw). De reistijd van Leenstra bedraagt volgens diens factuur eveneens 4 uur, hetgeen een vergoeding van € 590,24 (4 x € 121,95 + 21% btw) betekent. Daarvan dient verweerder per zaak één vijfde deel te vergoeden, te weten € 118,05 voor de reistijd van Wiarda en € 118,05 voor de reistijd van Leenstra.

Gelet op de inhoudelijke samenhang en overlap tussen de verschillende zaken, acht de rechtbank een vergoeding van een half uur voorbereidingstijd per zaak in dit geval redelijk. Per zaak komt dit neer op € 73,78 (0,5 x € 121,95 + 21% btw) per deskundige.

De rechtbank komt, uitgaande van een totale zittingsduur van 5 uren tot een vergoeding per deskundige van € 737,80 (5 x € 121,95 + 21% btw) voor het bijwonen van de zitting. Van deze kosten komt per zaak één vijfde deel voor vergoeding in aanmerking, te weten € 147,56 per deskundige.

Het totaal aan te vergoeden deskundigenkosten bedraagt in deze zaak derhalve (kosten contra-expertises Wiarda en Leenstra € 1.770,71 + reiskosten Wiarda en Leenstra € 21,55 + voorbereiding zitting Leenstra € 73,78 + voorbereiding zitting Wiarda € 73,78 + reistijd Leenstra € 118,05 + reistijd Wiarda € 118,05 + bijwonen zitting Leenstra € 147,56 + bijwonen zitting Wiarda € 147,56) € 2.471,04.

De totale voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten bedragen gelet op het vorenstaande (kosten door een derde verleende rechtsbijstand € 300,60 + kosten deskundigen € 2.471,04) € 2.771,64 in deze zaak.

Beslissing

De rechtbank:- verklaart het beroep gegrond;- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op na het onherroepelijk worden van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 2.771,64;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 168,- aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J.A.M. van Brussel, voorzitter,

mr. J.M. Janse van Mantgem en mr. S.M. Auwerda, leden, in aanwezigheid van

R.I. ten Cate, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 juni 2018.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel