Home

Rechtbank Maastricht, 28-12-2009, BK8624, AWB 08 / 893

Rechtbank Maastricht, 28-12-2009, BK8624, AWB 08 / 893

Gegevens

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
28 december 2009
Datum publicatie
7 januari 2010
ECLI
ECLI:NL:RBMAA:2009:BK8624
Zaaknummer
AWB 08 / 893

Inhoudsindicatie

WMO. Aanvraag gesloten buitenwagen omdat toegekende vervoersvoorzieningen (scootmobiel en regiotaxi) in situatie eiseres ontoereikend zijn. Verweerder heeft onderzoek ten onrechte beperkt tot de vraag of er op medische gronden bezwaren bestaan tegen het gebruik van regiotaxi en scootmobiel. Verweerder heeft gezinssituatie met twee jonge kinderen niet in beoordeling meegenomen. De rechtbank is van oordeel dat er onder omstandigheden in verband met de zorg voor jonge kinderen een (aanvullende) vervoersbehoefte van de gehandicapte kan ontstaan. In dit geval dient tot de vervoersbehoefte van eiseres gerekend te worden de vervoersbehoefte die voorspruit uit de zorgtaken ten behoeve van de jonge kinderen, zoals het naar school brengen, in relatie tot de bijdragen die van haar echtgenoot dan wel van andere daartoe in redelijkheid in aanmerking komende betrokkenen mag worden gevergd. Vervoersbewegingen en mogelijke bijdragen door anderen door verweerder niet onderzocht. Besluit onzorgvuldig voorbereid en niet is voldaan aan artikel 26 van de Wmo.

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Bestuursrecht

Meervoudige kamer

Procedurenummer: AWB 08 / 893

Uitspraak

in het geding tussen

[eiseres], wonend te Heerlen, eiseres,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerlen, verweerder.

Datum bestreden besluit: 19 mei 2008

Kenmerk: 31003/20080177-B/HB

1. Procesverloop

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het in de aanhef van deze uitspraak vermelde besluit.

Verweerder heeft de stukken die op de zaak betrekking hebben aan de rechtbank gezonden en heeft tevens een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 10 maart 2009. Eiseres is in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde P.H.L. Dankers, advocaat te Heerlen. Verweerder heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door W.G. Savelbergh, werkzaam bij de gemeente Heerlen.

De rechtbank heeft het onderzoek heropend en heeft daarbij de zaak verwezen naar een meervoudige kamer.

Het onderzoek ter zitting heeft op 1 oktober 2009 opnieuw plaatsgevonden. Eiseres is verschenen bij haar gemachtigde. Verweerder heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door H.J.A. Bertholet, werkzaam bij de gemeente Heerlen.

2. Overwegingen

Eiseres beschikt over een vervoersvoorziening in de vorm van deelname aan een regionaal ontwikkeld systeem van collectief vervoer (regiotaxi) en in aanvulling daarop over een scootmobiel. Omdat eiseres van mening is dat die voorzieningen niet voldoen, heeft eiseres verzocht om verstrekking van een gesloten buitenwagen (een zogenaamde 45 kilometerauto) in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning (hierna: Wmo).

Bij besluit van 16 januari 2008 heeft verweerder de aanvraag afgewezen, omdat de combinatie van de reeds toegekende voorzieningen de goedkoopst adequate oplossing is.

Bij het in de aanhef vermelde besluit heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd. Hiertoe is - overeenkomstig medisch advies - overwogen, dat een medische noodzaak voor de gevraagde voorziening ontbreekt. De toegekende voorzieningen zijn gelet op de medische toestand van eiseres adequaat. De koudeklachten kunnen worden ondervangen door extra isolerende kleding. De specifieke gezinsomstandigheden - het ondernemen van activiteiten buitenshuis met de kinderen - kunnen geen grond vormen voor wijziging van de voorzieningen.

Er is geen aanleiding gezien om toepassing te geven aan de hardheidsclausule.

De rechtbank oordeelt als volgt.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wmo treft het college van burgemeester en wethouders ter compensatie van de beperkingen die een persoon ondervindt in zijn zelfredzaamheid en zijn maatschappelijke participatie, voorzieningen op het gebied van maatschappelijke ondersteuning die hem in staat stellen zich lokaal te verplaatsen per vervoermiddel. Bij het bepalen van de voorzieningen houdt het college ingevolge het tweede lid rekening met de persoonskenmerken en behoeften van de aanvrager van de voorzieningen alsmede met de capaciteit van de aanvrager om uit een oogpunt van kosten zelf in maatregelen te voorzien.

Op grond van artikel 5, eerste lid, van de Wmo stelt de gemeenteraad met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens deze wet bij verordening regels vast over de door het college van burgemeester en wethouders te verlenen individuele voorzieningen en de voorwaarden waaronder personen die aanspraak hebben op dergelijke voorzieningen recht hebben op het ontvangen van die voorziening in natura, het ontvangen van een financiële tegemoetkoming of een persoonsgebonden budget.

Artikel 26, eerste lid, van de Wmo luidt:

1. De motivering van een beschikking op een aanvraag om een individuele voorziening vermeldt op welke wijze de genomen beschikking bijdraagt aan het behouden en het bevorderen van de zelfredzaamheid en de normale maatschappelijke participatie van mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem en van mensen met een psychosociaal probleem.

De gemeenteraad van de gemeente Heerlen heeft ter uitvoering van artikel 5, eerste lid, van de Wmo de Verordening individuele voorzieningen maatschappelijke ondersteuning van de gemeente Heerlen (hierna: Verordening) vastgesteld.

Krachtens artikel 2 van de Verordening kan een voorziening slechts worden toegekend voor zover deze langdurig noodzakelijk is om de beperkingen op het gebied van het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel en bij het ontmoeten van medemensen en op basis daarvan sociale verbanden aangaan op te heffen of te verminderen, deze, naar objectieve maatstaven gemeten, als de goedkoopst adequate voorziening kan worden aangemerkt en deze in overwegende mate op het individu is gericht.

In artikel 22 van de Verordening zijn de door het college, ter compensatie van beperkingen bij het zich lokaal verplaatsen, te verstrekken voorzieningen neergelegd.

Deze kunnen bestaan uit:

a.een algemene voorziening waaronder een collectieve vervoersvoorziening;

b.een vervoersvoorziening in natura;

c.(…).

Op grond van artikel 37 van de Verordening kan het college in bijzondere gevallen ten gunste van de aanvrager afwijken van de bepalingen van deze verordening, indien toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.

In de toelichting op de Verordening is neergelegd dat individuele voorzieningen in natura kunnen bestaan uit een diversiteit van vervoermiddelen. Artikel 24 van de Verordening geeft het primaat aan van de algemene voorzieningen boven de individuele verstrekkingen zoals genoemd onder b. (en c.) van artikel 22. Individuele voorzieningen kunnen echter ook in aanvulling op het gebruik van een collectief systeem verstrekt kunnen worden. Dit is het geval wanneer een collectief systeem de vervoersbehoefte van de aanvrager die een aanspraak heeft niet volledig dekt.

Blijkens het medisch advies van de GGD Zuid Limburg van 8 april 2008 is eiseres rechtszijdig verlamd. Het lopen lukt enkel met nadrukkelijke steun en over maximaal 150 meter aaneen in aangepast tempo. Voorts blijkt uit de stukken dat tot het gezin van eiseres twee jonge kinderen behoren. Een kind is geboren in 2003 en de ander in 2007. Verder staat vast dat eiseres voor de korte afstanden is aangewezen op een scootmobiel, waardoor collectief vervoer alleen geen toereikende voorziening is geacht.

Zoals de Centrale Raad van Beroep (hierna: de Raad) in zijn uitspraak van 10 december 2008 (LJN: BG6612) en in de uitspraken van 28 oktober 2009 heeft geoordeeld verplicht artikel 4 van de Wmo het College aan de in dat artikel genoemde personen voorzieningen te bieden ter compensatie van hun beperkingen op het gebied van zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie teneinde hen in staat te stellen een huishouden te voeren, zich te verplaatsen in en om de woning, zich lokaal te verplaatsen per vervoermiddel en medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden aan te gaan. Dit artikel brengt mee dat de zelfredzaamheid en de maatschappelijke participatie van deze personen de doeleinden zijn waarop de compensatieplicht van het College gericht moet zijn. Het is - gelet op de artikelen 3 en 5 van de Wmo - in beginsel aan de gemeenteraad en - gelet op artikel 4 van de Wmo - aan het College om te bepalen op welke wijze invulling wordt gegeven aan de in artikel 4 bedoelde compensatieplicht. De rechter dient de keuze(n) die de gemeenteraad en het College daarbij hebben gemaakt in beginsel te respecteren, onverminderd de rechtsplicht van het College om in elk concreet geval een voorziening te treffen die zich kwalificeert als compensatie van beperkingen op het gebied van zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie. Artikel 4 van de Wmo legt het College, wat dat aangaat, de plicht op om een resultaat te bereiken dat als compensatie mag gelden en dat een dergelijk besluit in het individuele geval maatwerk dient te zijn. Onder omstandigheden kan dit leiden tot het oordeel dat de algemene keuzen die de gemeenteraad en het College bij de uitvoering van de artikelen 3, 4, 5 en 6 van de Wmo hebben gemaakt in het concrete, individuele geval niet kunnen worden toegepast wegens strijd met de in artikel 4 van de Wmo bedoelde compensatieplicht.

Voorts heeft de Raad in zijn uitspraken neergelegd dat uit artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) voortvloeit dat het College, zijnde het bestuursorgaan dat met de uitvoering van artikel 4 van de Wmo is belast, ervoor zorg dient te dragen dat een zorgvuldig onderzoek wordt ingesteld naar de voor die uitvoering relevante feiten en omstandigheden. Bij de beoordeling van de aanvraag om een voorziening te verstrekken, als bedoeld in artikel 4 van de Wmo, brengt dit mee dat het de taak van het College is om de beperkingen van de aanvrager in zijn zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie, voor zover het de in dat artikel genoemde gebieden betreft, zijn persoonskenmerken en zijn behoeften, alsmede zijn capaciteit om uit een oogpunt van kosten zelf in maatregelen te voorzien te inventariseren. Daarbij is het, gelet op artikel 4:2, tweede lid, van de Awb aan de aanvrager om het College de gegevens en bescheiden te verschaffen die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.

In de uitspraken van de Raad van 28 oktober 2009, LJN: BK2500, BK2502, BK2504 en BK3321, heeft de Raad uitgesproken dat het primaat van collectief vervoer als daar aan de orde als zodanig niet in strijd komt met de artikelen 4 en 5 van de Wmo. Dit laat onverlet dat de vraag of collectief vervoer (in dit geval aangevuld met een scootmobiel) voor de persoon van de belanghebbende een voorziening is die voldoet aan de in artikel 4, eerste lid, van de Wmo bedoelde compensatieplicht, slechts beantwoord kan worden op grond van een onderzoek naar niet alleen de beperkingen, maar ook de persoonskenmerken en de vervoersbehoeften van de individuele belanghebbende. Het College zal die beperkingen gezien artikel 3:2 van de Awb in verbinding met artikel 4, tweede lid, en artikel 26, eerste lid, van de Wmo moeten inventariseren en daarbij moeten nagaan hoe de toegekende vervoersvoorzieningen zich verhouden tot de kenmerken van de aanvrager, zijn beperkingen en zijn vervoersbehoeften, een en ander tegen de achtergrond van de vraag welke voorziening in het concrete individuele geval leidt tot het behouden of het bevorderen van de zelfredzaamheid van de belanghebbende en zijn of haar deelname aan het maatschappelijk verkeer. Het College zal daarbij voorts rekening moeten houden met de capaciteit van de aanvrager om uit een oogpunt van kosten zelf in (vervoers)maatregelen te voorzien.

In het onderhavige geval is het primaat van het collectief vervoer als zodanig niet in geschil. Eiseres heeft echter aangevoerd dat de aan haar toegekende vervoersvoorzieningen in de vorm van collectief vervoer, aangevuld met een scootmobiel, in haar situatie volledig ontoereikend zijn. Zij is daardoor beperkt in de opvoeding van haar kinderen en geraakt in een sociaal isolement.

De rechtbank stelt vast dat verweerder het onderzoek ter voorbereiding van het bestreden besluit heeft beperkt tot de vraag of er op medische gronden bezwaren bestaan tegen het gebruik van de regiotaxi en de scootmobiel. Verweerder heeft op grond van de resultaten van het bij de GGD Zuid Limburg ingewonnen advies besloten om het bezwaar ongegrond te verklaren aangezien een medische noodzaak voor de gevraagde voorziening ontbreekt en eiseres met de eerder verstrekte voorzieningen in staat is om deel te nemen aan het leven van alledag.

De rechtbank concludeert dat verweerder aldus zich bij zijn onderzoek ten onrechte heeft beperkt tot de vraag of er objectief medische belemmeringen zijn om van de verleende voorzieningen gebruik te maken. De rechtbank merkt daarbij nog op dat in het medisch advies onder anamnese is aangegeven dat voor eiseres het meenemen van haar twee kinderen bij activiteiten buitenshuis een ervaren ongemak is, waarvan zij ook in psychisch opzicht leed ondervindt. Voorts is onder de beschouwing vermeld dat de specifieke gezinsomstandigheden qua ondernemen van activiteiten buitenshuis met de jonge kinderen geen medische grond kunnen vormen voor wijziging van de voorzieningen maar dat deze mogelijk wel als sociaal wenselijk zijn aan te merken bij het invoelbare isolement waar eiseres zich voelt geraken.

Gelet op het bestreden besluit en het verhandelde ter zitting is de rechtbank voorts duidelijk geworden dat verweerder de zorg voor de twee jonge kinderen in het geheel niet in overweging heeft genomen, omdat de vervoersvoorziening de vervoersbehoefte van de gehandicapte zelf en niet die van haar gezinsleden betreft.

De rechtbank is ten aanzien van dit standpunt van oordeel dat er onder omstandigheden in verband met de zorg voor jonge kinderen wel een (aanvullende) vervoersbehoefte van de gehandicapte kan ontstaan. In een geval als het onderhavige, waarin het gaat om een gehandicapte met een uiterst beperkte mobiliteit, dient tot de zelfredzaamheid en de maatschappelijke participatie mede te worden gerekend de vervoersbehoefte van de gehandicapte die voortspruit uit de zorgtaken ten behoeve van de jonge kinderen, zoals het naar school brengen, in relatie tot de bijdragen die van haar - ten tijde in geding: niet werkende - echtgenoot dan wel van andere daartoe in redelijkheid in aanmerking komende betrokkenen, mag worden gevergd. In dit verband merkt de rechtbank nog op dat het gebruikelijk is dat jonge kinderen door (niet-gehandicapte) ouders worden meegenomen dan wel worden begeleid. In het geval van eiseres is onbetwist dat zij haar beide kinderen niet kan meenemen met de scootmobiel, althans niet met de scootmobiel zoals deze thans aan haar ter beschikking is gesteld, terwijl de rechtbank betwijfelt of eiseres haar kinderen, met name haar jongste kind, wel volledig veilig lopend kan meenemen, nog daargelaten dat het dan slechts een zeer korte afstand betreft.

Voor wat betreft de stelling ter zitting van verweerder, dat de echtgenoot dan wel de buren de kinderen naar school kunnen brengen en naar andere activiteiten als zwemles kunnen begeleiden, overweegt de rechtbank dat verweerder in het geheel niet heeft onderzocht welke vervoersbewegingen eiseres maakt dan wel wenst te maken om maatschappelijk te (kunnen) participeren, welke bijdrage door haar echtgenoot dan wel anderen kan worden geleverd en welke mogelijkheden er zijn voor eiseres om in het vervoer van haar en de kinderen, ook voor de korte afstanden, te voorzien.

Ten aanzien van het door verweerder ter zitting ingenomen standpunt dat eiseres zich enige beperkingen zal moeten getroosten, merkt de rechtbank op dat voor dit standpunt in de in artikel 4 van de Wmo neergelegde compensatieplicht geen aanknopingspunten zijn te vinden.

Gelet op het hiervoor overwogene moet de rechtbank dan ook vaststellen dat verweerder niet heeft nagegaan hoe de vervoersmogelijkheden van de aan eiseres verleende voorzieningen zich verhouden tot de wensen van de aanvrager, haar beperkingen en haar vervoersbehoeften. Verweerder heeft ten onrechte de specifieke gezinssituatie met jonge kinderen niet in aanmerking genomen, heeft zich bij het onderzoek voorts ten onrechte beperkt tot de vraag of er objectief medische belemmeringen zijn om van de verleende voorzieningen gebruik te maken en is ten onrechte uitgegaan van de voor eiseres goedkoopste adequate voorziening. Het besluit is kortom onzorgvuldig voorbereid, nu verweerder heeft nagelaten een deugdelijk onderzoek in te stellen. Daardoor is evenmin voldaan aan het bepaalde in artikel 26, eerste en tweede lid, van de Wmo. Verweerder had gemotiveerd dienen aan te geven op basis waarvan eiseres, ondanks de weigering van de gevraagde voorziening, voldoende gecompenseerd wordt.

Tot slot merkt de rechtbank nog op dat, hoewel verweerder ter zitting heeft doen betwijfelen of eiseres voldoet aan het criterium dat zij met een gesloten buitenwagen veilig aan het verkeer kan deelnemen, de aanvraag in dezen niet om die reden is afgewezen.

Het beroep is dan ook gegrond.

De rechtbank acht termen aanwezig om verweerder te veroordelen in de kosten, die eiseres in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Het bedrag van de kosten van de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbij¬stand wordt daarbij vastgesteld overeenkomstig het tarief, als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).

De rechtbank kent ter zake twee punten met elk een waarde van € 322,-- toe voor de indie¬ning van het beroepschrift en het bijwonen van de zitting, een half punt voor de nadere zitting en bepaalt het gewicht van de zaak, gelet op de aard en de inhoud van het geschil, op gemiddeld (wegingsfactor 1). Het te ver¬goeden bedrag voor verleende rechtsbijstand bedraagt derhalve 2,5 x € 322,-- x 1 = € 805,--.

Het bedrag van de reiskosten van eiseres wegens het bijwonen van de zitting wordt vastgesteld op € 8,30, zijnde reiskosten per openbaar vervoer, tweede klasse.

Omdat aan eiseres een toevoeging is verleend, dient het bedrag van de kosten ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb te worden betaald aan de griffier van de rechtbank.

3. Beslissing

De rechtbank:

1verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

2draagt verweerder op om met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiseres;

3bepaalt dat aan eiseres het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 39,00 wordt vergoed door verweerder;

4veroordeelt verweerder in de kosten van de procedure tot een bedrag van € 813,30 (waarvan wegens de kosten van rechtsbijstand € 805,00), te betalen door verweerder aan de griffier van de rechtbank.

Aldus gedaan door Y.J. Klik als voorzitter en J.N.F. Sleddens en M.A.H. Span-Henkens

als leden, in tegenwoordigheid van I.H.J. van Neer als griffier en in het openbaar uitgesproken op 28 december 2009.

De griffier is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.

w.g. Y. Klik

Voor eensluidend afschrift,

de griffier,

Verzonden: 28 december 2009

Voor een belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak.

Bij een spoedeisend belang kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan, nadat hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep verzoeken een voorlopige voorziening te treffen.