Home

Rechtbank Leeuwarden, 06-11-2007, ECLI:NL:RBLEE:2007:1296 BB8242, 151286 \ CV EXPL 04-1039

Rechtbank Leeuwarden, 06-11-2007, ECLI:NL:RBLEE:2007:1296 BB8242, 151286 \ CV EXPL 04-1039

Gegevens

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
6 november 2007
Datum publicatie
20 november 2007
ECLI
ECLI:NL:RBLEE:2007:BB8242
Zaaknummer
151286 \ CV EXPL 04-1039

Inhoudsindicatie

Aandelenlease (WinstVerDriedubbelaar). Geslaagd beroep op ontbreken toestemming echtgenote. Echtgenote heeft de overeenkomst tijdig buitengerechtelijk vernietigd. Het door Dexia in algemene bewoordingen gedane beroep op verjaring gaat niet op.

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector kanton

Locatie Heerenveen

zaak-/rolnummer: 151286 \ CV EXPL 04-1039

vonnis van de kantonrechter d.d. 6 november 2007

inzake

de naamloze vennootschap Dexia Bank Nederland N.V.,

hierna te noemen: Dexia,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres in conventie

verweerster in reconventie,

gemachtigde: Kroes & Partners,

tegen

W. [X],

hierna te noemen: [X],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

procederende met voorwaardelijke toevoeging,

gemachtigden: mr. H.J. Tulp en mr. F. Klemann.

Procesverloop

1. Op de bij dagvaarding vermelde gronden heeft Dexia gevorderd om [X] te veroordelen tot betaling van € 12.850,65 met rente en kosten. Dexia heeft daarbij zeven producties overgelegd.

[X] heeft bij antwoord, onder overlegging van 27 producties, de vordering betwist en op de daarbij vermelde gronden in reconventie gevorderd Dexia te veroordelen als in die conclusie vermeld.

Vervolgens zijn de volgende conclusies genomen:

- conclusie van repliek in conventie tevens conclusie antwoord in reconventie tevens houdende voorwaardelijke wijziging van eis (met 27 producties);

- conclusie van dupliek in conventie tevens conclusie van repliek in reconventie, tevens akte wijziging van eis (met zeven producties);

- dupliek in reconventie (met drie producties);

- akte uitlating producties.

Vervolgens is vonnis bepaald op de stukken, waarvan de inhoud als hier ingelast geldt.

Vervolgens is de procedure op grond van artikel 1015 lid 1 Rv. jo. artikel 225 lid 2 Rv. geschorst.

[X] heeft ter zitting van 14 augustus 2007 een akte hervatting na schorsing genomen.

Na een akte uitlaten schorsen aan de zijde van Dexia is wederom vonnis bepaald.

Motivering

Vooraf

1. Omdat de locatie Opsterland met ingang van 17 augustus 2007 is opgeheven en het rechtsgebied van de locatie Opsterland aan de locatie Heerenveen is toegevoegd, is deze zaak verder behandeld te Heerenveen en wordt dit vonnis te Heerenveen uitgesproken.

Opheffing schorsing

2. [X] heeft verzocht de procedure op de voet van artikel 227 lid 1 sub b Rv. te hervatten nu hij de in artikel 7: 908 lid 2 BW bedoelde verklaring heeft ingediend.

3. Dexia heeft bij akte aangegeven van mening te zijn dat schorsing van de procedure kan worden opgeheven.

4. De kantonrechter is van oordeel dat nu [X] de vereiste opt-outverklaring tijdig heeft uitgebracht, de schorsing is opgeheven.

in conventie en in reconventie

De feiten

5. Als gesteld en erkend, dan wel als niet of onvoldoende weersproken, alsmede op grond van de in zoverre onbetwiste inhoud der overgelegde producties staat het volgende vast.

5.1. Dexia is de rechtsopvolgster van Bank Labouchere N.V, gevestigd te Amsterdam, eveneens handelend onder de handelsnaam Legio, en op haar beurt rechtsopvolgster van Legio Lease B.V.

5.2. [X] heeft op een aanmeldingsformulier "Legio Lease WinstVerDriedubbelaar" zijn keuze kenbaar gemaakt voor een overeenkomst voor een maandbedrag van f 250,--. Hierna heeft [X] Dexia een overeenkomst voor dit product ontvangen. De overeenkomst is na ondertekening aan Dexia geretourneerd. Hierdoor is op of rond 18 mei 2000 een overeenkomst tot stand gekomen tussen Dexia en [X] ten behoeve van het product WinstVerDriedubbelaar onder nummer 74411366 (hierna te noemen de overeenkomst). De overeenkomst had een looptijd van 36 maanden.

5.3. De totaal overeengekomen leasesom bedroeg € 23.671,74, welk bedrag als volgt terugbetaald diende te worden:

- 36 maandtermijnen van € 114,04;

- een bedrag van f 100,-- op of omstreeks de 35ste maand'

- het restant van € 19.520,92 aan het einde van de lease-overeenkomst.

Dit restant werd/wordt in principe verrekend met de verkoopopbrengst van de waarden (aandelen/effecten).

5.4. De overeenkomst is door het verstrijken van de looptijd geëindigd. In verband hiermee heeft Dexia aan [X] een eindafrekening gezonden voor een totaalbedrag van

€ 11.065,60, welk bedrag Dexia thans in rechte vordert.

5.5. Ten tijde van het afsluiten van de overeenkomst was [X] gehuwd met mevrouw [echtgenote] (hierna te noemen [echtgenote]). Dit huwelijk is gesloten op 26 juni 1998 en op 18 september 2002 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente Smallingerland.

5.6. [echtgenote] heeft bij brief van 16 september 2004 de nietigheid c.q. vernietigbaarheid van de overeenkomst ingeroepen.

De standpunten

6. De standpunten van partijen zullen hierna, voor zover van belang, kort worden weergegeven. Voor de uitvoerige standpunten van partijen verwijst de kantonrechter naar de processtukken.

De beoordeling

7. De vorderingen in conventie en reconventie lenen zich voor een gezamenlijke beoordeling.

ontbreken toestemming echtgenote

8.1. Het meest verstrekkend is het beroep op het ontbreken van de toestemming van de echtgenote van [X] als bedoeld in artikel 1: 88 BW.

Beantwoording van die vraag is mede afhankelijk van de vraag of de WinstVerDriedubbelaar is aan te merken als een huurkoopovereenkomst.

8.2. Anders dan Dexia betoogt, voldoet de overeenkomst aan de essentialia van de huurkoopovereenkomst, althans heeft de overeenkomst dezelfde strekking.

Dexia heeft zich verbonden de aandelen in eigendom over te dragen onder de opschortende voorwaarde van algehele betaling van de prijs.

Dit blijkt met name uit artikel 5 van de overeenkomst: "Zodra lessee al datgene aan Legio-Lease heeft betaald wat hij haar krachtens deze lease-overeenkomst en de daarbij behorende Bijzondere Voorwaarden Effecten Lease verschuldigd is of zal worden, is lessee automatisch en van rechtswege eigenaar van de aandelen." en uit artikel 2 van de Bijzondere Voorwaarden Effecten Lease, dat bepaalt: "Legio-Lease en lessee komen overeen dat het eigendom van de waarden op lessee overgaat door vervulling van de opschortende voorwaarde dat lessee aan al zijn verplichtingen uit hoofde van de overeenkomst heeft voldaan.".

Dexia heeft zich verder verbonden de aandelen aan de klant te leveren. Onder aflevering dient te worden verstaan verschaffing van de macht over het gekochte. Dit betekent voor aandelenlease-overeenkomsten als de onderhavige verschaffing van het genot daarvan. Dat Dexia zich heeft verbonden aan [X] het genot van de aandelen te verschaffen, blijkt uit artikel 3 van de Bijzondere Voorwaarden Effecten Lease, dat bepaalt dat alle baten een waardeveranderingen van de waarden aan lessee toekomen en dat Legio-Lease de dividendbaten zo spoedig mogelijk na betaalbaarstelling daarvan aan lessee zal doen toekomen. Het tijdstip van aflevering is, naar moet worden aangenomen, het tijdstip van het sluiten van de overeenkomst.

[X] ten slotte heeft zich verbonden de prijs te betalen in termijnen, waarvan (nog) twee of meer verschijnen nadat de aandelen aan hem zijn afgeleverd. Dit blijkt uit artikel 3 van de overeenkomst. Anders dan Dexia meent dienen ook de rentebetalingen te worden aangemerkt als termijnen van de koopprijs als bedoeld in artikel 7A:1576 lid 1 BW. Het gaat om de prijs van de lening die [X] is aangegaan om de aandelen te kunnen kopen, en daarmee, althans in economisch opzicht, om een onderdeel van de prijs van de aandelen.

Bovendien blijkt uit de eindafrekening dat Dexia de hoofdsom in tweeën heeft gedeeld (een eerste aflossingstermijn van f 100,-- en een restant hoofdsom) in verband met het bepaalde in artikel 7A: 1576 BW. Dexia heeft derhalve ook bedoeld een koop of afbetaling aan te gaan.

8.3. Is artikel 1:88 lid 1 onder d. BW op de onderhavige effectenlease-overeenkomst van toepassing?

Het geschil tussen partijen draait hier om de betekenis van het begrip zaak in dat artikel en de reikwijdte van artikel 7A:1576 lid 5 BW, zulks mede in het licht van de veranderde betekenis van het begrip zaak (stoffelijk object) na de invoering van het Nieuw Burgerlijk Wetboek in 1992 (daarvoor mede omvattende de vermogensrechten). Ter beantwoording van deze vraag dient geen doorslaggevende betekenis te worden gehecht aan de letterlijke tekst van artikel 1:88 BW, waarin het woord vermogensrechten niet voorkomt.

In de wetsgeschiedenis is immers niet uitdrukkelijk gebleken dat de wetgever heeft beoogd de koop op afbetaling van vermogensrechten van de beschermingsgedachte van artikel 1:88 lid 1 onder d BW uit te zonderen.

De huidige tekst van het artikel, waarin het begrip zaak strikt genomen een beperktere betekenis heeft dan in artikel 7A: 1576 lid 5 BW, is tot stand gekomen in het kader van de aanpassing van Boek 1 BW aan het nieuwe vermogensrecht. Uit de parlementaire geschiedenis op artikel 7A:1576 BW blijkt dat de wetgever geen materiële wijziging van de wettelijke regeling van de koop op afbetaling, die vóór de invoering van het Nieuw BW evenzeer betrekking kon hebben op vermogensrechten, beoogde en dat de minister in het kader van de behandeling van artikel 1:88 BW verwees naar de destijds nog van kracht zijnde tekst van artikel 1576oud BW, waarin de term "zaak" ook vermogensrechten omvatte. In de gedachtegang van Dexia zou derhalve stilzwijgend een beperking van de beschermingsgedachte van artikel 1:88 BW in het wettelijke systeem zijn ingeslopen. Niet aannemelijk is dat een dergelijke materiële wijziging gelet op de beschermingsfunctie van het toestemmingsvereiste zonder uitdrukkelijke motivering in de wet zou zijn vastgelegd. Nu deze wijziging ontbreekt moet worden aangenomen dat het geldende artikel 1:88 lid 1 sub d BW verwijst naar de gehele wettelijke regeling van de koop op afbetaling, zoals neergelegd in artikel 7A:1576 BW, dus met inbegrip van het bepaalde in artikel 7A:1576 lid 5 BW.

Dientengevolge moet ervan worden uitgegaan dat indien een gehuwde persoon dan wel een partner in een geregistreerd partnerschap een effectenlease-overeenkomst afsluit, hij/zij daarvoor de toestemming van de andere echtgenoot of geregistreerd partner nodig heeft, indien deze overeenkomst voldoet aan de criteria van een overeenkomst van koop op afbetaling, volgens de kenmerken omschreven in artikel 7A:1576 BW.

8.4. In het onderhavige geval draait het om de toestemming van de echtgenote.

De kantonrechter overweegt dat artikel 1: 88 lid 3 BW vergt dat de toestemming schriftelijk had moeten zijn gegeven. In casu is er sprake van een huurkoopovereenkomst die ingevolge artikel 7A: 1576i lid 1 BW bij akte moet worden aangegaan. Nu de wet voor huurkoop een vorm voorschrijft, dient ingevolge artikel 1: 88 lid 3 BW de toestemming van de echtgenote schriftelijk te worden verleend. Het ontbreken van die toestemming - die ingevolge het bepaalde in artikel 1: 88 lid 3 BW schriftelijk had moeten worden gegeven - maakt de overeenkomst op grond van artikel 1: 89 BW vernietigbaar. Niet is gesteld of gebleken dat [echtgenote] schriftelijk met de overeenkomst heeft ingestemd.

beroep op verjaring

9. De verjaring waar het hier om gaat is geregeld in artikel 3: 52 lid 1 sub d BW. Dit artikellid bepaalt dat rechtsvorderingen tot vernietiging van een rechtshandeling verjaren drie jaren nadat de bevoegdheid om deze vernietigingsgrond in te roepen, aan degene aan wie deze bevoegdheid toekomt, ten dienste is komen te staan. Noch in deze bepaling zelf, noch in de bijbehorende parlementaire geschiedenis is aanknoping te vinden voor de opvatting van Dexia dat in het onderhavige geval de verjaringstermijn begint te lopen op het moment van het aangaan van de overeenkomst. Blijkens de parlementaire geschiedenis is de hoofdgedachte dat de verjaring niet behoort te kunnen gaan lopen voordat degene die tot vernietiging bevoegd is, werkelijk over deze bevoegdheid beschikt. Naar het oordeel van de kantonrechter betekent dit in het onderhavige geval dat de verjaringstermijn is gaan lopen op het moment dat [echtgenote] wist of kon weten dat er door haar echtgenoot een vernietigbare rechtshandeling was verricht.

Dexia heeft gesteld dat [echtgenote] eerder van de overeenkomst heeft geweten dan september 2004. Dexia heeft echter niet concreet aangegeven waaruit zulks zou blijken. Uit hetgeen Dexia heeft aangevoerd blijkt dat er slechts sprake is van vermoedens gebaseerd op hetgeen Dexia heeft betiteld als de normale gezinssituatie, waarin dergelijke beslissingen in gezamenlijk overleg worden genomen. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft Dexia hiermee haar stelling dat de verjaring reeds eerder is aangevangen, onvoldoende gemotiveerd onderbouwd. Aan bewijslevering wordt derhalve niet toe gekomen. Waar Dexia zich baseert op de normale gezinssituatie, gaat Dexia volledig voorbij aan de ratio van de artikelen 1: 88 en 1: 89 BW, die nu juist de onwetende echtgeno(o)t(e) bedoelt te beschermen tegen rechtshandelingen die de levenspartner zonder de vereiste toestemming is aangegaan.

rechtsgevolgen

10.1. De kantonrechter komt dan ook tot de conclusie dat de in het geding zijnde overeenkomst, door het inroepen van de vernietigbaarheid daarvan door de ex-echtgenote van [X] bij brief van 16 september 2004 is vernietigd. De kantonrechter merkt daarbij op dat Dexia bij conclusie van repliek in conventie/antwoord in reconventie weliswaar heeft gesteld dat [X] de bewuste brief niet in het geding heeft gebracht, doch dat Dexia niet heeft betwist dat [echtgenote] bij brief van 16 september 2004 gericht aan Dexia de vernietigbaarheid van de overeenkomst heeft ingeroepen.

10.2. Aangezien de vernietiging terugwerkt tot het tijdstip waarop de rechtshandeling is verricht, heeft dit voor de onderhavige procedure tot gevolg dat de vordering van Dexia zoals ingesteld bij dagvaarding dient te worden afgewezen. Voor zover de vordering van [X] strekt tot terugbetaling van de rente die [X] aan Dexia heeft voldaan, komt die voor toewijzing in aanmerking. Blijkens de onbetwiste stelling van Dexia bij conclusie van repliek in conventie/antwoord in conventie alsmede blijkens de eindafrekening heeft [X] één termijn van € 114,04 niet voldaan. Het bedrag dat [X] derhalve aan Dexia heeft voldaan bedraagt (35 x € 114,04 = ) € 3.991,40. Dit bedrag dient Dexia aan [X] terug te betalen.

10.3. Ten aanzien van de door [X] gevorderde rente vanaf de datum van totstandkoming van de overeenkomst overweegt de kantonrechter als volgt.

Op basis van de overeenkomst heeft [X] maandelijks een bedrag ad € 114,04 voldaan. Door de vernietiging is de rechtsgrond aan de betaling ontvallen, waardoor er sprake is van onverschuldigde betaling. De verbintenis uit onverschuldigde betaling ontstaat op het moment waarop de onverschuldigde betaling is verricht. Derhalve kan er nimmer sprake zijn van een renteverplichting vanaf de contractsdatum.

Gelijk Dexia heeft gesteld ontstaat de verplichting tot betaling van rente op het moment dat zij in verzuim is. Of Dexia bij brief van 16 september 2004 in gebreke is gesteld, waarbij haar een termijn is gesteld om tot terugbetaling over te gaan, is niet bekend, nu [X] deze brief niet in het geding heeft gebracht. Ook nadat Dexia er op had gewezen dat deze brief bij de processtukken ontbrak, heeft [X] dit verzuim niet hersteld. De kantonrechter zal derhalve voor de toewijzing van de gevorderde rente uitgaan van de datum van de eis in reconventie, zijnde 21 september 2004.

artikel 6: 278 BW

11. Het beroep van Dexia op toepassing van artikel 6:278 BW wordt verworpen. Daargelaten of in dit geval wordt voldaan aan de voorwaarden als genoemd in dat artikel, verdragen de gevolgen van dat artikel zich niet met de door de wetgever beoogde bescherming van de echtgenoot die geen partij was bij de overeenkomst en daarvoor evenmin toestemming heeft gegeven. Dat [echtgenote] pas een beroep op vernietiging heeft gedaan nadat de koersverliezen waren opgetreden, doet daar niet aan af, nu die koersverliezen nu juist behoren tot het soort omstandigheden die aanleiding plegen te zijn voor een beroep op de door de wetgever beoogde bescherming.

BKR-registratie

12. De kantonrechter zal de vordering tot het doen doorhalen van de registratie en A-codering bij het BKR toewijzen zoals hierna te melden, nu Dexia zich hiertegen niet gemotiveerd heeft verzet. De kantonrechter overweegt daarbij dat Dexia heeft aangevoerd dat de bevoegdheid tot het doorhalen van de registratie en de A-codering bij het BKR alleen aan het BKR toekomt en dat Dexia slechts een verzoek aan het BKR kan richten. De kantonrechter ziet daarom geen aanleiding om hieraan een dwangsom te verbinden.

voor het overige

14.1. De overige stellingen en weren van partijen kunnen na het voorgaande onbesproken blijven.

14.2. De overige vorderingen van [X] zullen bij gebrek aan belang worden afgewezen.

Overigens wijst de kantonrechter er op dat [X] zijn vorderingen onduidelijk heeft geformuleerd. In de eerste plaats heeft [X] in conventie een aantal vorderingen geformuleerd, terwijl [X] kennelijk slechts bedoeld heeft te concluderen tot niet-ontvankelijkheid van Dexia in haar vorderingen, althans en in ieder geval tot ontzegging daarvan. Daarnaast heeft [X] een aantal tegenvorderingen ingesteld die zich niet met elkaar verdragen en kennelijk zijn bedoeld als primaire en (meer) subsidiaire vorderingen.

proceskosten

15. Dexia zal als de in het ongelijk te stellen partij worden verwezen in de proceskosten, zowel in het geding in conventie als in het geding in reconventie.

De kantonrechter ziet in hetgeen [X] heeft aangevoerd geen aanleiding om daarbij af te wijken van het gebruikelijk liquidatietarief, waarbij de kantonrechter opmerkt dat hetgeen de gemachtigde van [X] naar voren heeft gebracht in overwegende mate een algemene juridische stellingname betreft die niet specifiek is voor de zaak [X].

Beslissing

De kantonrechter:

in conventie

wijst de vorderingen van Dexia af;

veroordeelt Dexia in de kosten van het geding in conventie, tot op heden aan de zijde van [X] begroot op € 540,-- wegens salaris, te voldoen aan de rechtbank Leeuwarden:

in reconventie

veroordeelt Dexia tot betaling aan [X] van een bedrag groot € 3.991,40, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 september 2004 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt Dexia in de kosten van het geding in reconventie, tot op heden aan de zijde van [X] begroot op € 200,-- wegens salaris, te voldoen aan de rechtbank Leeuwarden;

gebiedt Dexia binnen acht dagen na betekening van dit vonnis het BKR te verzoeken de inschrijving en achterstandscodering ten laste van [X] bij het BKR door te halen als zijnde ten onrechte geschied;

in conventie en in reconventie

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door mr. J.E. Biesma, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 november 2007 in tegenwoordigheid van de griffier.

c 41