Home

Rechtbank Gelderland, 09-01-2023, ECLI:NL:RBGEL:2023:556, 10236188

Rechtbank Gelderland, 09-01-2023, ECLI:NL:RBGEL:2023:556, 10236188

Gegevens

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
9 januari 2023
Datum publicatie
7 februari 2023
ECLI
ECLI:NL:RBGEL:2023:556
Zaaknummer
10236188

Inhoudsindicatie

kort geding - arbeidsrecht - betaling salaris, afgewezen. arbeidsovereenkomst reeds opgezegd

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaakgegevens 10236188 \ VV EXPL 22-181 \ 693 / 32548

uitspraak van 12 januari 2023

vonnis in kort geding

in de zaak van

[eisende partij]

wonende te [plaats]

eisende partij

gemachtigde mr. D. Brouwer

procederende krachtens toevoegingsnummer 2GL6249

tegen

de besloten vennootschap [gedaagde partij] .

gevestigd te [plaats]

gedaagde partij

procederend in persoon

Partijen worden hierna [eisende partij] en [gedaagde partij] genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 16 december 2022 met producties 1- 21

- de conclusie van antwoord met producties A - P

- de aanvullende producties 22-25 van de zijde van [eisende partij]

- de aanvullende producties Q-R van de zijde van [gedaagde partij]

1.2.

Op 5 januari 2023 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Partijen hebben

hun standpunten nader toegelicht en vragen van de kantonrechter beantwoord. Zij hebben

geen overeenstemming bereikt ten einde hun geschil te beëindigen, waarna

vonnis is gevraagd.

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Per 11 juni 2021 treedt [eisende partij] in dienst bij [gedaagde partij] . Nadat zijn arbeidsovereenkomst op 31 december 2021 en 31 maart 2022 is verlengd, is hij laatstelijk werkzaam op basis van een nul-urencontract in de functie van woonassistent tegen een bruto salaris van € 1.960,02 per maand (op basis van een fulltime arbeidsovereenkomst) exclusief 8% vakantietoeslag, onregelmatigheidstoeslag en uitkering van verlofuren.

2.2.

[eisende partij] lijdt aan de aandoening DSPS (Delayed Sleep Phase Syndrome), waarbij de symptomen lijken op slapeloosheid. Deze aandoening was bekend bij indiensttreding en een reden om in deze functie te gaan werken.

2.3.

Op 4 november 2021 hebben partijen een gesprek over de toekomst van [eisende partij] bij [gedaagde partij] , waarbij afgesproken wordt dat [gedaagde partij] voor [eisende partij] op zoek gaat naar passende scholing, nu hij deze niet heeft en een vervolgstap naar een hogere functie daardoor niet mogelijk is.

2.4.

Op 3 februari 2022 bericht [gedaagde partij] [eisende partij] dat haar aanvraag voor de opleiding “Helpende” is goedgekeurd. Daarop laat [eisende partij] weten af te zien van de opleiding.

2.5.

Nadien vinden gesprekken plaats tussen partijen over de toekomst van [eisende partij] bij [gedaagde partij] , onder andere op of rond 21 maart 2022 en 13 april 2022.

2.6.

Op 19 april 2022 stuurt [gedaagde partij] aan [eisende partij] een e-mail met de volgende inhoud:

Naar aanleiding van ons gesprek, afgelopen week, hebben [betrokkene 1] en ik nog even met (praktische) [betrokkene 2] gesproken. Hij stelt voor om gewoon een nieuw contract te maken: van 1 januari tot en met 31 maart 2022. En dan het oude te ‘verscheuren’. Dat scheelt een boel gedoe. Daarmee ben jij vrij om te gaan en kun je dan naar het UWV. Daar kun je zeggen dat je die drie maanden in 2022 hebt gebruikt om na te denken over hoe verder. Wat in jouw geval heel logisch is. Ik stuur dit je morgen toe. Als je dan één exemplaar wil tekenen en de andere getekend aan ons retour te sturen. Dan is het allemaal afgerond.

2.7.

Op 29 april 2022 stuurt [gedaagde partij] het volgende bericht aan [eisende partij] :

Vandaag verstuur ik je naar jou een vaststellingsovereenkomst in tweevoud'. Het is nu aan jou de keus of je deze tekent of het aangepaste contract. Graag één van beide getekend retour. We horen graag van je.

2.8.

Per e-mail van 16 mei 2022 reageert [eisende partij] als volgt:

Na de voorgestelde vaststellingsovereenkomst te hebben laten controleren door een kundige, is mij verteld dat deze niet erg “uitkeringsvriendelijk” is. Dit zou ik graag anders zien en daarom stel ik de volgende aanpassingen voor:

“Partijen nemen in aanmerking:”d) Werknemer heeft op 13 april 2022 mondeling aangegeven de arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang te willen beëindigen wegens chronische ziekte.

“Partijen verklaren te zijn overeengekomen als volgt:”

1.Met wederzijds goedvinden wordt de tussen partijen bestaande overeenkomst met ingang van 31 maart 2022 beëindigd, waarbij afgezien wordt van de opzegtermijn.

Ook vraag ik meer duidelijkheid over punt 4, namelijk wat er wordt bedoeld met: “met inachtneming van bovenstaande verlenen beide partijen elkaar volledige kwijting ter zake van alle eventuele aanspraken voortvloeiend uit het door de werknemer opgezegde dienstverband alsmede uit de wijze waarop en de voorwaarden waaronder dit dienstverband op boven omschreven wijze is beëindigd.

Ik hoop dat we er zo uitkomen.

2.9.

Per e-mail van 29 juni 2022 meldt [eisende partij] zich ziek, waaruit wordt geciteerd:

Ik ging er vanuit dat u mij had ziekgemeld, voor zover dat nog niet is gebeurd, meld ik mij hierbij nog uitdrukkelijk ziek. Ik verzoek u mijn loon vanaf 1 april 2022 te betalen.

2.10.

Per e-mail van 6 juli 2022 reageert [gedaagde partij] op de ziekmelding van [eisende partij] van 29 juni 2022. Hieruit wordt geciteerd:

We ontvingen jouw mail van 29 juni jl. waarin je aangeeft dat je je met terugwerkende kracht ziekmeldt en loon wilt ontvangen vanaf 1 april 2022. We zijn hier erg verbaasd over, je hebt je namelijk niet ziekgemeld.

Op 7 maart jl is een afspraak gemaakt voor een gesprek op 21 maart met je leidinggevende. Je gaf toen aan dat je een aantal weken rust wilde om je te bezinnen op je toekomst omdat je meer wilde dan je huidige werk. Op 13 april was er een tweede gesprek met je leidinggevende en mij. Je hebt toen aangegeven te willen stoppen met je werk bij ons, je hebt je sleutels ingeleverd, hebt afscheid genomen van collega’s en bent weggegaan. Op jouw verzoek hebben we je een vaststellingsovereenkomst aangeboden zodat je geen probleem zou krijgen bij het aanvragen van een uitkering. Je wilde hierin wijzigingen waarmee wij niet akkoord konden gaan. En nu meld je je ineens ziek.

Je hebt vanaf 21 maart 2022 niet gewerkt, op je eigen verzoek. Je hebt daarna aangegeven niet meer voor ons te willen werken. En na een aantal maanden meld je je ineens met terugwerkende kracht ziek. Gezien de gesprekken die we hebben gehad ben je naar onze mening niet ziek, maar wilde je niet meer werken. We zullen dan ook niet met terugwerkende kracht vanaf 1 april 2022 het loon aan je betalen, tenzij jij met medische informatie kunt bewijzen dat je wel ziek was vanaf die datum.

Verder zullen we je per direct laten oproepen door een bedrijfsarts om diens oordeel te vragen inzake jouw ziekmelding. (...)

2.11.

Op 1 juli 2022 vraagt [eisende partij] een deskundigenoordeel aan over de vraag of hij arbeidsongeschikt is en dat reeds sinds april 2022 was.

2.12.

In de periode hierna vindt een begin plaats met re-integratiewerkzaamheden. [eisende partij] meldt zich hiervoor regelmatig af.

2.13.

Bij beslissing van 8 november 2022 volgt het oordeel van UWV.

2.14.

Nu [gedaagde partij] niet het volledige loon over de maanden april tot en met november 2022 heeft betaald, start [eisende partij] dit kort geding.

3 De vordering en het verweer

3.1.

[eisende partij] vordert de veroordeling van [gedaagde partij] tot betaling van een bedrag van € 19.986,22 aan achterstallig salaris te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 april 2022, de betaling van het salaris over de maand december 2022 voor een bedrag van € 2.390,12, kosten rechtens.

3.2.

[eisende partij] legt het volgende aan zijn vordering ten grondslag. Hij heeft zich eind maart 2022 mondeling ziek gemeld bij [gedaagde partij] . Zij heeft vervolgens nagelaten hem ziek te melden en het gebruikelijke loon bij ziekte uit te betalen. Bij brief van 29 juni 2022 heeft hij zich nogmaals ziekgemeld en gevraagd om uitbetaling van zijn (volledige) loon. [gedaagde partij] weigert dit ten onrechte en is in de afgelopen maande slechts overgegaan tot het gedeeltelijk uitbetalen van salaris.

3.3.

[gedaagde partij] voert, als meest verstrekkende verweer, aan dat [eisende partij] in april 2022 zijn arbeidsovereenkomst zelf heeft opgezegd, waarna zij, om hem tegemoet te komen bij het aanvragen van een uitkering nog een vaststellingsovereenkomst heeft aangeboden.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover voor de beoordeling relevant, nader ingegaan.

4 De beoordeling

5 De beslissing