Home

Rechtbank Den Haag, 26-02-2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:1754, SGR 21/138

Rechtbank Den Haag, 26-02-2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:1754, SGR 21/138

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
26 februari 2021
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2021:1754
Zaaknummer
SGR 21/138

Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering van bijstandsuitkering. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder naar voren gebracht dat de grondslag van het bestreden primaire besluit II, artikel 54, vierde lid, van de Pw, in de bezwaarfase zal komen te vervallen. De intrekking van verzoekers recht op bijstand per 1 november 2020 wordt wel gehandhaafd, echter met het derde lid van artikel 54 van de Pw als grondslag. Volgens de gemachtigde van verweerder wordt deze wijziging van grondslag gebaseerd op de bevindingen van het op 29 december 2020 verrichte huisbezoek en de tijdens dit huisbezoek door de huiseigenaar afgelegde verklaring. Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder zich op basis van de hiervoor genoemde bevindingen en de verklaring van de huisbaas terecht op het standpunt gesteld dat verzoeker in de te beoordelen periode niet woonachtig was op het uitkeringsadres, dat hij, door hier geen melding van te maken bij verweerder, de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden en dat het recht op bijstand hierdoor niet is vast te stellen. De voorzieningenrechter acht daarbij van belang dat verzoeker ter zitting heeft erkend dat de rapportage een juiste weergave van de bevindingen van het huisbezoek bevat. Verzoeker verbindt aan die bevindingen echter een andere conclusie, namelijk dat er voldoende aanknopingspunten zijn voor het oordeel dat verzoeker wél op het uitkeringsadres woont. De voorzieningenrechter deelt die conclusie – zoals hiervoor blijkt – niet. Dat verzoeker in het bezit is van een huurovereenkomst en een sleutel van het uitkeringsadres en dat hij aanwezig was tijdens het huisbezoek is, gelet op de overige constateringen die zijn gedaan tijdens het huisbezoek, onvoldoende om te concluderen dat verzoeker in de te beoordelen periode woonachtig was op het uitkeringsadres. Dat de uitschrijving van verzoeker op het uitkeringsadres bij besluit van 1 februari 2021 herzien is en verzoeker met terugwerkende kracht op voornoemd adres is ingeschreven in de BRP is eveneens onvoldoende om te concluderen dat in de te beoordelen periode woonachtig was op het uitkeringsadres. Zoals verweerder ook heeft aangegeven in de reactie van 24 februari 2021 komt volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep geen doorslaggevende betekenis toe aan een inschrijving in de BRP. Gelet op het voorgaande komt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat naar verwachting het bestreden primaire besluit II met een aanpassing van de grondslag en de motivering in bezwaar in stand kan blijven. Nu de intrekking van verzoekers recht op bijstand per 1 november 2020 naar verwachting in stand zal blijven, heeft verzoeker geen belang meer bij een voorlopige beoordeling van de opschorting van zijn recht op bijstand per dezelfde datum. De voorzieningenrechter zal zich om die reden niet uitlaten over de opschorting. Het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen wordt afgewezen.

Uitspraak

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 21/138

uitspraak van de voorzieningenrechter van 26 februari 2021 op het verzoek om een voorlopige voorziening van

(gemachtigde: mr. M.J.A. Bakker),

tegen

(gemachtigde: mr. L. Catakli).

Procesverloop

Bij besluit van 3 december 2020 (het bestreden primaire besluit I) heeft verweerder verzoekers recht op bijstand ingevolge de Participatiewet (Pw) per 1 november 2020 opgeschort.

Bij besluit van 17 december 2020 (het bestreden primaire besluit II) heeft verweerder verzoekers bijstandsuitkering per 1 november 2020 ingetrokken.

Verzoeker heeft tegen beide besluiten bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningenrechter tevens verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Verweerder heeft de gedingstukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 18 januari 2021 heeft verweerder aanvullende stukken ingediend.

Bij brief van 22 januari 2021 heeft verzoeker zijn verzoekschrift nader aangevuld.

In verband met de maatregelen rondom het coronavirus zijn partijen bij brief van 7 januari 2021 gevraagd of zij toestemming geven om de zaak schriftelijk af te doen. Verweerder heeft bij brief van 14 januari 2021 aangegeven toestemming te verlenen voor een schriftelijke afdoening van de zaak. Verzoeker heeft bij e-mail van 15 januari 2021 aangegeven geen toestemming te verlenen voor een schriftelijke afdoening van de zaak.

Het onderzoek ter zitting heeft via een skypeverbinding plaatsgevonden op 26 januari 2021. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Op 3 februari 2021 heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht het onderzoek te heropenen vanwege het op 1 februari 2021 door verweerder genomen besluit, waarbij het besluit tot uitschrijving van verzoeker uit de Basisregistratie personen (BRP) herzien is. Naar aanleiding hiervan heeft de voorzieningenrechter het onderzoek op 4 februari 2021 heropend teneinde verweerder in de gelegenheid te stellen te reageren op het heropeningsverzoek. Op 24 februari 2021 heeft verweerder een reactie ingediend. Vervolgens heeft de voorzieningenrechter het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Verzoeker heeft een beroep gedaan op betalingsonmacht ten aanzien van het betalen van het griffierecht. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om dit beroep toe te wijzen. Verzoeker hoeft dan ook geen griffierecht te betalen voor deze procedure.

2.1

Alvorens kan worden overgegaan tot een inhoudelijke behandeling van het verzoek om een voorlopige voorziening, beoordeelt de voorzieningenrechter of sprake is van een voldoende spoedeisend belang als bedoeld in artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Van een spoedeisend belang als hiervoor bedoeld is onder meer sprake wanneer betrokkene in acute financiële nood verkeert.

2.2

De voorzieningenrechter acht het spoedeisende belang in onderhavig geval voldoende aangetoond. Daarbij is van belang dat verzoeker sinds 1 november 2020 geen inkomen meer heeft, nu zijn bijstandsuitkering is ingetrokken. Verder acht de voorzieningenrechter van belang dat verzoeker meerdere schulden heeft. In verband hiermee acht de voorzieningenrechter aannemelijk dat verzoeker zijn vaste lasten niet meer kan betalen.

3. Aan de hand van een voorlopig rechtmatigheidsoordeel zal worden bepaald of er aanleiding is voor het treffen van een voorlopige voorziening.

4. Uit het dossier komt het volgende naar voren. Verscheidene aan verzoeker geadresseerde poststukken, waaronder uitkeringsspecificaties van augustus en september 2020, zijn retour gekomen met de mededeling dat verzoeker niet meer op het adres [adres 1] [huisnummer 1] te [plaats] (het uitkeringsadres) woonachtig is. Bij de stukken bevindt zich ook een huurovereenkomst waarin is overeengekomen dat verzoeker per 1 september 2020 een woning huurt aan de [adres 2] [huisnummer 2] in [plaats] . Voorts blijkt uit een telefoonnotitie van 25 september 2020 met betrekking tot een aantal aanvragen om bijzondere bijstand dat verzoeker zou hebben aangegeven dat de besluiten op voornoemde aanvragen kunnen worden gestuurd naar het adres [adres 2] [huisnummer 2] in [plaats] , omdat de brievenbus op het uitkeringsadres door de huisbaas is dichtgeplakt. Naar aanleiding hiervan is verweerder een onderzoek gestart naar de woon- en leefsituatie van verzoeker en heeft verweerder hangende het onderzoek de betaling van de uitkering stopgezet per 1 november 2020. Naar aanleiding van de bevindingen tijdens dit onderzoek is verzoekers recht op bijstand bij het bestreden primaire besluit I per 1 november 2020 opgeschort. Daarnaast heeft verweerder verzoeker verzocht om zich in te schrijven op het adres waar hij woonachtig is en, indien het niet mogelijk is om zich in te schrijven op zijn woonadres, een verklaring te verstrekken waarom dit niet mogelijk is. Op 16 december 2020 heeft verzoeker een schriftelijke verklaring verstrekt, waarin hij aangeeft nog altijd woonachtig te zijn op het uitkeringsadres. Verder verzoekt hij om een aanvullende termijn om de gevraagde stukken aan te leveren. Vervolgens heeft verweerder bij het bestreden primaire besluit II de bijstandsuitkering van verzoeker per 1 november 2020 ingetrokken, omdat hij de gevraagde stukken niet verstrekt heeft. Ten slotte heeft verweerder bij besluit van 11 januari 2021 verzoekers recht op bijstand over de periode van 2 oktober 2020 tot en met 31 oktober 2020 herzien en de over die periode uitbetaalde bijstand ten bedrage van € 973,63, € 762,16 na verrekening, van verzoeker teruggevorderd. Het onderhavige verzoek om een voorlopige voorziening is echter gericht tegen de opschorting en de intrekking van verzoekers bijstandsuitkering. De voorzieningenrechter zal zich dan ook daartoe beperken en geen oordeel geven over de herziening en terugvordering.

5. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder naar voren gebracht dat de grondslag van het bestreden primaire besluit II, artikel 54, vierde lid, van de Pw, in de bezwaarfase zal komen te vervallen. De intrekking van verzoekers recht op bijstand per 1 november 2020 wordt wel gehandhaafd, echter met het derde lid van artikel 54 van de Pw als grondslag. Volgens de gemachtigde van verweerder wordt deze wijziging van grondslag gebaseerd op de bevindingen van het op 29 december 2020 verrichte huisbezoek en de tijdens dit huisbezoek door de huiseigenaar afgelegde verklaring.

6.1

Dat verweerder de oorspronkelijke grondslag van het bestreden primaire besluit II in bezwaar laat vallen, heeft tot gevolg dat de voorzieningenrechter dient te beoordelen of deze nieuwe grondslag naar verwachting in de bezwaarfase in stand kan blijven.

6.2

Zoals reeds is aangegeven, zal de intrekking gebaseerd worden op de bevindingen van het huisbezoek van 29 december 2020. Blijkens de op 11 januari 2021 door M. Theijn, toezichthouder en consulent van de afdeling Handhaving en Fraude, opgemaakte “rapportage Handhaving & Fraude” (de rapportage) is tijdens het huisbezoek het volgende geconstateerd. Er zijn geen persoonlijke eigendommen van verzoeker aangetroffen. De poststukken en administratie die worden aangetroffen, zijn geadresseerd aan de huisbaas en een Turkse man. Op het nachtkastje staat een foto waar een andere man en een kind op staan. Desgevraagd kan verzoeker niet aangeven wie op deze foto staan. Ook kan verzoeker niet aanwijzen waar hij zijn sokken en ondergoed bewaart zonder eerst diverse lades te openen. De aanwezige kledingstukken blijken verzoeker overigens ook niet te passen; de kleding is te lang dan wel te krap voor verzoeker. Verder blijkt uit de ter plekke getoonde ‘mobiel bankieren app’ dat verzoeker sinds 25 juli 2020 geen huur meer betaald heeft. De huiseigenaar toont vervolgens huurbetalingen van een andere man over de periode van februari tot en met december 2020. Aansluitend aan het huisbezoek heeft de huiseigenaar een verklaring afgelegd waarin hij verklaart dat verzoeker niet woonachtig is op het adres. De huiseigenaar geeft verder aan dat verzoeker tot en met juli 2020 huur heeft betaald en dat verzoeker enkel huur betaalde om ingeschreven te staan op het adres en niet om hier feitelijk te verblijven. Ten slotte geeft de huiseigenaar aan de kamer sinds medio 2019 te verhuren aan een ander.

6.3

Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder zich op basis van de hiervoor genoemde bevindingen en de verklaring van de huisbaas terecht op het standpunt gesteld dat verzoeker in de te beoordelen periode niet woonachtig was op het uitkeringsadres, dat hij, door hier geen melding van te maken bij verweerder, de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden en dat het recht op bijstand hierdoor niet is vast te stellen. De voorzieningenrechter acht daarbij van belang dat verzoeker ter zitting heeft erkend dat de rapportage een juiste weergave van de bevindingen van het huisbezoek bevat. Verzoeker verbindt aan die bevindingen echter een andere conclusie, namelijk dat er voldoende aanknopingspunten zijn voor het oordeel dat verzoeker wél op het uitkeringsadres woont. De voorzieningenrechter deelt die conclusie – zoals hiervoor blijkt – niet. Dat verzoeker in het bezit is van een huurovereenkomst en een sleutel van het uitkeringsadres en dat hij aanwezig was tijdens het huisbezoek is, gelet op de overige constateringen die zijn gedaan tijdens het huisbezoek, onvoldoende om te concluderen dat verzoeker in de te beoordelen periode woonachtig was op het uitkeringsadres. Dat de uitschrijving van verzoeker op het uitkeringsadres bij besluit van 1 februari 2021 herzien is en verzoeker met terugwerkende kracht op voornoemd adres is ingeschreven in de BRP is eveneens onvoldoende om te concluderen dat in de te beoordelen periode woonachtig was op het uitkeringsadres. Zoals verweerder ook heeft aangegeven in de reactie van 24 februari 2021 komt volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep geen doorslaggevende betekenis toe aan een inschrijving in de BRP.1

6.4

Gelet op het voorgaande komt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat naar verwachting het bestreden primaire besluit II met een aanpassing van de grondslag en de motivering in bezwaar in stand kan blijven. Nu de intrekking van verzoekers recht op bijstand per 1 november 2020 naar verwachting in stand zal blijven, heeft verzoeker geen belang meer bij een voorlopige beoordeling van de opschorting van zijn recht op bijstand per dezelfde datum. De voorzieningenrechter zal zich om die reden niet uitlaten over de opschorting. Het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen wordt afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Munsterman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. R.A.E. Bach, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

26 februari 2021.

griffier voorzieningenrechter

De griffier is niet in staat deze uitspraak mede te ondertekenen.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel