Home

Rechtbank Den Haag, 11-11-2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:12636, SGR 20/7799

Rechtbank Den Haag, 11-11-2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:12636, SGR 20/7799

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
11 november 2021
Datum publicatie
2 december 2021
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2021:12636
Zaaknummer
SGR 20/7799

Inhoudsindicatie

Geen ontheffing voor auto op de begraafplaats. Terughoudendheid bij het verlenen van ontheffingen mag niet betekenen dat het onmogelijk is om een ontheffing te krijgen. Verweerder heeft echter in redelijkheid tot afwijzing van de aanvraag kunnen komen.

Uitspraak

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 20/7799

(gemachtigde: mr. R.B. van Heijningen),

en

(gemachtigde: mr. drs. W.M. Logtenberg).

Procesverloop

In het besluit van 26 maart 2020 (primair besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser voor een ontheffing afgewezen.

In het besluit van 2 november 2020 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft het beroep op 4 oktober 2021 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en zijn kleindochter. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens is namens verweerder de heer [A] (hoofd begraafplaatsen) verschenen.

Overwegingen

Waar gaat deze zaak over?

1. Eiser is een 83-jarige man die wegens gezondheidsproblemen onder meer slecht ter been is. Hij bezoekt al meer dan 45 jaar regelmatig de gemeentelijke begraafplaats Westduin met zijn auto. Zijn ouders, zus en echtgenote liggen daar begraven. Sinds 1 januari 2020 zijn geen motorvoertuigen meer toegestaan op de begraafplaats. Eiser heeft daarom een ontheffing aangevraagd om met zijn auto de begraafplaats te kunnen blijven bezoeken. Verweerder heeft deze aanvraag afgewezen.

Wat vinden partijen?

2. Eiser stelt dat geen redelijke belangenafweging heeft plaatsgevonden en dat het verbod voor hem ingrijpende gevolgen heeft. Eiser vindt dat hem de mogelijkheid is ontnomen om ongestoord, zelfstandig en onbegeleid, de graven te bezoeken op de wijze zoals hij meer dan 45 jaar lang heeft gedaan. Het is voor hem noodzakelijk om de auto te gebruiken, omdat hij vanwege zijn lichamelijke klachten niet in staat is om 50 meter te lopen. Daarnaast heeft hij in 1974 bewust voor deze begraafplaats gekozen, omdat het mogelijk was de graven te bezoeken met de auto. Als houder van grafrechten heeft hij bovendien een langdurige rechtsrelatie met de begraafplaats, waardoor de voorwaarden niet van de ene dag op de andere dag eenzijdig mogen worden gewijzigd. Op de zitting heeft de gemachtigde van eiser toegelicht dat bij de afweging om een ontheffing te verlenen, onvoldoende rekening is gehouden met de geest en de bedoeling van het VN-verdrag Handicap, en de daarop gebaseerde Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte. Tot slot stelt eiser ook de reden van het verbod ter discussie. Hij heeft namelijk nog nooit gezien dat er overlast heeft plaatsgevonden, zoals verweerder stelt.

3. Verweerder voert aan dat een ontheffing van het verbod weliswaar mogelijk is, maar dat met deze bevoegdheid terughoudend wordt omgegaan. Hiervoor wijst verweerder in de eerste plaats op de reden van het verbod. Op de begraafplaats kwamen te veel auto’s en daardoor ontstonden gevaarlijke situaties. Ook had het verkeer een negatieve invloed op de rust en orde op de begraafplaats. Dat een bezoeker niet in staat is langere afstanden te lopen is onvoldoende reden om een ontheffing te verlenen. Er zijn immers meer bezoekers die in dezelfde situatie verkeren. Wanneer in deze situaties een ontheffing zou worden verleend, zou de situatie kunnen ontstaan dat een flink aantal ontheffingen moet worden verleend. Verweerder neemt in dit verband als uitgangspunt dat bezoekers zelf hulp kunnen organiseren voor hun bezoek aan de begraafplaats, net zoals zij dat kunnen voor andere locaties die niet met de auto bereikbaar zijn. Op de begraafplaats zijn faciliteiten beschikbaar zoals gehandicaptenparkeerplaatsen en rolstoelen. Verweerder stelt verder dat de ruime openingstijden van de begraafplaats voldoende ruimte bieden voor bezoek met begeleiding. Daarnaast bestaan er diverse vrijwilligersorganisaties die tijdens een bezoek aan de begraafplaats hulp bieden. Verweerder vindt bovendien niet dat hij handelt in strijd met de geest en de bedoeling van het VN-verdrag Handicap en daarop gebaseerde wetgeving. Bij het vaststellen van het verbod is een belangenafweging gemaakt, waarbij aan het belang van rust, orde en veiligheid een groter gewicht is toegekend, dan aan het individuele belang van eiser. Verweerder voegt daaraan toe dat er op de begraafplaats inmiddels een systeem van buddy’s is opgezet, die bezoekers die slecht ter been zijn helpen (bijvoorbeeld door het duwen van een rolstoel).

Wat is het oordeel van de rechtbank?

4. In deze zaak gaat het om de vraag of het redelijk is dat verweerder geen ontheffing heeft verleend aan eiser. De rechtbank mag bij het beantwoorden van deze vraag niet op de stoel van verweerder gaan zitten. Wel toetst zij of verweerder goed heeft uitgelegd waarom eiser geen ontheffing heeft gekregen en of een goede afweging van alle relevante belangen heeft plaatsgevonden. Het gaat hierbij aan de ene kant om het belang van eiser om de begraafplaats te bezoeken zoals hij dat jarenlang gewend was te doen. Het staat buiten twijfel dat het verbod eiser raakt. Tegelijkertijd gaat het ook om het algemene belang van de gemeente om rust en orde te houden op de begraafplaats. Het is immers van belang dat er op een begraafplaats rust heerst, het er veilig is en dat uitvaarten er ongestoord kunnen plaatsvinden.

5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in voldoende mate heeft uitgelegd waarom eiser geen ontheffing heeft gekregen. In de kern komt deze uitleg erop neer dat als aan eiser een ontheffing wordt verleend, dat dan ook voor andere vergelijkbare gevallen zou moeten gelden. Op zitting heeft verweerder toegelicht dat vóór het verbod personen met een invalidenkaart (zoals eiser) een pasje kregen waarmee zij toegang tot de begraafplaats hadden met de auto. Het aantal personen dat op deze manier toegang had, lag rond de 400. De rechtbank vindt het daarom niet ongeloofwaardig dat als verweerder ontheffingen gaat verstrekken aan personen die slecht ter been zijn, dit een groot aantal ontheffingen kan worden waardoor wederom de rust en orde op de begraafplaats verstoord zou kunnen worden door de aanwezigheid van meerdere auto’s. Verweerder mag gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden terughoudend zijn met het verlenen van ontheffingen. De rechtbank begrijpt dat eiser betwist dat er überhaupt sprake was van overlast, maar het feit dat eiser nog nooit overlast heeft gezien, betekent niet dat er geen overlast heeft plaatsgevonden. Ook is niet gezegd dat eiser persoonlijk verantwoordelijk is of zal zijn voor het veroorzaken van overlast.

6. De terughoudendheid van verweerder om ontheffingen te verlenen mag in de praktijk niet betekenen dat het onmogelijk is een ontheffing te krijgen. Verweerder moet daarom per geval bekijken of een aanvrager van een ontheffing daarvoor in aanmerking komt door middel van een belangenafweging. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de belangen heeft gewogen en in redelijkheid tot het besluit kon komen om eiser geen ontheffing te verlenen.

7. Om te beginnen is rust en veiligheid op de begraafplaats een zwaarwegend belang. Een prettige begraafplaats zonder rust en veiligheid is niet goed voor te stellen. Daar staat tegenover dat eiser specifiek voor deze begraafplaats heeft gekozen en deze al heel lang regelmatig zelfstandig bezoekt. Hoewel eiser door het verbod niet meer zelfstandig de begraafplaats kan bezoeken, is het echter niet onmogelijk geworden voor hem om de begraafplaats te bezoeken. Wel heeft hij daarbij hulp en faciliteiten nodig. Die faciliteiten zijn er, want er zijn bijvoorbeeld rolstoelen en invalideparkeerplaatsen. De hulp is er ook, want eiser kan af en toe rekenen op familieleden en is er inmiddels, weliswaar na het bestreden besluit, door verweerder een buddysysteem opgezet. Om deze redenen volgt de rechtbank niet het betoog dat het weigeren van een ontheffing strijdigheid oplevert met de geest en de bedoeling van het hiervoor genoemde VN-verdrag of de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte.

8. De rechtbank begrijpt dat eiser het betreurt dat hij nu op een andere manier dan hij gewend was de begraafplaats moet bezoeken en dat hij daarbij, tegen zijn wil, afhankelijk is geworden van anderen. De opstelling van verweerder is weliswaar streng, maar volgens de rechtbank heeft verweerder goed uitgelegd waarom hij zich zo opstelt en heeft hij daarvoor steekhoudende argumenten gegeven.

Conclusie

9. Het beroep is ongegrond.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.R. Aaron, rechter, in aanwezigheid van Y.E. de Loos, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 11 november 2021.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?