Home

Parket bij de Hoge Raad, 13-05-2022, ECLI:NL:PHR:2022:470, 21/04454

Parket bij de Hoge Raad, 13-05-2022, ECLI:NL:PHR:2022:470, 21/04454

Gegevens

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
13 mei 2022
Datum publicatie
31 mei 2022
ECLI
ECLI:NL:PHR:2022:470
Zaaknummer
21/04454

Inhoudsindicatie

Personen- en familierecht. Ontzegging omgang vader ivm opname moeder en zoon in justitieel beschermingsprogramma. Is er strijd met art. 8 en 6 EVRM nu grondslag of rechtmatigheid justitieel beschermingsprogramma niet door hof is getoetst?

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 21/04454

Zitting 13 mei 2022

CONCLUSIE

M.L.C.C. Lückers

In de zaak

[de vader]

tegen

[de moeder]

door het hof is tevens als belanghebbende aangemerkt:

de Raad voor de Kinderbescherming.

Partijen worden hierna verkort aangeduid als de vader respectievelijk de moeder. De vader en de moeder worden hierna gezamenlijk aangeduid als ‘partijen’.

1 Inleiding en samenvatting

1.1

Deze zaak betreft een verzoek om vaststelling van een omgangsregeling tussen een vader en zijn ten tijde van de behandeling bij het hof acht jaar oude zoon. De zaak is in zoverre bijzonder omdat zowel rechtbank als hof het verzoek van de vader hebben afgewezen vanwege zwaarwegende belangen van de zoon, die samen met zijn moeder in een justitieel beschermingsprogramma is opgenomen, waarbij beiden onder andere een nieuwe identiteit hebben gekregen en hun verblijfplaats uiteraard geheim is. Zowel rechtbank als hof zijn van oordeel dat het justitieel beschermingsprogramma omgang in de weg staat. In cassatie wordt geklaagd dat het hof art. 6 en 8 EVRM heeft geschonden door de vader de omgang met zijn zoon te ontzeggen zonder inhoudelijk onderzoek te doen naar de rechtmatigheid van het huidige justitieel beschermingsprogramma. Nu de vader geen toegang had tot deze informatie had het hof deze rechtmatigheid volgens het cassatiemiddel niet mogen aannemen en op basis daarvan de omgang niet mogen ontzeggen.

2 Feiten en procesverloop

Feiten 1

2.1

In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan:

(i) Partijen zijn op 29 december 2003 met elkaar gehuwd.

(ii) De rechtbank Oost-Brabant (hierna: de rechtbank) heeft bij beschikking van 14 juli 2017 de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. De beschikking is op 21 december 2017 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

(iii) Uit het inmiddels ontbonden huwelijk van partijen is [de jongste zoon] (hierna ook: de minderjarige of de jongste zoon) geboren in januari 2013.

(iv) Voorafgaand aan het huwelijk is [de oudste zoon] (hierna ook: de oudste zoon) geboren in [geboortemaand] 2003.

(v) Bij beschikking van de rechtbank van 26 september 2018 is het ouderlijk gezag van de vader over de minderjarige beëindigd en is de moeder voortaan alleen met het gezag over de minderjarige belast. Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft die beslissing bij beschikking van 28 november 2019 bekrachtigd.

(vi) De minderjarige heeft zijn hoofdverblijf bij de moeder. Sinds 2017 vindt er geen contact meer plaats tussen de vader en de minderjarige.

Procesverloop 2

2.2

Op 30 maart 2020 heeft de vader een verzoekschrift ingediend bij de rechtbank Gelderland locatie Arnhem. De rechtbank Gelderland heeft de zaak bij beschikking van 14 april 2020 op grond van art. 270, eerste lid, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) verwezen naar de rechtbank Oost-Brabant.

2.3

Bij genoemd verzoekschrift heeft de vader de rechtbank verzocht – verkort en zakelijk weergeven – om bij beschikking, voor zover de wet dit toelaat uitvoerbaar bij voorraad, een omgangsregeling te treffen tussen hem en de minderjarige, zoals onder punt 34 van het verzoekschrift is omschreven, althans een zodanige regeling vast te stellen die de rechtbank gezien de huidige situatie in het belang van de minderjarige juist en redelijk acht.3

2.4

De moeder heeft verweer gevoerd tegen het verzoek van de vader. Zij heeft de rechtbank verzocht de vader niet ontvankelijk te verklaren in zijn verzoeken, dan wel zijn verzoeken af te wijzen omdat ze onvoldoende onderbouwd dan wel ongegrond zijn.4

2.5

Op 19 november 2020 heeft de rechter partijen gehoord via een Skype-gesprek omdat als gevolg van het Covid-19-virus geen mondelinge behandeling in elkaars aanwezigheid op de rechtbank kon plaatsvinden. De rechtbank heeft gesproken met de vader, bijgestaan door zijn advocaat en een tolk, met de moeder, bijgestaan door haar advocaat, en een vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de raad). Van de mondelinge behandeling met gesloten deuren via Skype is proces-verbaal opgemaakt.

2.6

Bij beschikking van 8 januari 2021 heeft de rechtbank het verzoek van de vader afgewezen en de proceskosten tussen partijen aldus gecompenseerd dat iedere partij de eigen kosten draagt.

2.7

De vader is van de beschikking van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (hierna: het hof). De vader heeft – samengevat en zakelijk weergegeven – het hof verzocht het hoger beroep gegrond te verklaren, voormelde beschikking van de rechtbank te vernietigen en, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, tussen de vader en de minderjarige een omgangsregeling te bepalen, waarbij de minderjarige met een geleidelijke opbouw om de week een weekend (vanaf vrijdagavond tot zondagavond) en de helft van de vakanties bij de vader verblijft, althans een zodanige regeling vast te stellen als het hof gezien de huidige situatie in het belang van het kind juist en redelijk acht, al dan niet met verbinden van dwangmiddelen aan het weigerachtig opstellen van de moeder en met veroordeling van de moeder in de kosten van deze procedure.5

2.8

De moeder heeft bij verweerschrift het hof verzocht de vader niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoeken dan wel zijn verzoeken als onvoldoende onderbouwd dan wel ongegrond af te wijzen.6

2.9

Op 21 juni 2021 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Bij die gelegenheid zijn de vader, bijgestaan door zijn advocaat, de moeder, bijgestaan door haar advocaat (de moeder en haar advocaat via beeldbelverbinding), en een vertegenwoordiger van de raad, gehoord. Van de mondelinge behandeling met gesloten deuren van het hof is proces-verbaal opgemaakt.

2.10

Bij beschikking van 29 juli 2021 heeft het hof de beschikking van de rechtbank van 8 januari 2021 bekrachtigd, de proceskosten in hoger beroep aldus gecompenseerd dat iedere partij de eigen kosten draagt en het meer of anders verzochte afgewezen.

2.11

De vader heeft van de beschikking van het hof van 29 juli 2021 – tijdig7 – beroep in cassatie ingesteld. De moeder heeft een verweerschrift in cassatie ingediend en heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep, kosten rechtens.

3 Voorgeschiedenis in deze zaak; beschikkingen rechtbank en hof

3.1

Er heeft zich in deze zaak veel afgespeeld tussen de vader, de moeder en de kinderen. Alvorens op het cassatiemiddel in te gaan, geef ik voor een goed begrip van de onderdelen in cassatie eerst de voorgeschiedenis in deze zaak weer zoals die blijkt uit de beschikking van de rechtbank, alsmede het oordeel van de rechtbank en tot slot de standpunten van partijen in hoger beroep.

Voorgeschiedenis blijkens beschikking rechtbank

3.2

De rechtbank heeft in de beschikking van 8 januari 2021 overwogen dat voor de beoordeling van deze zaak onder meer (kort weergegeven) de volgende uit de stukken blijkende feiten en niet (voldoende) weersproken stellingen van de moeder van belang zijn.8

“(…) De moeder heeft eind 2016 een verzoek tot echtscheiding ingediend bij deze rechtbank. Daarbij heeft de moeder de rechtbank ook gevraagd om haar voortaan alleen te belasten met het gezag over [de jongste zoon], om het hoofdverblijf van [de jongste zoon] voortaan bij haar te bepalen en het hoofdverblijf van [de oudste zoon] voortaan bij de vader te bepalen en om een zorgregeling tussen haar en [de oudste zoon] vast te stellen. De vader was het niet eens met de echtscheiding. In februari 2017 heeft de vader de kinderen zonder toestemming van de moeder meegenomen naar het buitenland. Hij is daar later strafrechtelijk voor veroordeeld. In juli 2017 heeft de rechtbank de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. De verzoeken van de moeder over gezag, hoofdverblijfplaats en een zorgregeling zijn aangehouden in afwachting van een door de raad in te stellen onderzoek. Kort daarna heeft de vader de kinderen opnieuw zonder toestemming van de moeder meegenomen naar het buitenland. Ook hiervoor is de vader later strafrechtelijk veroordeeld. Daarbij is aan hem ook een contactverbod met de moeder opgelegd. Na terugkeer uit het buitenland heeft [de oudste zoon] eind september 2017 met een mes op zijn moeder ingestoken, waarbij de moeder ernstig verwond is geraakt. Het Stelsel Bewaken en Beveiligen vanuit het OM Brabant heeft op basis van twee rapportages van het LEC [Het Landelijk Expertise Centrum (LEC) Eergerelateerd Geweld; toev. A-G] het risico op eergerelateerd geweld als hoog ingeschat (“Code Rood”). Om die reden heeft de moeder samen met [de jongste zoon] een aantal maanden op verschillende onderduikadressen doorgebracht en beiden zijn met het oog op hun veiligheid opgenomen in een beschermingsprogramma van de politie, waarbij zij een nieuwe identiteit hebben aangenomen. De verblijfplaats van de moeder en [de jongste zoon] mag niet bekend gemaakt worden. Nadat de raad onderzoek heeft gedaan naar het gezag, de hoofdverblijfplaats en de zorgregeling heeft een nieuwe mondelinge behandeling bij de rechtbank plaatsgevonden. De moeder is tijdens die behandeling bijgestaan door een eerwraakspecialist van de politie en is onder politiebegeleiding naar de locatie gebracht van waaruit een videoverbinding met de rechtbank tot stand is gebracht. De vader heeft tijdens de mondelinge behandeling op de rechtbank aangegeven dat hij de scheiding niet accepteert, dat de moeder hem belachelijk heeft gemaakt en dat partijen volgens het Islamitisch recht getrouwd zullen blijven. De rechtbank heeft de verzoeken van de moeder over het gezag en het hoofdverblijf toegewezen en daarbij overwogen dat het vanwege veiligheidsrisico’s niet mogelijk was om het hoofdverblijf van [de oudste zoon] bij de moeder te bepalen. Zijn hoofdverblijf is daarom bij de vader bepaald. De moeder heeft haar verzoek voor een zorgregeling tussen haar en [de oudste zoon] tijdens de mondelinge behandeling ingetrokken. Het hof ’s-Hertogenbosch heeft de beschikking, voor zover ter beoordeling aan het hof voorgelegd, bekrachtigd. is enige tijd met een machtiging van de kinderrechter in de gesloten instelling voor jeugdzorg van de OGH stichting in Zetten geplaatst. Ook is hem een jeugdreclasseringsmaatregel opgelegd. De vader heeft op enig moment geprobeerd om met messen bij OGH naar binnen te gaan. Aan de vader is later een geldboete opgelegd voor het bij zich hebben van messen. De vader is vanwege de strafrechtelijke veroordelingen voor het onttrekken van de kinderen aan het gezag in december 2017 onder toezicht gesteld van de reclassering en hem is als bijzondere voorwaarde een behandelverplichting bij Kairos opgelegd. Het Veiligheidshuis Arnhem heeft in 2019 opdracht gegeven aan het Adviesbureau Nuance door Training (NTA) om aan de hand van gesprekken met de vader een duiding te maken van het risico op eergerelateerd geweld. De reclassering heeft in een brief van 11 oktober 2019 samen met Jeugdbescherming Gelderland en Kairos het volgende aangegeven. De vader mist zijn jongste zoon erg. De vader is inmiddels hertrouwd. De vader voelt zich onterecht behandeld en heeft het gevoel dat hij als een gevaarlijke rancuneuze onverantwoordelijke man wordt afgeschilderd. Hij ervaart dit als krenkend naar familieleden, buurtbewoners, opdrachtgevers etc., aldus de reclassering. De vader wil hierover met de moeder in gesprek maar zij zit op een geheime locatie en er is verder geen contact mogelijk. Het zou, zo geeft de reclassering aan, voor de vader belangrijk zijn dat hij weer contact kan hebben met zijn jongste zoon en dat het contact tussen de broers weer wordt hersteld. Dat kan in eerste instantie onder toezicht en meerdere instanties hebben aangegeven hierin te willen bemiddelen. Op 10 december 2019 is het rapport van het NTA besproken met diverse instanties waaronder de reclassering, Kairos, het Veiligheidshuis Arnhem, Jeugdbescherming Arnhem en de politie namens de hoofdofficier van justitie. Kairos heeft in een brief van 11 mei 2020 de behandeldoelen en behandelinstrumenten in het kader van het reclasseringstraject van de vader benoemd. Daarbij is aangegeven dat Kairos pogingen heeft gedaan om informatie uit te wisselen met het OM en de politie met als doel om in te zetten op normalisatie van de betrekkingen tussen de vader en [de jongste zoon] (en daartoe de ex-partner). Er kan, aldus Kairos, vanuit politie en justitie nauwelijks informatie worden verstrekt over de reden van het telkens verlengen van de veiligheidsmaatregelen. Door dit gebrek aan inzicht in de argumentatie voor het voortzetten van de veiligheidsmaatregelen kan Kairos zich als behandelend instelling alleen richten op het delictgedrag waarvoor de vader naar Kairos is verwezen (de onttrekking aan het gezag en het voorkomen van recidive). De doelen op dit gebied zijn behaald en de grenzen van wat Kairos als behandelin[]stelling kan bieden is daarmee bereikt, aldus nog steeds Kaïros. Jeugdbescherming Gelderland (betrokken vanwege [de oudste zoon]) heeft in een brief van 8 juni 2020 aan de reclassering aangegeven dat het haar opdracht is om kwetsbare kinderen perspectief te bieden op een positieve emotionele ontwikkeling en dat daarvoor nodig is dat [de oudste zoon] weer contact krijgt met zijn moeder en broertje. In een “advies aan opdrachtgever” van 15 juni 2020 van de reclassering is vermeld dat het OM Brabant geen aanvullende informatie kan verstrekken over het dreigingsrisico en dat het Veiligheidshuis geen inzage heeft in de rapportage van het NTA. De hoofdofficier van justitie heeft op 24 juli 2020 aangegeven dat nog steeds sprake is van “Code Rood”.De vader stelt dat er geen concrete feiten en omstandigheden zijn die rechtvaardigen dat hij geen contact met zijn jongste [de jongste zoon] kan hebben. Hij is bereid de omgang gefaseerd en onder begeleiding te starten. Hij geeft verder aan dat onder meer het Veiligheidshuis Arnhem de omgang wil begeleiden. De vader stelt verder dat hij geen informatie krijgt van de politie en de hoofdofficier van justitie. Hij wijst er op dat de bevindingen van de reclassering, Jeugdzorg en Kairos lijnrecht tegenover het standpunt van de politie en de hoofdofficier staan. Om die reden heeft - na lang aandringen - in opdracht van het Veiligheidshuis Arnhem een onderzoek plaatsgevonden door een onafhankelijk onderzoeks- en adviesbureau dat gespecialiseerd is in onder meer mogelijke eerwraakrisico’s. De uitkomst van dat onderzoek is opgenomen in het NTA-rapport en de vader geeft aan dat hij geen inzage in dit rapport heeft gekregen.”

Oordeel rechtbank

3.3

De rechtbank heeft vervolgens – samengevat en zakelijk weergegeven – onder meer het volgende overwogen:9

- Uit de stukken, de weergegeven feiten en niet (voldoende) weersproken stellingen van de moeder en uit dat wat tijdens de mondelinge behandeling is besproken, blijkt voldoende dat de moeder en [de jongste zoon] zich nog altijd in een justitieel beschermingsprogramma bevinden. Dat is door de vader ook niet weersproken. De rechtbank overweegt in dat verband dat een beschermingsprogramma niet zonder goede reden wordt ingezet en voortgezet. De rechtbank leidt hieruit af dat dus nog steeds sprake is van een risicovolle, althans zeer zorgelijke situatie.

- De vader stelt dat de zorgen om de veiligheid van de moeder ongefundeerd zijn en dat omgang met [de jongste zoon] dus mogelijk is maar de rechtbank deelt dit standpunt niet. Uit het Duidingsrapport (dat in opdracht van het Veiligheidshuis Arnhem is opgemaakt met het doel om op basis van gesprekken met de vader het risico op eergerelateerd geweld in te schatten) in combinatie met de overige stukken, de feiten en niet (voldoende) weersproken stellingen van de moeder en uit dat wat de vader tijdens de mondelinge behandeling heeft aangegeven, komen zorgelijke signalen naar voren die de stelling van de vader tegenspreken. Zo wordt in het Duidingsrapport aangegeven dat de vader voorwaarden heeft gesteld aan de moeder in ruil voor zijn medewerking aan een islamitische echtscheiding. De voorwaarden houden volgens het Duidingsrapport in dat de moeder haar verontschuldigingen moet aanbieden voor het uit elkaar halen van het gezin en dat de moeder een schriftelijke verklaring én een verklaring op video moet afleggen dat de vader onschuldig is en dat hij de moeder nooit fysiek of verbaal heeft mishandeld. De vader wil de video vervolgens naar moeders familie in Afghanistan en Pakistan sturen om zijn reputatie te herstellen. Dit alles is volgens de rechtbank tijdens de mondelinge behandeling ook niet door de vader betwist.

- De vader geeft aan dat zijn uitspraken over de moeder en de echtscheiding uit het verleden dateren, maar tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat de vader zich ook dit jaar nog heeft verzet tegen de Islamitische echtscheiding tussen de moeder en de vader. Door de tegenwerking van de vader heeft de moeder deze echtscheiding uiteindelijk pas in maart 2020, met toestemming van een imam, kunnen bewerkstelligen.

- Verder heeft de moeder er tijdens de mondelinge behandeling op gewezen dat de vader ook tijdens de mondelinge behandeling in deze zaak in zijn moedertaal nog altijd spreekt over de moeder als zijn vrouw, terwijl partijen inmiddels al geruime tijd zijn gescheiden. De vader heeft ook dit niet betwist. Daarnaast heeft de moeder de vader uitdrukkelijk verzocht om geen contact meer op te nemen met haar moeder omdat dit een van de weinige personen is met wie de moeder vanuit het beschermingsprogramma nog contact mag hebben. Ook dit heeft de vader niet weersproken.

3.4

De rechtbank heeft op basis van al het voorgaande geconcludeerd dat de vader de echtscheiding nog altijd niet zonder meer accepteert en daarom kennelijk nog steeds uit is op informatie over de moeder. Dit versterkt de zorgen die de rechtbank heeft in deze zaak.10 De rechtbank heeft het verzoek van de vader om een omgangsregeling tussen hem en de minderjarige vast te stellen, afgewezen en hiertoe verder nog het volgende overwogen:

“(…) De raad heeft tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat omgang tussen de vader en [de jongste zoon] niet in het belang van [de jongste zoon] is omdat dit teveel druk op hem zou leggen. Met de raad is de rechtbank van oordeel dat omgang en contact met de vader een te grote belasting voor [de jongste zoon] zouden vormen zolang [de jongste zoon] en de moeder zich in het beschermingsprogramma bevinden. [de jongste zoon] zou namelijk door de politie begeleid moeten worden naar en tijdens de contactmomenten terwijl vragen van de vader over bijvoorbeeld simpele zaken als school, de leerkrachten, vriendjes etc. door hem niet beantwoord kunnen worden. De verantwoordelijkheid om ieder aspect - hoe gering ook - van de geheime verblijfplaats en de identiteit van de moeder en [de jongste zoon] geheim te houden kan - zeker gelet op de jonge leeftijd van [de jongste zoon] en de druk en stress die dat naar verwachting voor hem meebrengt - in redelijkheid niet van hem gevergd worden. Dat verschillende instanties, waaronder het Veiligheidshuis Arnhem, aan de vader hebben aangegeven dat zij bereid zijn om de omgang te begeleiden en dat vader stelt dat een tolk aanwezig kan zijn bij de omgang om duidelijkheid te krijgen over wat tijdens de omgang wordt besproken, maakt dat niet anders. Hoewel de rechtbank de wens van de vader om zijn zoon te zien en zijn wens om de beide broers contact te laten hebben met elkaar begrijpt, acht de rechtbank dit nu niet in het belang van [de jongste zoon] en daarnaast ook praktisch niet uitvoerbaar. De overige door de vader aangevoerde argumenten leiden niet tot een andere conclusie. De rechtbank zal dan ook het verzoek van de vader afwijzen.”

Standpunten partijen en raad in hoger beroep

3.5

In hoger beroep hebben partijen en de raad blijkens de beschikking van het hof van 29 juli 2021 het volgende aangevoerd:

“3.5. De vader voert - samengevat - het volgende aan. De rechtbank heeft niet voldaan aan haar zware inspanningsverplichting om het wederzijdse uit artikel 8 EVRM voortvloeiende recht op omgang tussen de vader en [de jongste zoon] tot stand te laten komen. De vader betwist met klem dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan fysiek geweld en eerwraak jegens de moeder. De rapportages van het LEC uit 2017 en 2018 zijn louter opgesteld vanuit een algemeen cultureel perspectief, zijn gedateerd en bieden geen grondslag voor deze beschuldigingen. Sinds de uitkomst van die rapporten is er bovendien veel veranderd in deze casus. Desondanks handhaaft de officier van justitie zonder motivering de risico-inschatting. De vader is het niet eens met de overweging van de rechtbank dat hij niet (voldoende) heeft weersproken dat de moeder en [de jongste zoon] zich in een justitieel beschermingsprogramma bevinden. De vader heeft diverse malen bij het openbaar ministerie geïnformeerd naar de grondslag van het van kracht laten van het justitieel beschermingsprogramma, maar aan hem wordt geen openheid van zaken gegeven. De vader betwist dat er reden is om het justitieel beschermingsprogramma te handhaven. De rechtbank had bij het CCB [(Portefeuillehouder) Conflict en Crisisbeheersing van de regionale politie eenheid11; toev. A-G] dan wel bij de hoofdofficier van justitie nadere informatie moeten inwinnen over de huidige situatie dan wel een raads- of deskundigenonderzoek moeten gelasten naar de mogelijkheden voor omgang tussen de vader en [de jongste zoon].De vader heeft de echtscheiding tussen partijen geaccepteerd. Code “rood” geldt niet langer. De ketenpartners Jeugdbescherming Gelderland, de reclassering en Kairos, bij wie de vader trajecten heeft doorlopen, geven aan dat zich geen gevaarsituatie meer voordoet en zij zijn bereid om te bemiddelen bij het herstel van de omgang tussen de vader en [de jongste zoon]. Het is ook van belang dat er weer contact komt tussen [de jongste zoon] en zijn broer. De vader betwist dat hij contact opneemt met de familie van de moeder. 3.6. De moeder voert - samengevat - het volgende aan. De moeder en [de jongste zoon] bevinden zich in een justitieel beschermingsprogramma. Zij hebben een nieuwe identiteit aangenomen. Sinds januari 2021 geldt de moeder als onvindbaar voor de vader. Om deze reden, en dus niet omdat er geen dreiging meer is, is er niet langer sprake van de zogenoemde “code rood”. Onder deze omstandigheden is omgang tussen de vader en [de jongste zoon] niet uitvoerbaar. Er zijn weliswaar nu geen directe bedreigingen vanuit de vader richting de moeder omdat zij onvindbaar is, maar de vader belt nog steeds met de moeder van de moeder en hij vertoont ongewenst gedrag richting de familie van de moeder. De door de vader genoemde ketenpartners zijn niet op de hoogte van de werkelijke situatie van de moeder en [de jongste zoon] vanwege de daarmee gepaard gaande veiligheidsrisico's. [de jongste zoon] ontwikkelt zich goed in de thuissituatie bij de moeder. 3.7. De raad heeft tijdens de mondelinge behandeling het hof geadviseerd de beschikking waarvan beroep te bekrachtigen. De moeder en [de jongste zoon] mogen niet in een onveilige situatie worden gebracht. Uit het rapport van Kairos blijkt dat de vader zorgelijke uitspraken doet. Hij stelt zijn eigen belang voorop. Er zit veel boosheid en frustratie bij de vader. Ook los van het beschermingsprogramma is omgang met de vader in de huidige omstandigheden niet in het belang van [de jongste zoon]. [de jongste zoon] is niet veilig tussen de ouders, die zo verschillend naar de huidige situatie kijken.”

4 Bespreking van het cassatiemiddel

5 Conclusie