Home

Parket bij de Hoge Raad, 25-06-2004, AO8558, R03/100HR

Parket bij de Hoge Raad, 25-06-2004, AO8558, R03/100HR

Gegevens

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
25 juni 2004
ECLI
ECLI:NL:PHR:2004:AO8558
Zaaknummer
R03/100HR
Relevante informatie
Wet op de rechterlijke organisatie 81

Inhoudsindicatie

25 juni 2004 Eerste Kamer Rek.nr. R03/100HR JMH/AS Hoge Raad der Nederlanden Beschikking in de zaak van: [Eiser], wonende te [woonplaats], VERZOEKER tot cassatie, advocaat: mr. R.T.R.F. Carli, t e g e n 1. [Verweerster 1], wonende te [woonplaats], 2. [Verweerster 2], wonende te [woonplaats], 3. [Verweerster 3], wonende te [woonplaats], VERWEERSTERS in cassatie, advocaat: mr. J.F.M. van Weegberg. 1. Het geding in feitelijke instanties...

Conclusie

Rek.nr R03/100HR

mr J. Spier

Parket 16 april 2004

Conclusie inzake

[eiser]

(hierna: JG)

tegen

1. [verweerster 1]

2. [verweerster 2]

3. [verweerster 3]

(hierna tezamen RG c.s.)

1. Feiten

1.1 In deze zaak kan van het navolgende worden uitgegaan.(1)

1.2 Verweerster in cassatie sub 1 (hierna RG) is stiefzuster van JG. Verweersters in cassatie sub 2 en 3 zijn haar dochters.

1.3.1 G-V, geboren op [geboortedatum] 1912, is de moeder van JG. Zij oefent het testamentair bewind uit over G's erfdeel in de nalatenschap van zijn vader.(2) JG's vader is overleden op 13 december 1989.

1.3.2 G-V heeft het bewind feitelijk doen voeren door RG. RG is een halfzus van JG. RG had weer de hulp van zekere Ter B.

1.4 Ter B. zag het als zijn taak erop toe te zien dat JG geen onverantwoorde uitgaven zou doen.

1.5 Per 1 januari 2000 was JG's vermogen ruim f 3.000.000.

1.6 Volgens de "informele bewindvoerder" mocht JG f 250 per week opnemen.

2. Procesverloop

2.1 RG c.s. hebben - klaarblijkelijk op de voet van art. 1:432 lid 1 BW - op 14 augustus 2000 bij de Kantonrechter te Amsterdam een verzoek ingediend tot instelling van een bewind als bedoeld in art. 1:431 BW over alle goederen van JG. Zij hebben verzocht verweersters in cassatie sub 2 en 3 te benoemen tot bewindvoerders.

2.2 JG heeft verweer gevoerd tegen de onderbewindstelling van zijn volledige vermogen en de benoeming van verweersters sub 2 en 3 tot bewindvoerders.

2.3.1 Bij beschikking van 9 augustus 2001 heeft de Kantonrechter bewind ingesteld over de goederen die (zullen) toebehoren aan JG. Kas-Associatie N.V., Kas-vermogensbeheer te Amsterdam is benoemd tot bewindvoerder.

2.3.2 De Kantonrechter heeft onder meer overwogen

"dat alle betrokkenen er bij gebaat zullen zijn om in de wijze waarop het beheer van [het vermogen ... van] G. zal worden gevoerd, meer dan voorheen tot uitdrukking te brengen dat alleen [zijn ...] belang in dat beheer behoort te worden gediend en geen ander" (rov. 3.12).

2.3.3 In rov. 5 en 6 werkt de Kantonrechter uit waarom "er voldoende indicatie voor onderbewindstelling aanwezig is."

2.3.4 De Kantonrechter stipt nog aan dat het testamentaire bewind "in wezen" in handen komt/is van ABN AMRO Bank, waarbij de beide bewindvoerders elkaar op de hoogte moeten houden en dubbel werk moeten vermijden. ABN AMRO Bank is benoemd als bewindvoerder van G-V, als gezegd de testamentaire bewindvoerder van JG (rov. 7).

2.4 JG heeft hoger beroep ingesteld. Zijn bezwaren richten zich tegen de onderbewindstelling van alle goederen. Hij bestrijdt dat zijn lichamelijke of geestelijke toestand het bewind rechtvaardigt. Ten slotte verzet hij zich tegen het testamentaire bewind.

2.5.1 Na verweer van RG c.s. heeft de Rechtbank bij beschikking van 26 juni 2002 een deskundige (een psychiater) benoemd om te komen tot beantwoording van de vraag of bij JG sprake is van een lichamelijke of geestelijke toestand met als rechtstreeks gevolg dat hij niet ten volle in staat is zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen.

2.5.2 De Rechtbank tekent nog aan dat het door de Kantonrechter uitgesproken bewind "het gehele toekomstige en tegenwoordige vermogen van appellant omvat, inclusief voornoemd testamentair vermogensbestanddeel" (rov. 10).

2.5.3 Volgens blz. 2 van deze beschikking zou een proces-verbaal van een zitting waarop diverse personen zijn gehoord zijn aangehecht. Ik trof dat niet bij de stukken aan.

2.6 De deskundige heeft op 24 januari 2003 rapport uitgebracht. Zijn bevindingen zijn gebaseerd op drie gesprekken van in totaal 5 uur.

2.7 De Rechtbank heeft bij beschikking van 28 mei 2003 de beschikking van de Kantonrechter vernietigd in zoverre dat de aan JG toekomende periodieke uitkering(en) in de vorm van een WAO-uitkering en/of AOW-pensioen, dan wel vergelijkbare uitkering(en) van het beheer [bedoeld zal zijn: bewind, JS] worden uitgesloten en diens beschikking voor het overige bekrachtigd. De Rechtbank heeft daartoe als volgt overwogen:

"4. De rechtbank concludeert uit het deskundigenrapport dat appellant in staat is zijn basale vermogensrechtelijke belangen zelf behoorlijk waar te nemen, zoals het beheer van gelden noodzakelijk voor het dagelijks ofwel telkens wederkerend gebruik. Hij wordt derhalve voldoende in staat geacht een hem toekomende in dit kader toekomende periodieke uitkering(en) te beheren. Op grond daarvan is de rechtbank van oordeel dat de bestreden beschikking van de kantonrechter in zoverre behoort te worden vernietigd.

5. Appellant bezit daarnaast echter een groot vermogen dat volgens geïntimeerden is belegd in een gespreide aandelenportefeuille. Dit vermogen, verkregen uit een erfenis, moet worden aangemerkt als een ideaal financieel belang als hiervoor [in rov. 3] bedoeld.

De door de rechtbank aangewezen deskundige heeft geconstateerd dat bij appellant sprake is van een schizothyme persoonlijkheidsstoornis, die als gevolg heeft dat beslissingsprocessen in financiële kwesties kwantitatief zijn verstoord. Dit houdt in dat appellant zich in mindere mate dan gemiddeld bewust is van bepaalde consequenties.

De rechtbank komt op grond daarvan tot het oordeel dat bij appellant sprake is van een geestelijke toestand met als rechtstreeks gevolg dat hij niet ten volle in staat is zelf zijn vermogensrechtelijke belangen, voor zover betrekking hebbend op zijn hiervoor bedoeld vermogen, behoorlijk waar te nemen. Een onderbewindstelling daarvoor is derhalve geboden."

2.8 JG heeft tijdig beroep in cassatie ingesteld van deze beschikkingen van de Rechtbank. RG c.s. hebben een verweerschrift ingediend.

3. Bespreking van de cassatiemiddelen

3.1 Middel 1 bevat de klacht dat de Rechtbank een kennelijke vergissing heeft begaan bij de vaststelling van de datum waarop het beroepschrift is ontvangen. De beschikking vermeldt als datum 10 oktober 2001, hetgeen zou betekenen dat JG niet-ontvankelijk zou moeten zijn verklaard in zijn beroep wegens overschrijding van de appèltermijn, terwijl op het beroepschrift door de griffie een stempel is geplaatst met als datum 8 oktober 2001.

3.2 Deze klacht - die op zich gegrond is - kan niet tot cassatie leiden omdat JG daarbij geen belang heeft. In weerwil van de vermelding van 10 oktober 2001 als datum van ontvangst van het beroepschrift, heeft de Rechtbank JG immers ontvangen in zijn beroep.

3.2 Middel 2 klaagt erover dat de Rechtbank ten onrechte, dan wel onvoldoende gemotiveerd, heeft geoordeeld dat de door de Kantonrechter uitgesproken onderbewindstelling ook het onder testamentair bewind vallende vermogen van de belanghebbende omvat, zulks in strijd met art. 1066 e.v. (oud) BW en/of art. 1:431 e.v. BW omdat het testamentair bewind het meerderjarigenbewind overbodig maakt en de visies van de verschillende bewindvoerders kunnen conflicteren.

3.3 Het middel neemt terecht tot uitgangspunt dat in casu - in elk geval voor een deel - sprake is van een "dubbel" bewind. Het door de Kantonrechter ingestelde bewind ziet, voor zover door de Rechtbank gehandhaafd, op het gehele vermogen. Alleen bepaalde periodieke inkomsten zijn door de Rechtbank uitgesloten.

3.4 Uit de gedingstukken valt op te maken dat het vermogen niet alleen (zij het vermoedelijk wel in overwegende mate) bestaat uit de nalatenschap van JG's vader. Het uit die erfenis voortvloeiende vermogen is, als gezegd, onder testamentair bewind gesteld.

3.5 De omstandigheid dat - voor zover thans nog van belang - het vermogen van JG niet louter bestaat uit bedoelde nalatenschap heeft de Kantonrechter ertoe gebracht naast het testamentaire bewind een bewind op de voet van art. 1:431 BW in te stellen. Daarbij heeft hij een aantal praktische suggesties gedaan (klaarblijkelijk) om deze situatie werkbaar en niet onnodig kostbaar te maken; zie onder 2.3.4.

3.6 Tegen de omstandigheid dat aldus voor een belangrijk deel een "dubbel" bewind in het leven werd geroepen en tegen de redengeving daarvoor is als zodanig in appèl niet opgekomen. Reeds daarom faalt de klacht.

3.7 Zij stuit ook hierop af dat, anders dan JG aanvoert, meerderjarigenbewind en testamentair bewind in beginsel wel degelijk naast elkaar kunnen bestaan.(3) Dat gold voor de samenloop tussen meerderjarigenbewind en testamentair bewind onder het "oude" recht; datzelfde is het geval voor het huidige erfrecht. De vraag of hier de bepalingen van het oude of het nieuwe erfrecht toepasselijk zijn, kan daarmee blijven rusten.(4)

3.8 De steller van het middel kan worden toegegeven dat een (nadere) uitleg van de wenselijkheid van dit dubbele bewind geen overbodige luxe zou zijn geweest.(5) In het licht van hetgeen hiervoor onder 3.6 werd opgemerkt, kan daarover m.i. niet met vrucht in cassatie worden geklaagd.

3.9 Middel 3 richt twee klachten tegen rov. 10 van de tussenbeschikking van 26 juni 2002, waarin de Rechtbank heeft geoordeeld dat het door de Kantonrechter ingestelde bewind het gehele tegenwoordige en toekomstige vermogen van JG omvat, inclusief het vermogen waarop testamentair bewind rust en dat JG thans geen beroep meer kan doen op zijn legitieme.

3.10 Deze klacht mist belang, zoals de steller ook onderkent. De door het middel aangekaarte vraag heeft immers betrekking op het testamentaire bewind. Dat is evenwel niet de inzet van deze procedure. Daarom doet de vraag of het bestreden oordeel al dan niet juist is niet ter zake.

3.11 Aantekening verdient nog dat de bestreden rov. is gesteld in de sleutel van een uitleg van de omvang van het door de Kantonrechter ingestelde bewind. Daarbij ging het niet om een testamentair bewind - dat was al ingesteld door de erflater - maar om een meerderjarigenbewind. Bij dat laatste komt het niet aan op de vraag of JG al dan niet (nog steeds) beroep kan doen op zijn legitieme.

3.12 Ook wanneer de stelling van JG over het beroep op zijn legitieme gegrond zou zijn, zou hem dat niet kunnen baten. Dat zou er dan immers hooguit(6) toe kunnen leiden dat het testamentair bewind van tafel zou zijn. De legitieme zou dan, zonder bezwaar van een testamentair beding, tot zijn vermogen behoren. De Rechtbank heeft over zijn gehele vermogen bewind ingesteld. Daarbij is niet van belang wat de oorsprong van dat vermogen is. Daarom is zonder gewicht of het beroep op de legitieme al dan niet nog mogelijk was.

3.13 Middel 4 betreft de waardering door de Rechtbank van het deskundigenrapport. Volgens de klacht heeft de Rechtbank met name in rov. 1 van de eindbeschikking een onjuiste interpretatie gegeven aan het deskundigenrapport.

3.14 De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat mij niet recht duidelijk is wat deze klacht nauwkeurig inhoudt. Kennelijk bood zij ook voor verweerders in cassatie niet veel houvast.

3.15 Volgens vaste rechtspraak is de waardering van deskundigen-rapporten overgelaten aan de rechter die over de feiten oordeelt en kan diens oordeel in cassatie slechts op begrijpelijkheid worden getoetst. Onbegrijpelijk is de weergave door de Rechtbank niet.

3.16 Een geheel andere vraag is welke consequenties moeten worden verbonden aan de opvatting van de deskundige. Daarover velt de Rechtbank in rov. 1 evenwel geen oordeel. Dat gebeurt wel in rov. 5.

3.16.1 M.i. is onduidelijk of het middel zich mede richt tegen rov. 5. Voor een ontkennende beantwoording van die vraag pleit dat in de eerste alinea met zoveel woorden slechts wordt gesproken van rov. 1. Rov. 5 wordt niet genoemd; ook niet elders in het middel. Ook de wederpartij heeft deze klacht klaarblijkelijk aldus begrepen dat zij alleen opkomt tegen rov. 1, al is dat gezien het op dit punt summiere verweerschrift niet boven iedere twijfel verheven.

3.16.2 Men kan de klacht ook anders lezen. En wel aldus dat zij mede opkomt tegen het oordeel van de Rechtbank in rov. 5. De klacht veronderstelt dan dat de Rechtbank zich heeft bekeerd tot het in rov. 1 genoemde oordeel van de deskundige dat "een ideaal financieel belang" is gelegen in "het instandhouden en aan de erfgenamen kunnen overdragen van grote rijkdommen." In deze lezing wordt dat oordeel kennelijk als onjuist bestreden.

3.17 In rov. 5 rept de Rechtbank van "een ideaal belang als hiervoor bedoeld". Ik denk dat de Rechtbank met "hiervoor bedoeld" teruggrijpt op de daaraan voorafgaande volzin waar sprake is van "een groot vermogen dat volgens geïntimeerden is belegd in een gespreide aandelenportefeuille." Anders gezegd: de Rechtbank heeft kennelijk slechts het oog op de aanwezigheid van een aanzienlijk vermogen. Daarop wijst ook het slot van rov. 5. De Rechtbank acht JG niet voldoende in staat "zijn vermogensrechtelijke belangen, voorzover betrekking hebbend op zijn hiervoor bedoeld vermogen, behoorlijk waar te nemen."

3.18 In deze laatste - m.i. meest voor de hand liggende - lezing mist de onder 3.16.2 weergegeven klacht feitelijke grondslag.

3.19 Zou de Rechtbank - kort gezegd - hebben geoordeeld dat het niet instandhouden van het vermogen voor de erfgenamen het instellen van een bewind rechtvaardigt dan zou dat oordeel inderdaad blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting. Maar m.i. is dat niet wat de Rechtbank bedoelt te zeggen. Haar oordeel kán intussen wel zo worden gelezen zoals onder 3.16.2 verwoord. Het is immers mogelijk dat "een ideaal belang als hiervoor bedoeld" in rov. 5 terugslaat op rov. 1.

3.20 Middel 5 is onderverdeeld in twee onderdelen. Onderdeel 5a bevat de klacht dat de Rechtbank is tekortgeschoten in haar motiveringsplicht nu zij niet heeft aangegeven waarom zij van oordeel is dat de geconstateerde persoonlijkheidsstoornis moet leiden tot een onderbewindstelling.

3.21 Het oordeel over de noodzakelijkheid van de instelling van een meerderjarigenbewind kan in cassatie niet op juistheid worden getoetst omdat het is verweven met waarderingen van feitelijke aard, berustend op - voor zover hier van belang - de uitleg van het rapport van de deskundige.(7)

3.22 De Rechtbank heeft in rov. 5 geoordeeld dat JG, volgens de deskundige, lijdt aan een schizothyme persoonlijkheidsstoornis, die tot gevolg heeft dat beslissingsprocessen in financiële kwesties zijn verstoord. Dat brengt, volgens de Rechtbank, mee dat hij zich in mindere mate dan gemiddeld bewust is van "bepaalde consequenties". De Rechtbank heeft verder gewezen op het grote vermogen dat is belegd in een gespreide aandelenportefeuille.

3.23 Het oordeel van de Rechtbank zal aldus moeten worden begrepen dat zij meent dat JG, gezien de grootte van zijn vermogen en complexiteit van de beleggingen, niet ten volle in staat is tot het zelf behoorlijk waarnemen van zijn vermogensrechtelijke belangen. Dat oordeel is, op zich genomen, niet onbegrijpelijk.

3.24 Is het ook voldoende gemotiveerd? Volgens het middel is dat niet het geval. In dat verband wordt de nadruk, als ik het goed zie, vooral gelegd op het volgende. De deskundige heeft aangegeven dat hij volstaat met het geven van zijn oordeel en dat hij zich niet uitlaat over de juridische gevolgen daarvan. Dat brengt mee dat zijn oordeel, in de bewoordingen van mr Carli, "nog een bewerking behoeft". Die "bewerking" is evenwel in de beschikking niet te vinden. "De Rechtbank [had] verder (...) moeten gaan waar de deskundige niet verder kon gaan", aldus het middel.

3.25 In welk opzicht nog een "bewerking" nodig zou zijn, geeft het middel niet aan. Het voldoet daarom niet aan de eisen van art. 426a lid 2 Rv.

3.26 Ik wil hiermee evenwel niet volstaan omdat ook ik meen dat de motivering van de Rechtbank bepaaldelijk karig is.

3.27.1 De deskundige schrijft:

"Gaat het in de wettelijke formulering "niet ten volle in staat vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen" ook om ideale belangen en geldt men reeds als "niet ten volle in staat belangen behoorlijk waar te nemen" bij relatief lichte kwantitatieve verstoringen van beslissingsprocessen? Het lijkt mij niet, want dan zouden zeer vele mensen onder bewind gesteld moeten worden, maar het is vooral een juridisch-technische vraag die ik dus aan de rechtbank laat.

(...)

Ondergetekende twijfelt er niet aan dat deze schizothyme persoonlijkheidsstoornis onderzochte's financiële beslissingen beïnvloedt, met name dat er gesproken kan worden van een kwantitatieve verstoring van beslissingsprocessen. Deze verstoring lijkt echter niet zeer ernstig te zijn. Onderzochte leeft sober, er zijn geen aanwijzingen voor bizarre of buitensporige uitgaven. (...)"

3.27.2 Een voor de hand liggende interpretatie van dit oordeel is dat de deskundige een bewind niet nodig acht. In een tegengestelde opvatting zouden immers, volgens de deskundige, "vele mensen onder bewind gesteld moeten worden".(8) Doch de deskundige realiseert zich het hier gaat om een juridische kwestie. Daarover onthoudt hij zich van een oordeel.

3.28.1 De Rechtbank was op de in rov. 5 genoemde gronden - door mij onder 3.23 geparafraseerd - van oordeel dat bewind wel aangewezen was, wat er van dat oordeel ook zij.

3.28.2 Daarmee heeft de Rechtbank de juridische vraag die de deskundige onbeantwoord heeft gelaten beantwoord. Het is dus niet zo dat de Rechtbank een "bewerking" achterwege heeft gelaten. De onder 3.24 samengevatte klacht mist dus feitelijke grondslag.

3.29.1 Onderdeel 5b veronderstelt dat de Rechtbank heeft geoordeeld dat JG kleine financiële belangen wél en grote niet kan behandelen. Het richt tegen dat oordeel een klacht.

3.29.2 Daarbij wordt er nog op gewezen dat de deskundige onderscheid heeft gemaakt tussen "welvaart" en "welzijn".

3.30 Voor zover het onderdeel, zoals in de eerste alinea wordt aangegeven, voortbouwt op het vierde middel is het gedoemd het lot daarvan te delen.

3.31 De onder 3.29.2 samengevatte klacht mist feitelijke grondslag. Uit rov. 1 blijkt dat de Rechtbank dit zeer wel heeft onderkend.

3.32 De Rechtbank heeft geen onderscheid gemaakt tussen grote en kleine belangen. Zij heeft gewezen op het grote vermogen dat is belegd in een gespreide aandelenportefeuille. Blijkbaar zag zij dat als een complicerende factor. Daartegen is geen klacht gericht.

3.33 Het onderdeel ontbeert dus feitelijke grondslag.

3.34 Ik veroorloof mij nog een slotopmerking. De Kantonrechter heeft de indruk gehad dat het verzoek tot onderbewindstelling was ingegeven door de wens van RG c.s. om het grote vermogen van JG te hunnen behoeve intact te laten; zie rov. 3.12 en 3.13. Hij heeft, ongetwijfeld ook in dat kader, gewezen op de onder 1.4 en 1.6 genoemde omstandigheden.

3.35 De vraag of die indruk juist was, valt niet te beoordelen. Het doet er ook niet toe. Voor zover het bezwaar van JG tegen onder bewindstelling zou zijn gelegen in de vrees dat de bewindvoerder uitgaven van enige omvang of ter veraangenaming van zijn leven zou blokkeren - waaromtrent niets concreets is aangevoerd - biedt art. 1:438 lid 2 BW m.i. voldoende mogelijkheden voor JG om daar een mouw aan te passen, althans voor zover het gaat om het meerderjarigenbewind. En alleen daarover gaat deze procedure.

Conclusie

Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

Advocaat-Generaal

1 Zie rov. 3 van de beschikking van de Kantonrechter.

2 In het verweerschrift in cassatie (blz. 2, nr. 2) is vermeld dat zij (bij beschikking van de Kantonrechter te Amsterdam van 5 februari 2002) als testamentair bewindvoerder is opgevolgd door Kas-Associatie N.V.

3 Zie Asser-De Boer, Personen- en familierecht (2002) nr. 1127 en W.R. Meijer, Cumulatie van bewind van art. 1:431 en van art. 1:1066 BW, bescherming in het kwadraat, WPNR 1999, blz. 738-739).

4 Op 1 januari 2003 is in werking getreden het nieuwe Boek 4. Ingevolge art. 68a Overgangswet Nieuw Burgerlijk Wetboek heeft de nieuwe, in afdeling 7 van titel 5 neergelegde regeling van bewind onmiddellijke werking, met dien verstande dat afdeling 7 ingevolge art. 134 van de Overgangswet NBW niet geldt voor zover daarvan in de voor de inwerkingtreding van het nieuwe Boek 4 opgemaakte uiterste wil wordt afgeweken. Welke bevoegdheden de testamentair bewindvoerder in de nalatenschap van JG's vader precies heeft, is dus mede afhankelijk van de bepalingen dienaangaande in diens testament; daaromtrent heeft de feitenrechter niets vastgesteld. Zie over het overgangsrecht T&C Erfrecht (2002) Titel 5, Afdeling 7 (Kolkman) Inleidende opmerkingen onder 8.

5 De literatuur neemt - het ligt voor de hand - ook aan dat wenselijk is dat het bewind in één hand komt, hetgeen in casu niet het geval is; zie Asser-De Boer, a.w. nr 1127; vgl. Meijer, t.a.p. blz. 739. Zoals in noot 2 vermeld, zou die situatuie zich ook in casu inmiddels voordoen.

6 Ik ga hier voorbij aan onoverkomelijke processuele obstakels zoals de omvang van de rechtsstrijd.

7 HR 10 januari 1986, NJ 1986, 343.

8 Het middel behelst niet de klacht dat de Rechtbank had motiveren waarom zij afweek van het oordeel van de door haar benoemde deskundige; vgl. HR 5 december 2003, NJ 2004, 74.