Home

Hoge Raad, 13-10-2006, AW2080, C04/281HR

Hoge Raad, 13-10-2006, AW2080, C04/281HR

Gegevens

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
13 oktober 2006
Datum publicatie
13 oktober 2006
ECLI
ECLI:NL:HR:2006:AW2080
Formele relaties
Zaaknummer
C04/281HR
Relevante informatie
Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 [Tekst geldig vanaf 01-01-2007] [Regeling ingetrokken per 2007-01-01] art. 28

Inhoudsindicatie

Vie d’Or. Geschil tussen de stichting ter behartiging van de gedupeerde voormalige polishouders van de levensverzekeringsmaatschappij Vie d’Or en toenmalige accountants over de (verklaring voor recht tot) aansprakelijkheid van de accountants uit onrechtmatige daad wegens onzorgvuldig handelen tegenover de polishouders door bij hun controle van de jaarrekeningen van Vie d’Or over 1989 en 1992 een goedkeurende verklaring te verstrekken en door niet (bestuur en RvC van) Vie d’Or en de Verzekeringskamer over de op dat moment bestaande solvabiliteit te informeren; onrechtmatigheid, maatstaf, door externe controlerende accountant te betrachten zorgvuldigheid, gezichtspunten; betekenis oordeel tuchtrechter in aansprakelijkheidsprocedure; causaal verband; schadevaststelling, voordeelverrekening (profiteren van beurskoersstijgingen); toewijsbaarheid verklaring voor recht (art. 3:305a lid 3 BW); vergoeding aan stichting van buitengerechtelijke kosten tot vaststelling aansprakelijkheid, redelijke uitleg art. 3:305a en art. 6:96 lid 2, aanhef en onder b, BW, maatstaf, kosten tuchtprocedure géén redelijke maatregel ter vaststelling van aansprakelijkheid.

Uitspraak

13 oktober 2006

Eerste Kamer

Nr. C04/281HR

JMH/MK

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

1. de openbare maatschap Deloitte & Touche,

kantoorhoudende te Rotterdam,

2. [Eiser 2],

wonende te [woonplaats],

3. [Eiser 3],

wonende te [woonplaats],

4. [Eiser 4],

wonende te [woonplaats],

EISERS tot cassatie,

incidenteel verweerders,

advocaat: aanvankelijk mr. J.B.M.M. Wuisman, thans mr. J. de Bie Leuveling Tjeenk.

t e g e n

De stichting STICHTING VIE D'OR,

gevestigd te Eindhoven,

VERWEERSTER in cassatie,

incidenteel eiseres,

advocaat: mr. E. Grabandt.

1. Het geding in feitelijke instanties

Verweerster in cassatie - verder te noemen: de Stichting - en mr. Emile Gerard Joseph Marie Bogaerts, wonende te Helvoirt, gemeente Haren, en mr. Aloysius Antonius Maria Deterink, wonende te Son, gemeente Son en Breugel, beiden in hun hoedanigheid van curator in het faillissement van N.V. Levensverzekeringmaatschappij Vie d'Or - verder te noemen: de curatoren - hebben bij exploten van 15 juli 1998 (1) de Stichting Pensioen- & Verzekeringskamer (voorheen genaamd de Stichting Verzekeringskamer), gevestigd te Apeldoorn - verder te noemen: de Verzekeringskamer -, (2) de Staat der Nederlanden, Ministerie van Financiën, gevestigd te 's-Gravenhage - verder te noemen: de Staat -, (3) thans eisers tot cassatie - verder te noemen: de accountants - en (7) [A] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats], en (8) [betrokkene 4], wonende te [woonplaats], - verder in enkelvoud te noemen: de actuaris - gedagvaard voor de rechtbank te 's-Gravenhage en na wijziging van eis, zakelijk weergegeven, gevorderd:

a. voor recht te verklaren dat door de Verzekeringskamer, de accountants en de actuaris onrechtmatig is gehandeld jegens alle voormalige oud-polishouders van Vie d'Or en dat alle voornoemde gedaagden deswege jegens hen hoofdelijk gehouden zijn tot voldoening van schadevergoeding als omschreven onder nrs. 411 en 413 van de dagvaarding;

b. de Verzekeringskamer, de accountants en de actuaris als hoofdelijk medeschuldenaren te veroordelen tot betaling aan de Stichting van een bedrag van ƒ 497.120,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 augustus 1994, en tot betaling van schadevergoeding, nader op te maken bij staat, als omschreven onder nrs. 415, 416 en (pro rata parte) 413 van de dagvaarding, zulks voor het geval de hierna te vermelden vordering van de curatoren onder d., voor zover mede betrekking hebbend op het genoemde bedrag van ƒ 497.120,-- (inclusief de gevorderde wettelijke rente), niet zal worden toegewezen.

De curatoren vorderden in deze procedure, voor zover mogelijk zakelijk weergegeven en na wijziging van eis:

c. voor het geval de vordering van de Stichting als onder a. vermeld in verband met haar statutaire doelstelling niet door de Stichting kan worden ingesteld: een verklaring voor recht als door de Stichting onder a. gevorderd, doch alsdan niet slechts namens de oud-polishouders van Vie d'Or doch namens alle crediteuren van Vie d'Or;

d. de Verzekeringskamer, de accountants en de actuaris als hoofdelijk medeschuldenaren te veroordelen:

- tot betaling aan hen van een bedrag van ƒ 177.000.000,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 augustus 1994, alsmede

- tot betaling van een bedrag ter hoogte van het tekort in de boedel van Vie d'Or, voor zover betrekking hebbende op de voorlopig erkende vorderingen van andere crediteuren dan de oud-polishouders, welk bedrag bestaat uit een vordering van ƒ 296.353,79 (preferent) en overigens ƒ 9.894.436,18, zulks onder de opschortende voorwaarde dat (en voor zover) die vorderingen ter verificatievergadering of na een renvooiprocedure zullen worden geverifieerd, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 11 december 1995, maar te verminderen met het bedrag dat ingevolge onderdeel b. van de vordering aan de Stichting zal worden toegewezen,

- alsmede tot betaling van schadevergoeding nader op te maken bij staat (aan de curatoren) als omschreven onder nr. 413 van de dagvaarding en (aan de Stichting) als omschreven onder nrs. 415 en 416 van de dagvaarding;

e. voor het geval de hiervoor vermelde onderdelen van de vordering onder d. niet kunnen worden toegewezen: een verklaring voor recht dat door de Verzekeringskamer, de accountants en de actuaris onrechtmatig is gehandeld en dat zij deswege jegens de gezamenlijke crediteuren van Vie d'Or aansprakelijk zijn, zulks op grond van de vorderingen van de elf ten processe bedoelde polishouders, wier vorderingen aan de Stichting zijn gecedeerd.

De Verzekeringskamer, de Staat, de accountants en de actuaris hebben de vordering bestreden.

De rechtbank heeft bij vonnis van 13 juni 2001:

I. de curatoren niet-ontvankelijk verklaard in hun vorderingen;

II. de Stichting niet-ontvankelijk verklaard in haar vorderingen, voor zover die ertoe strekken op te komen voor de belangen van oud-polishouders die hun rechten en verplichtingen uit een verzekeringsovereenkomst met Vie d'Or niet hebben overgedragen (of zullen overdragen) aan Twenteleven, dan wel - voor zover zij dat wel hebben gedaan en in dat verband een overeenkomst, dan wel overeenkomsten met Twenteleven hebben gesloten - deze overeenkomst(en) met Twenteleven niet hebben gecontinueerd;

III. de Stichting niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering tot het uitspreken van een verklaring voor recht, voor zover die verklaring zich mede uitstrekt tot de vaststelling van de aansprake-lijkheid en hoofdelijkheid daarvan;

IV. voor recht verklaard dat de accountants onrechtmatig hebben gehandeld jegens de oud-polishouders van Vie d'Or, voor zover die oud-polishouders hun rechten en verplichtingen uit een verzekeringsovereenkomst met Vie d'Or hebben overgedragen (of zullen overdragen) aan Twenteleven en de in dat verband met Twenteleven gesloten (of te sluiten) overeenkomsten van levensverzekering hebben gecontinueerd (of zullen continueren);

V. de accountants veroordeeld om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de Stichting te betalen ƒ 12.200,--;

VI. de accountants veroordeeld in de kosten van deze procedure aan de zijde van de Stichting;

VII. de Stichting en de curatoren veroordeeld in de kosten van deze procedure aan de zijde van de Staat en de Verzekeringskamer, alsmede aan de zijde van de actuaris;

VIII. dit vonnis wat betreft de onderdelen V, VI en VII uitvoerbaar bij voorraad verklaard, en

IX. het meer of anders gevorderde afgewezen.

Tegen dit vonnis hebben de Stichting en de curatoren hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage. Bij memorie van grieven hebben de Stichting en de curatoren hun eis in hoger beroep gewijzigd en heeft de Stichting daarbij gevorderd:

1.a een verklaring voor recht dat door de Verzekeringskamer, de accountants en de actuaris onrechtmatig is gehandeld jegens alle voormalige polishouders van Vie d'Or en dat zij alsmede de Staat deswege jegens hen hoofdelijk gehouden zijn tot voldoening van de schade die de polishouders in het faillissement van Vie d'Or hebben geleden;

2.a de Verzekeringskamer, de Staat, de accountants en de actuaris als hoofdelijk medeschuldenaren te veroordelen tot betaling aan de Stichting van € 225.583,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 augustus 1994, althans tot betaling van schadevergoeding in goede justitie door het hof te bepalen;

2.b de Verzekeringskamer, de Staat, de accountants en de actuaris als hoofdelijk medeschuldenaren te veroordelen tot betaling van schadevergoeding, nader op te maken bij staat, ter zake van het door polishouders nr. 3, 8 en 10, vermeld op productie 1 bij conclusie van eis, misgelopen gegarandeerde rendement op de premies die zij na 1 augustus 1994 bij Vie d'Or zouden hebben ingelegd;

2.c voorts de Verzekeringskamer, de Staat, de accountants en de actuaris te veroordelen bepaalde bedragen vermeerderd met de wettelijke rente (een en ander zoals gespecificeerd in het petitum van de memorie van grieven) aan de Stichting te betalen ter zake van de door de Stichting gemaakte kosten tot vaststelling van schade en aansprakelijkheid en tot verkrijging van voldoening buiten rechte, met dien verstande dat deze vordering subsidiair is ingesteld ten opzichte van de (hierna te vermelden) vordering onder 3 van de curatoren, voor zover het instellen van deze vordering (2c) aan toewijzing van de vordering van de curatoren in de weg zou staan.

De vordering onder 1.a is door de Stichting ingesteld op de voet van art. 3:305a BW. De vorderingen onder 2.b en 2.c heeft de Stichting ingesteld als cessionaris van de genoemde elf voormalige polishouders.

De curatoren hebben bij memorie van grieven gevorderd:

1.bvoor zover het onder 1.a gevorderde niet (geheel) toewijsbaar is, voor recht te verklaren dat door de Verzekeringskamer, de accountants en de actuaris onrechtmatig is gehandeld jegens alle crediteuren van Vie d'Or en dat zij, alsmede de Staat deswege jegens hen hoofdelijk gehouden zijn tot voldoening van de schade die deze crediteuren in het faillissement van Vie d'Or hebben geleden;

3. voorts de Verzekeringskamer, de Staat, de accountants en de actuaris als hoofdelijk medeschuldenaren te veroordelen tot betaling van € 80.319.098,-, te verminderen met het ingevolge de vordering sub 2. toe te wijzen bedrag, en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 augustus 1994, alsmede van € 4.624.378,88 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 11 december 1995.

De accountants hebben incidenteel hoger beroep ingesteld en gevorderd, kort gezegd, dat de tegen hen ingestelde vordering alsnog wordt afgewezen.

Bij tussenarrest van 27 mei 2004 heeft het hof een inlichtingencomparitie van partijen bevolen, bepaald dat de Stichting uiterlijk 1 september 2004 de in rov.9.10 van het arrest bedoelde berekeningen aan de raadsheer-commissaris, met afschrift aan de wederpartijen, zal toezenden, op de voet van art. 401a lid 2 Rv. bepaald dat tegen het arrest tussentijds cassatieberoep kan worden ingesteld, en iedere verdere beslissing aangehouden.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof hebben de accountants beroep in cassatie ingesteld. De Stichting heeft incidenteel cassatieberoep ingesteld. De cassatiedagvaarding en de conclusie van antwoord tevens houdende het incidenteel cassatieberoep zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

De Stichting heeft voorts een incidentele vordering ingesteld tot uitvoerbaar verklaring bij voorraad van de beslissing van het hof.

De accountants hebben de incidentele vordering bestreden.

De Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent heeft geconcludeerd tot afwijzing van de incidentele vordering tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

De Hoge Raad heeft bij arrest van 29 april 2005 de incidentele vordering afgewezen.

Partijen hebben vervolgens over en weer geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Timmerman strekt tot vernietiging van het bestreden arrest in het principale cassatieberoep en tot verwerping van het incidentele beroep.

De advocaat van de accountants heeft bij brief van 9 maart 2006 en de advocaat van de Stichting heeft bij brief van 10 maart 2006 op die conclusie gereageerd.

3. Uitgangspunten in cassatie

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) N.V. Levensverzekeringsmaatschappij Vie d'Or (hierna: Vie d'Or) is op 20 september 1985 opgericht en oefende vanaf 1 november 1985 het levensverzekeringsbedrijf uit. Sinds 26 februari 1988 geschiedde dat, na invoering van de desbetreffende vergunningplicht, krachtens een vergunning als bedoeld in de, in de onderhavige zaak toepasselijke, tot 1 juli 1994 geldende, Wet toezicht verzekeringsbedrijf (Wet van 27 juni 1990 tot wijziging van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf, Stb. 341; hierna: Wtv), verleend door de Verzekeringskamer. De Verzekeringskamer was tot 1 september 1992 een publiekrechtelijk zelfstandig bestuursorgaan, vanaf die datum een privaatrechtelijk zelfstandig bestuursorgaan en is met ingang van 1 januari 2005 door een juridische fusie opgegaan in De Nederlandsche Bank N.V.

(ii) Vanaf de oprichting van Vie d'Or tot 1 november 1993 was [betrokkene 5] bestuurder van Vie d'Or en geruime tijd ook enig aandeelhouder. In de loop van de tijd is het aandelenbelang van [betrokkene 5] gedaald als gevolg van het toetreden van nieuwe aandeelhouders.

(iii) Vie d'Or richtte zich bij de aanvang van haar activiteiten op een beperkte groep van vermogende particulieren. In de jaren 1989 tot en met 1991 is het aantal door haar aangegane verzekeringsovereenkomsten na een intensieve marktbewerking explosief gegroeid. Het premie-inkomen steeg van 1987 tot 1991 van ƒ 6 mln naar ƒ 154 mln.

(iv) De constructie van sommige van de verzekeringsproducten van Vie d'Or bracht mee dat zij de door haar bij afsluiting van verzekeringen gemaakte kosten pas na verloop van tijd kon terugverdienen. Dit vond zijn oorzaak in de bijzondere aard van de nieuwe verzekeringsproducten die Vie d'Or op de markt bracht. Deze brachten aanvankelijk lage inkomsten op, maar hadden tegelijkertijd hoge kosten tot gevolg. Mede als gevolg hiervan behaalde Vie d'Or telkens negatieve resultaten. Omdat haar eigen vermogen niet toereikend was om deze verliezen op te vangen, heeft Vie d'Or constructies gebruikt om toekomstige baten naar voren te halen. Het gaat hierbij om een type herverzekering dat tot een bepaalde omvang toekomstige overwinsten of baten uit de premiebeleggingen garandeert (de zogenoemde surplus relief contracten; SRC's) of waarbij een deel van de verzekeringsportefeuille tegen ontvangst van een bepaald bedrag aan een herverzekeraar werd overgedragen (Modified Co-insurance contract; Modco-contract).

(v) Vie d'Or heeft risico's gelopen door het laten ontstaan van een "mismatch" tussen bijvoorbeeld door de polishouders gekozen en werkelijk uitgevoerde beleggingen en tussen te ontvangen en te betalen rente op uitgezette en geleende gelden.

(vi) Vie d'Or onderhield met een aantal door [betrokkene 5] beheerde vennootschappen rekening-courantverhoudingen. De saldi van die verhoudingen resulteerden tot 1991 in een schuld aan Vie d'Or. Nadien zijn die saldi uitgemond in (aanzienlijke) vorderingen van Vie d'Or op de betrokken vennootschappen.

(vii) De verzekeringen werden door Vie d'Or afgesloten door bemiddeling van tussenpersonen. De premies werden rechtstreeks of via de tussenpersoon voldaan. In 1992 heeft Vie d'Or een aanvang gemaakt met het opzetten van een rekening-courantadministratie per tussenpersoon. De omvang van de wederzijdse verplichtingen is daarbij niet geheel duidelijk geworden.

(viii) De administratie van Vie d'Or is lange tijd ontoereikend geweest. Er waren onder andere problemen met de verwerking van de zich in 1989 en 1990 voordoende sterke omzetstijging. Ook beschikte Vie d'Or niet over een goed functionerend automatiseringssysteem.

(ix) Vie d'Or had ieder jaar als gevolg van de door haar geleden verliezen problemen om aan de voor haar wettelijk verplichte solvabiliteitsmarge te voldoen.

(x) Op 17 november 1993 kwamen via de nieuwe directeur van Vie d'Or, [betrokkene 6], die per 1 november 1993 als opvolger van [betrokkene 5] was aangetreden, berichten naar buiten over de door hem bij Vie d'Or aangetroffen situatie. Deze duidden zijns inziens op mismanagement en strafbare feiten.

(xi) Op 18 november 1993 heeft de Verzekeringskamer [betrokkene 7] op de voet van art. 34 lid 4 in verbinding met lid 3 Wtv aangewezen als de persoon wiens goedkeuring is vereist voor - kort gezegd - het handelen van Vie d'Or en aldus benoemd tot stille bewindvoerder van Vie d'Or. De Verzekeringskamer heeft op 14 december 1993 de onder (i) vermelde vergunning van Vie d'Or ingetrokken. Op 15 december 1993 heeft de rechtbank te 's-Hertogenbosch op aanvraag van de Verzekeringskamer ten aanzien van Vie d'Or de noodregeling als bedoeld in art. 66 lid 1 Wtv uitgesproken. Daarbij is de Verzekeringskamer op de wijze als voorzien in het tweede lid van voormeld artikel machtiging verleend tot vereffening en overdracht van het vermogen van Vie d'Or.

(xii) Op 11 december 1995 is Vie d'Or failliet verklaard.

(xiii) Bij overeenkomst van 1 augustus 1994 zijn de verplichtingen van Vie d'Or jegens de polishouders krachtens de aan de Verzekeringskamer verleende machtiging overgedragen aan Levensverzekeringsmaatschappij Twenteleven N.V. (hierna: Twenteleven). Daarbij zijn de verplichtingen uit de polissen aanzienlijk gekort. Als gevolg hiervan hebben de betrokken polishouders aanzienlijke schade geleden.

(xiv)Vie d'Or stond vanaf haar oprichting krachtens de toen geldende Wet toezicht verzekeringsbedrijf onder toezicht van de Verzekeringskamer.

(xv) De Verzekeringskamer heeft in de loop van de tijd een steeds intensievere bemoeienis met de gang van zaken bij Vie d'Or gekregen. Zij heeft uit dien hoofde contact onderhouden met het bestuur van Vie d'Or, de accountant en de actuaris.

De Verzekeringskamer heeft herhaaldelijk aangedrongen op verbetering van de administratie en de solvabiliteitsmarge.

Voorts heeft zij een aantal malen gebruik gemaakt van haar bevoegdheden tot ingrijpen op grond van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf.

Zo heeft de Verzekeringskamer onder andere op 30 september 1991 een aanwijzing gegeven op grond van art. 34 lid 1 Wtv. Die aanwijzing hield in dat Vie d'Or voor 1 december 1991 al die maatregelen moest hebben getroffen die tot een zodanige verbetering van de administratieve organisatie zouden leiden dat door de Verzekeringskamer tijdig een goed inzicht zou worden verkregen in de financiële positie van Vie d'Or.

Ook heeft de Verzekeringskamer op 27 november 1991 van Vie d'Or geëist dat zij voor 8 december 1991 een nieuw financieringsplan zou indienen dat tenminste zou moeten leiden tot een nieuw vermogen van ƒ 20 mln.

Op 20 december 1991 heeft de Verzekeringskamer de aanwijzing gegeven dat de houders van een polis van het verzekeringsproduct 'Individueel Depot Plan' (IDP-polishouders) duidelijk diende te worden meegedeeld dat rekening moest worden gehouden met een aftrek wegens mogelijk niet verrekende kosten op het uit te keren bedrag.

Bij brief van 28 augustus 1992 heeft de Verzekeringskamer van Vie d'Or geëist het tekort per eind 1991 aan te vullen. Een daartoe strekkend plan moest uiterlijk 11 september 1992 worden ingediend.

Tevens heeft de Verzekeringskamer een structurele oplossing voor de solvabiliteitsproblemen vóór 1 december 1992 geëist. Als dat niet zou gebeuren, zou de Verzekeringskamer overwegen een verkoopverbod in te stellen of de vergunning in te trekken. De oplossing zou bij voorkeur moeten worden gerealiseerd door de overname van de verzekeringsportefeuille door een financieel krachtige onderneming.

(xvi) Deloitte & Touche en de bij deze firma werkzame accountants, [eisers 2 t/m 4] (gezamenlijk hierna: de accountants), zijn ter uitvoering van art. 2:393 (oud) BW betrokken geweest bij het afgeven van goedkeurende verklaringen over de boekjaren 1989, 1990, 1991 en 1992 van Vie d'Or. [eiser 2] heeft de jaarrekeningen over 1989, 1990 en 1991 van een goedkeurende verklaring voorzien. [eisers 3 en 4] zijn betrokken geweest bij de goedkeurende verklaring betreffende de jaarrekening 1992. Op de jaarrekeningen over 1993 en 1994 is geen accountantscontrole toegepast. De accountants hebben tevens over de jaren 1989 tot en met 1992 over de staten als bedoeld in art. 28 Wtv een getrouwheidsverklaring afgegeven en wel in positieve zin.

(xvii) [A] B.V. en de bij dit kantoor werkzame actuaris [betrokkene 4] (gezamenlijk hierna: de actuaris) zijn tot mei 1991 als extern actuaris bij Vie d'Or betrokken geweest. Als zodanig heeft de actuaris onder meer de actuariële staten die Vie d'Or jaarlijks bij de Verzekeringskamer moest indienen gecertificeerd. De actuaris heeft bij brief van 30 mei 1991 de relatie met Vie d'Or opgezegd. Hij heeft nadien nog wel zijn werkzaamheden met betrekking tot het boekjaar 1990 afgerond. Daarna zette een ander bureau ([C]) de actuariële werkzaamheden voort.

(xviii) Bij beschikking van 3 augustus 1995 heeft de Ondernemingskamer op vordering van de procureur-generaal bij het gerechtshof te Amsterdam een onderzoek gelast naar het beleid en de gang van zaken bij Vie d'Or vanaf 1 januari 1988. In verband met de omstandigheid dat de onderzoeksperiode mede omvatte de periode gedurende welke de noodregeling van kracht was, heeft de Verzekeringskamer cassatieberoep ingesteld tegen deze beschikking. De Hoge Raad heeft dit beroep bij beschikking van 15 januari 1997 verworpen. Op 11 december 1997 hebben de onderzoekers hun rapport van onderzoek gedeponeerd.

Bij beschikking van 9 juli 1998 heeft de Ondernemingskamer geoordeeld dat gebleken is van wanbeleid in de periode van 1988 tot januari 1994 door het bestuur en de raad van commissarissen van Vie d'Or en door de Verzekeringskamer. Daarbij heeft de Ondernemingskamer onder meer de besluiten van de raad van commissarissen tot goedkeuring en van de algemene vergadering van aandeelhouders van Vie d'Or tot vaststelling van de jaarrekeningen over 1989 tot en met 1992 vernietigd en heeft zij het besluit van de Verzekeringskamer waarbij de jaarrekening 1993 is vastgesteld vernietigd. Bij beschikking van 31 mei 2000, nr. OK 70, NJ 2000, 555 heeft de Hoge Raad de beschikking van de Ondernemingskamer vernietigd. Het ging daarbij in cassatie om gegrond bevonden klachten omtrent het door de Ondernemingskamer als onzorgvuldig aangemerkte handelen van de Verzekeringskamer onder de noodregeling met betrekking tot de zogenoemde Merrill Lynch-contracten.

(xix) De Raad van Tucht voor Registeraccountants en Accountants-Administratieconsulenten heeft de klacht van de Stichting tegen de accountants bij uitspraak van 10 april 1997 deels gegrond verklaard en de maatregel van een schriftelijke berisping opgelegd. De Raad van Tucht is tot de conclusie gekomen dat de controle van de jaarrekeningen over 1989 en over 1992 niet tot goedkeurende verklaringen had mogen leiden. Het tegen de uitspraak van de Raad van Tucht ingestelde beroep is bij uitspraak van 3 december 1998 door het College van Beroep voor het bedrijfsleven verworpen.

(xx) Het College van Rechtspraak van het Actuarieel Genootschap heeft de klacht van de Stichting tegen de actuaris bij uitspraak van 7 februari 1997 deels gegrond verklaard en de tuchtrechtelijke maatregel van een schriftelijke berisping opgelegd. Het tegen deze uitspraak door de actuaris ingestelde beroep is bij uitspraak van 21 november 1997 door de Raad van Beroep van het Actuarieel Genootschap verworpen. Het tuchtrechtelijk oordeel komt erop neer dat de actuaris uitdrukkelijk in een actuarieel rapport mededeling had moeten doen van de gesignaleerde actuariële probleempunten, dat de omstandigheid dat het overleg tussen de actuaris en de directie van Vie d'Or omtrent activering van toekomstige winst niet het gewenste effect had gesorteerd de noodzaak van een schriftelijke waarschuwing onderstreept, dat de actuaris zeker had moeten stellen dat ook de Raad van Commissarissen van de zorgwekkende toestand op de hoogte was en dat de opzegging van de relatie geen wijziging in afnemende zin brengt in de taak en daarmee de verantwoordelijkheid van de actuaris bij zijn afrondende werkzaamheden.

(xxi) De Stichting is op 19 april 1994 door de Verzekeringskamer opgericht. Haar statutaire doel is het behartigen van de belangen van de voormalige polishouders van Vie d'Or. Het begrip 'voormalige polishouder' is in de statuten, voor zover thans van belang, als volgt omschreven:

"de persoon wiens rechten en verplichtingen uit een verzekeringsovereenkomst met de vennootschap [Vie d'Or] krachtens machtiging van de Arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch zijn of zullen worden overgedragen aan (...) Twenteleven (...), voor zolang deze persoon deze overeenkomst(en) van levensverzekering met (...) Twenteleven continueert."

(xxii) Elf voormalige polishouders hebben hun (eventuele) vorderingen jegens de Verzekeringskamer, de accountants en de actuaris ter zake van de in verband met de deconfiture van Vie d'Or geleden schade aan de Stichting gecedeerd.

3.2.1De Stichting heeft de vorderingen ingesteld als hiervoor onder 1 vermeld.

3.2.2 De rechtbank heeft, kort gezegd, voor recht verklaard dat de accountants onrechtmatig hebben gehandeld jegens de in de statuten van de Stichting omschreven oud-polishouders van Vie d'Or en de vorderingen voor het overige afgewezen of de Stichting daarin niet-ontvankelijk verklaard.

3.2.3 Voor zover thans van belang, heeft de Stichting in hoger beroep gevorderd:

(a) op de voet van art. 3:305a BW een verklaring voor recht dat de accountants, de Verzekeringskamer en de actuaris onrechtmatig hebben gehandeld jegens alle voormalige polishouders van Vie d'Or en deswege jegens hen hoofdelijk gehouden zijn tot voldoening van de schade die de polishouders in het faillissement van Vie d'Or hebben geleden (vordering 1.a);

(b) veroordeling van de accountants, de Verzekeringskamer en de actuaris als hoofdelijk medeschuldenaren tot betaling aan de Stichting van € 225.583,-- (vordering 2.a);

(c) veroordeling van de accountants, de Verzekeringskamer en de actuaris als hoofdelijk medeschuldenaren tot betaling van schadevergoeding, nader op te maken bij staat, ter zake van het door bepaalde polishouders misgelopen gegarandeerde rendement op de premies die zij na 1 augustus 1994 bij Vie d'Or zouden hebben ingelegd (vordering 2.b) en

(d) veroordeling van de accountants, de Verzekeringskamer en de actuaris tot betaling aan de Stichting van bepaalde bedragen ter zake van de door de Stichting gemaakte kosten tot vaststelling van schade en aansprakelijkheid en tot verkrijging van voldoening buiten rechte (vordering 2.c).

3.2.4 Het hof heeft in de bestreden uitspraak

(a) de vordering onder 1.a toewijsbaar geoordeeld, behoudens voor zover daarin wordt gevorderd voor recht te verklaren dat de accountants, de Verzekeringskamer en de actuaris deswege jegens alle polishouders hoofdelijk zijn gehouden tot voldoening van de schade;

(b) de beslissing op de vordering onder 2.a aangehouden;

(c) de beslissing op de vordering onder 2.b aangehouden en

(d) de vordering onder 2.c toewijsbaar geoordeeld, behalve voor zover het betreft de kosten van de tuchtprocedures.

3.3.1 De Stichting heeft aan haar vorderingen tegen de accountants ten grondslag gelegd dat deze onrechtmatig hebben gehandeld jegens de oud-polishouders. In rov. 3.27 van het vonnis heeft de rechtbank, in hoger beroep niet bestreden, de aan de accountants gemaakte verwijten samengevat. Deze overweging houdt het volgende in:

"De kern van de verwijten van de Stichting aan de accountants bestaat uit twee onderdelen.

Het eerste onderdeel betreft de controlerende taak van de accountants. De accountants hebben op een aantal punten geen deugdelijke controle uitgeoefend. Zij konden die controle deels ook niet uitvoeren, omdat de administratie van Vie d'Or op wezenlijke onderdelen niet aan de daaraan te stellen eisen voldeed. Het betreft hier met name de rekening-courantverhoudingen met tussenpersonen, de afsluit- en incassoprovisies en de controle op een voor productontwikkeling betaalde provisie. Niettemin hebben de accountants de jaarrekeningen over 1989, 1990, 1991 en 1992 van een goedkeurende verklaring voorzien. Zulks ten onrechte, aangezien deze jaarrekeningen materiële gebreken vertoonden, met name betrekking hebbende op het herverzekeringscontract met de NRG (en andere herverzekeringscontracten) en de presentatie van de provisie voor productontwikkeling. Ten aanzien van de jaarrekening over 1992 gelden voorts nog specifieke bezwaren met betrekking tot de controle van provisies en rekening-courantverhoudingen met tussenpersonen en de financiering van aan [betrokkene 5] gelieerde vennootschappen.

Het tweede onderdeel betreft de informerende taak van de accountants. Zo hebben de accountants onvoldoende uitvoering gegeven aan hun taak om de raad van commissarissen van Vie d'Or te informeren over de gebreken in de administratieve organisatie, de toegekende provisies ter zake van productontwikkeling, de niet-zakelijke financiering van de aan [betrokkene 5] gelieerde vennootschappen, de gerechtvaardigde twijfel aan de zakelijkheid van een aantal met tussenpersonen afgesloten provisie-overeenkomsten en de problemen die samenhingen met de grote verwevenheid tussen de administratie van Vie d'Or en die van diverse aan [betrokkene 5] gelieerde vennootschappen. Voorts hebben de accountants in een brief van 27 juni 1993 aan de Verzekeringskamer medegedeeld dat de door de Verzekeringskamer geëiste aflossing op de vorderingen op de [betrokkene 5]-vennootschappen had plaatsgevonden, zonder tevens te vermelden dat de vorderingen op die vennootschappen door nieuwe betalingen aan of ten behoeve van die vennootschappen in 1993 juist niet substantieel waren gedaald."

3.3.2 De Stichting heeft zich ter onderbouwing van haar stellingen in belangrijke mate verlaten op de uitspraak van de Raad van Tucht van 10 april 1997 en op de uitspraak van het College van Beroep voor het Bedrijfsleven van 3 december 1998, waarbij het beroep van de accountants in persoon - te weten: [eisers 2 t/m 4] - tegen de uitspraak van de Raad van Tucht is verworpen. De uitspraak van de Raad van Tucht is gedaan naar aanleiding van een klacht van de Stichting tegen de accountants in persoon, welke klacht grotendeels overeenkomt met de in de onderhavige procedure ten aanzien van de accountants gemaakte verwijten, met dien verstande dat de klacht bij de Raad van Tucht wat betreft het afgeven van goedkeurende verklaringen slechts betrekking had op de jaarrekeningen over 1989 en 1992.

3.3.3 In de uitspraak van de Raad van Tucht is onder meer het volgende overwogen

- met betrekking tot de jaarrekening over 1989:

"Naar het oordeel van de Raad voldeed de administratie van Vie d'Or op wezenlijke onderdelen niet aan de daaraan te stellen eisen. In 1989, het jaar waarin de bij Vie d'Or verzekerde kapitalen toenamen van ongeveer ƒ 110 miljoen tot ruim ƒ 2 miljard, ontbrak een administratie van de rekening-courantpositie per tussenpersoon en er was geen interne controle op de volledigheid van de premiebetalingen per polis. Voorts voldeed de interne organisatie door onvoldoende functiescheidingen niet aan de daaraan te stellen eisen. Hierdoor kon de controlerend accountant niet beschikken over adequate informatie omtrent de rekening-courantverhoudingen met de afzonderlijke tussenpersonen en de rechten en verplichtingen jegens de polishouders. Tevens verhoogde de gebrekkige organisatie het risico dat bepaalde contracten en polissen in het geheel niet in de administratie zouden worden opgenomen. Deze gebreken konden niet worden opgeheven door de aanvullende controlewerkzaamheden die betrokkenen stellen te hebben uitgevoerd. Dit geldt in het bijzonder voor het risico op geheel buiten de administratie gelaten contracten en polissen. Met betrekking tot dit punt kunnen betrokkenen zich niet met vrucht beroepen op het axiomatisch voorbehoud, aangezien dit voorbehoud er niet toe kan strekken dat een controlerend accountant zich geen rekenschap geeft van dergelijke bijzondere risico's.

(...)

De onderdelen a.3 en a.5 van de klacht betreffen de provisie van omstreeks ƒ 10,5 miljoen, betaald voor kosten van ontwikkeling en research voor het IDP. Naar het oordeel van de Raad is hier sprake van een betaling met een bijzonder karakter. Dit bijzondere karakter komt tot uitdrukking in de hoogte van het provisiebedrag, de betaling aan een op Aruba gevestigde vennootschap en het feit dat de provisie uiteindelijk ten goede kwam aan een zeer belangrijke tussenpersoon van Vie d'Or in Nederland. Gelet op dit bijzonder karakter had de controlerend accountant het zakelijke karakter van de betaling aan een nader onderzoek dienen te onderwerpen of ten minste de Raad van Commissarissen van deze betaling op de hoogte moeten stellen. De enkele vermelding in de jaarrekening is in dit kader onvoldoende.

(...)

Onderdeel a.4 van de klacht betreft het herverzekeringscontract met NRG. Naar het oordeel van de Raad is de mate van toelichting van deze post in de jaarrekening, gelet op de omvang en de aard ervan, onvoldoende. In het bijzonder betreft dit gebrek aan informatie over de voorwaarden van realiseerbaarheid van de vordering. Daarnaast behoorde tegenover het als vordering opnemen in de balans van de totale volgens het contract gegarandeerde overwinst ten bedrage van ƒ 13.050.000,- een passivering te staan van de ter zake van de herverzekering te betalen premies. Door dit laatste achterwege te laten is niet een juiste "matching" van baten en lasten toegepast. Het verweer van betrokkenen dat de Verzekeringskamer de gevolgde presentatie heeft geaccordeerd, kan in dit oordeel geen wijziging brengen, zulks reeds omdat de Verzekeringskamer gelet op haar toezichthoudende taak in de eerste plaats het oog heeft gehad op de feitelijke solvabiliteit van Vie d'Or, waarvoor het al dan niet passiveren van de premies van ondergeschikt belang was."

- met betrekking tot de jaarrekening over 1992:

"In dat jaar werd een begin gemaakt met het per tussenpersoon registreren van de rekening-courantverhouding. Dat deze registratie eind 1992 nog niet bestond blijkt onder meer uit de tot de stukken behorende brief van 15 december 1993, van betrokkene [eiser 3] aan Vie d'Or, waarbij een aanbevelingsbrief is gevoegd waarin op blad 6 staat vermeld dat er een werkgroep was ingesteld, die uiterlijk vóór 30 september 1993 de rekening-courantverhouding met de tussenpersonen zou uitzoeken en afstemmen. Het voorgaande brengt mee dat hetgeen de Raad in 6.3.1 heeft overwogen met betrekking tot de administratie van de verhouding tot de tussenpersonen in 1989 ook geldt voor 1992.

(...)

Onderdeel b.2 van de klacht betreft de rekening-courantverhouding met de [betrokkene 5]-vennootschappen. In de op 20 juli 1993 gedateerde jaarrekening 1992 staat vermeld dat op de eind 1992 ƒ 11.466.031,- belopende vordering op deze vennootschappen in 1993 een bedrag van ƒ 5.590.226,- is afgelost. Onvermeld gelaten zijn echter nieuwe financieringen ten behoeve van de [betrokkene 5]-vennootschappen tot een totaal van ongeveer ƒ 1,5 miljoen. Dit maakt de mededeling omtrent de aflossing misleidend. De schuld aan de [betrokkene 5]-vennootschappen was niet teruggelopen met ruim ƒ 5,5 miljoen, maar met ongeveer ƒ 4 miljoen. De controlerend accountant, betrokkene [eiser 3] - wiens verweer dat een en ander de mededeling omtrent de aflossing "nog niet onjuist" maakte geen steek houdt - had, gezien het belang van deze post, die in het overleg voorafgaand aan het opmaken van de jaarrekening uitvoerig aan de orde is geweest, niet met de onderhavige vermelding accoord mogen gaan. De omstandigheid dat de afzonderlijke vermelding van deze vordering niet verplicht was doet hier niet aan af. In het onderhavige geval zou het achterwege laten van deze mededeling zelfs te prefereren zijn geweest. Voorts wordt in dit onderdeel van de klacht aan de orde gesteld dat de aard van de betalingen en de juridische status van de lichamen onduidelijk was, terwijl niet was nagegaan of tegenover de oplopende vorderingen wel voldoende zekerheden stonden. In het verweer wordt gesteld dat op de vorderingen in 1993 ruim ƒ 5,5 miljoen is afgelost, dat een bankgarantie werd ontvangen van circa ƒ 1 miljoen en dat op het restant een voorziening van ƒ 3 miljoen werd getroffen. Naar het oordeel van de Raad kan dit verweer niet slagen. De getroffen maatregelen laten onverlet dat er onduidelijkheid bleef bestaan over de aard van de betalingen. In dit verband had de controlerend accountant, gezien de verwevenheid van de betrokken lichamen, zich een oordeel moeten vormen omtrent de zakelijkheid van de schuldverhouding; daarvan is echter niet gebleken."

- met betrekking tot de informatie aan de Raad van Commissarissen van Vie d'Or:

"In onderdeel c van de klacht wordt de betrokkenen verweten dat zij de Raad van Commissarissen onvoldoende hebben ingelicht. Betrokkenen hebben zich verweerd onder meer met de stelling - samengevat weergegeven - dat dergelijke inlichtingen ook mondeling kunnen worden verstrekt en dat zij de commissarissen van Vie d'Or informeel en mondeling op adequate wijze van informatie hebben voorzien. De Raad aanvaardt dit verweer in zoverre dat het geven van inlichtingen aan de Raad van Commissarissen niet aan een bepaalde vorm gebonden is en derhalve ook mondeling kan geschieden. Indien de accountant er echter voor kiest de Raad van Commissarissen primair mondeling op de hoogte te stellen van bepaalde belangrijke feiten en omstandigheden, dan dient hij toe te zien op ten minste een juiste vastlegging van hetgeen hij mondeling heeft medegedeeld, bij voorbeeld in de notulen van de desbetreffende vergadering van de Raad van Commissarissen. Niet in geschil is dat dit in het onderhavige geval niet steeds is geschied. In zoverre is dit onderdeel van de klacht derhalve gegrond."

- met betrekking tot de informatie aan de Verzekeringskamer:

"Uit hetgeen hiervoor onder 6.4.2 is overwogen volgt dat onderdeel d van de klacht eveneens gegrond moet worden verklaard. De informatie inzake de aflossing van de vordering op de [betrokkene 5]-vennootschappen was voor de Verzekeringskamer evenzeer misleidend als voor een gebruiker van de jaarrekening."

3.3.4 De Raad van Tucht is tot de slotsom gekomen dat de klacht dat de controle van de jaarrekeningen over 1989 en 1992 niet tot goedkeurende verklaringen had mogen leiden, gegrond is. Zij heeft de klacht met betrekking tot de informatieverstrekking deels gegrond verklaard. De Raad van Tucht heeft aan ieder van de accountants in persoon de maatregel van een schriftelijke berisping opgelegd.

3.3.5 De uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven, waarbij de uitspraak van de Raad van Tucht is bekrachtigd, houdt onder meer het volgende in:

"5.7 Met de raad van tucht is het College van oordeel dat de toelichting van de post betreffende het herverzekeringscontract (Surplus Relief Contract) met NRG in de jaarrekening 1989 ontoereikend is. Zoals appellanten zelf ook naar voren hebben gebracht betrof het een in Nederland relatief onbekende constructie en bestonden er onzekerheden over de wijze van verwerking daarvan in opeenvolgende jaren in de balans. Niet voor niets heeft uitvoerig overleg plaatsgevonden met de actuaris en de Verzekeringskamer. Onder die omstandigheden had in elk geval niet mogen worden volstaan met de enkele vermelding van het contract in de jaarrekening maar had verdere informatie moeten worden verschaft. Met name had moeten worden toegelicht dat uit de wijze van verwerking van de constructie een vergroting voortvloeide van de solvabiliteit van Vie d'Or, doordat de gegarandeerde winst als actief werd opgenomen in de jaarrekening 1989, waar tegenover stond dat de ter zake van de herverzekering te betalen premies niet als passiva werden vermeld.

De raad van tucht heeft niet als zijn oordeel uitgesproken dat het niet-passiveren van de premies op zichzelf ontoelaatbaar was. Op de argumenten pro en contra niet- passivering hoefde hij dan ook niet in te gaan. Dit middel berust derhalve op een onjuiste lezing van de beslissing van de raad van tucht.

5.8 Met betrekking tot de stelling van appellanten dat de raad van tucht op onduidelijke gronden tot het oordeel is gekomen dat de raad van commissarissen onvoldoende is ingelicht overweegt het College het volgende. Appellanten hebben zich tegen de klacht omtrent het onvoldoende inlichten van de raad van commissarissen verweerd door te stellen dat zij wel degelijk, maar mondeling de noodzakelijke informatie hebben verschaft, hetgeen echter door leden van de raad van commissarissen bij verschillende gelegenheden is ontkend. De raad van tucht heeft zich kennelijk op het standpunt gesteld dat tegenover die ontkenning de stelling van appellanten omtrent de mondelinge informatieverschaffing alleen kan worden aanvaard voor zover schriftelijke vastlegging van die mondelinge informatieverstrekking heeft plaatsgevonden. Het College kan de raad van tucht hierin volgen. In de eerder geschetste bijzondere situatie van Vie d'Or, waarin het adequaat informeren van - onder meer - de raad van commissarissen van groot belang was, of had kunnen zijn, voor de voortgang van de onderneming, is het aan de accountant om aan te tonen dat zodanige informatie daadwerkelijk is verstrekt. Appellanten zijn daarin, voor zover schriftelijke vastlegging ontbreekt, niet geslaagd."

3.4 Het hof heeft de vorderingen van de Stichting tegen de accountants en de daartegen gevoerde verweren behandeld in rov. 10.1-10.23. Deze overwegingen houden het volgende in:

"10.1 De accountants komen in het incidenteel appel op tegen het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de vordering van de Stichting tegen de accountants, zoals neergelegd in de rechtsoverwegingen 3.27 tot en met 3. 31 van het bestreden vonnis. De rechtbank heeft daarin - samengevat - overwogen dat er, gelet op de uitspraken van de Raad van Tucht en het College van Beroep voor het Bedrijfsleven, in deze procedure van uit moet worden gegaan dat de accountants hebben gehandeld in strijd met voor de beroepsgroep waartoe zij behoren geldende normen en gedragsregels. De rechtbank ziet geen reden over de door de accountants aangevoerde argumenten, die grotendeels neerkomen op een herhaling van argumenten die ook reeds voor de tuchtrechter waren aangevoerd, anders te oordelen dan de tuchtrechters hebben gedaan. Het handelen van de accountants in strijd met de bedoelde normen en gedragsregels betekent volgens de rechtbank in dit geval dat zij tevens onrechtmatig hebben gehandeld jegens de (thans oud-) polishouders van Vie d'Or, omdat de volgens de tuchtrechter geschonden normen in hoge mate overeenkomen met de zorgvuldigheidsnormen die de accountants jegens die polishouders in acht moesten nemen.

10.2 De rechtbank heeft voorts overwogen dat causaal verband tussen het onrechtmatig handelen van de accountants en de schade van de (oud-) polishouders aanwezig is. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het onrechtmatig handelen van de accountants, dat bestond uit het onvoldoende uitvoering geven aan hun controlerende en informerende taken, een risico in het leven geroepen dat daardoor schade door derden zou ontstaan, meer in het bijzonder het risico dat bij Vie d'Or een situatie van insolventie zou ontstaan. Dat risico heeft zich ook verwezenlijkt. De accountants hebben niet aangetoond dat dit risico zich ook zou hebben verwezenlijkt indien hun onrechtmatig handelen achterwege zou zijn gebleven. De rechtbank acht het integendeel aannemelijk geworden dat indien de accountants tijdens hun werkzaamheden met betrekking tot de jaarrekening over 1989 correct en zorgvuldig hadden gehandeld, de problemen bij Vie d'Or reeds in die tijd veel duidelijker en dwingender aan de oppervlakte waren gekomen. Omdat de situatie van Vie d'Or destijds nog niet hopeloos was, is juist aannemelijk dat aanmerkingen van de zijde van de accountants, eventueel uitmondend in het onthouden van de goedkeuring aan de jaarrekeningen, veel eerder zouden hebben geleid tot ingrijpender maatregelen van de Verzekeringskamer, zoals het benoemen van een stille bewindvoerder. De rechtbank acht het daarbij van belang dat de perspectieven van overname van Vie d'Or in die fase beduidend gunstiger waren en niet onaannemelijk is dat overname (zonder korting van verplichtingen jegens de polishouders) had kunnen plaatsvinden. De rechtbank heeft dan voor recht verklaard dat de accountants onrechtmatig hebben gehandeld jegens de oud-polishouders van Vie d'Or, met dien verstande dat de rechtbank daarbij de kring van oud-polishouders heeft beperkt overeenkomstig haar oordeel ten aanzien van de uitleg van de statuten van de Stichting.

10.3 Grief I houdt - kort samengevat - in dat de rechtbank ten onrechte bepaalde feiten als vaststaand heeft aangenomen en evenzeer ten onrechte relevante feiten en omstandigheden niet in haar afwegingen heeft betrokken. Deze grief voldoet slechts aan de eis, dat de rechter en de wederpartij daaruit moeten kunnen opmaken welk oordeel van de rechter in eerste aanleg onjuist zou zijn en waarom, voor zover de grief is uitgewerkt in de paragrafen 6.4 tot en met 6.8 van de memorie van grieven. De grief faalt bij gebrek aan belang. De feiten waarop de accountants doelen zijn noch voor de rechtbank noch voor het hof van belang bij het oordeel over de onrechtmatigheid of het causaal verband.

10.4 In grief II voeren de accountants aan dat de rechtbank ten onrechte en/of zonder zulks naar behoren te motiveren heeft overwogen, dat de belangen van de verschillende polishouders zodanig gelijksoortig zijn dat een collectieve actie op grond van art. 3:305a BW, voor zover het gaat om een verklaring voor recht dat gedaagden jegens de polishouders onrechtmatig hebben gehandeld, tot de mogelijkheden behoort. De accountants voeren in de toelichting op deze grief - door verwijzing naar in eerste aanleg ook reeds door hen aangevoerde argumenten - aan dat de belangen van de diverse polishouders niet dezelfde en ook niet voldoende gelijksoortig zijn. Volgens de accountants zijn de vorm van de verzekering, de condities, de datum van ingang en storting van premies alsmede de afwikkeling zeer verschillend, terwijl het ook verschil kan maken in welke periode de verzekering is afgesloten of premie betaald. Ook voeren de accountants aan dat een vereiste voor aansprakelijkheid is dat de polishouders de betreffende jaarrekening hebben geraadpleegd en op grond daarvan bepaalde beslissingen hebben genomen. De polishouders voor wie de Stichting optreedt vormen ook in dit opzicht niet een zodanig uniforme groep dat aan de Stichting een vorderingsrecht ex art. 3:305a BW toekomt.

10.5 De grief faalt. De door de accountants genoemde omstandigheden waardoor de posities van de polishouders van elkaar zouden verschillen, betreffen niet de onrechtmatigheid, maar de omvang van de door hen geleden schade of de aanwezigheid van causaal verband. Voorts is het voor de door het hof aangenomen onrechtmatigheid niet relevant wannéér een polishouder zijn verzekering heeft afgesloten of premies heeft betaald. De stelling van de accountants dat een vereiste voor aansprakelijkheid is dat een polishouder de jaarrekening heeft geraadpleegd en daarop bepaalde beslissingen heeft gegrond, gaat in zijn algemeenheid niet op. Meer in het bijzonder is deze stelling onjuist in een geval als het onderhavige, waarin, zoals hierna zal blijken, de accountants jegens de polishouders aansprakelijk zijn, onafhankelijk van de vraag of de polishouders de jaarrekening hebben geraadpleegd. Hetgeen de accountants aanvoeren staat aan een collectieve actie derhalve niet in de weg.

10.6 Grief III houdt in dat de rechtbank ten onrechte en zonder behoorlijke motivering heeft overwogen dat de tegen de accountants aangevoerde en door de tuchtrechter gegrond bevonden klachten meebrengen dat de accountants aansprakelijk zijn jegens de polishouders van Vie d'Or. Ook zou de rechtbank ten onrechte en zonder haar oordeel op enigerlei wijze te motiveren, hebben overwogen dat de volgens de tuchtrechter geschonden normen in hoge mate overeenkomen met de normen die accountants in acht behoorden te nemen jegens polishouders. In grief IV komen de accountants op tegen de overweging van de rechtbank dat de Raad van Tucht zijn beoordeling van de klachten vooraf heeft doen gaan van een door de leden accountants ingesteld dossieronderzoek, althans betogen zij dat de rechtbank ten onrechte aan dat onderzoek enig gewicht heeft toegekend.

10.7 Grief III faalt. De rechtbank heeft terecht en in hoger beroep onbestreden tot uitgangspunt genomen dat er in dit geding van moet worden uitgegaan dat de accountants op de door de Raad van Tucht aangegeven punten in strijd hebben gehandeld met de normen en gedragsregels die gelden voor de beroepsgroep waartoe zij behoren. De rechtbank heeft eveneens terecht overwogen dat in dit geval schending van de bedoelde normen en gedragsregels tevens betekent dat de accountants onrechtmatig jegens de polishouders van Vie d'Or hebben gehandeld. De rechtbank heeft haar oordeel toereikend gemotiveerd, door te overwegen dat de volgens de tuchtrechter geschonden normen in hoge mate overeenstemmen met de zorgvuldigheidsnormen die de accountants in acht moesten nemen jegens de polishouders van Vie d'Or. Het hof tekent hierbij nog het volgende aan. De Raad van Tucht heeft onder meer en voor zover hier van belang het volgende overwogen:

- de administratie van Vie d'Or voldeed op wezenlijke onderdelen niet aan de daaraan te stellen eisen;

- in 1989, het jaar waarin de bij Vie d'Or verzekerde kapitalen toenamen van ongeveer ƒ 110 miljoen tot ruim ƒ 2 miljard, ontbrak een administratie van de rekening-courantpositie per tussenpersoon en er was geen interne controle op de volledigheid van de premiebetalingen per polis;

- de controlerend accountant kon niet beschikken over adequate informatie omtrent de rekening-courantverhoudingen met de afzonderlijke tussenpersonen en de rechten en verplichtingen jegens de polishouders;

- indien de accountant ervoor kiest de raad van commissarissen primair mondeling op de hoogte te stellen van bepaalde belangrijke feiten en omstandigheden, dan dient hij toe te zien op tenminste een juiste vastlegging van hetgeen hij mondeling heeft meegedeeld; dit is in het onderhavige geval niet steeds geschied;

- de klacht dat de controle over 1989 niet tot goedkeurende verklaringen had mogen leiden, is gegrond.

Hierbij is voorts van belang dat de Ondernemingskamer in zijn beschikking van 9 juli 1989, welke beschikking - behoudens een hier niet terzake doend punt - onherroepelijk is geworden, onder meer het besluit van de raad van commissarissen tot goedkeuring en het besluit van de algemene vergadering van aandeelhouders tot vaststelling van de jaarrekening van Vie d'Or over 1989 heeft vernietigd omdat deze jaarrekening naar het oordeel van de Ondernemingskamer onjuist was.

10.8 Uit het voorgaande blijkt dat de accountants ernstig hebben gefaald in de uitvoering van hun taak. Onder de gegeven omstandigheden levert dit ook onrechtmatig handelen jegens de polishouders op. De accountants hadden moeten beseffen dat het voor bestaande en toekomstige polishouders van een levensverzekeringsmaatschappij, die met het oog op onder meer een oudedagsvoorziening aanzienlijke bedragen voor langere termijn aan de maatschappij toevertrouwen, van groot belang is dat (a) geen geflatteerd beeld van de jaarrekening wordt gegeven, zoals met betrekking tot het NRG-contract wel is gebeurd, maar ook en bovenal dat (b) de jaarrekening niet wordt voorzien van een goedkeurende verklaring indien die niet behoort te worden afgegeven omdat, zoals in dit geval, de accountants niet konden beschikken over adequate informatie omtrent de rechten en verplichtingen tegenover de polishouders. Ook is het voor bestaande en toekomstige polishouders van groot belang dat de accountants indien daar, zoals in het onderhavige geval, aanleiding voor is, de raad van commissarissen op adequate wijze waarschuwen, opdat tijdig maatregelen zouden kunnen worden genomen om een onjuiste gang van zaken te verbeteren. Ook daarin zijn de accountants tekortgeschoten.

10.9 Grief IV faalt omdat de accountants daar geen belang bij hebben. De accountants vechten in hoger beroep immers niet aan dat er in dit geding van moet worden uitgegaan dat de accountants op de door de Raad van Tucht aangegeven punten in strijd hebben gehandeld met de normen en gedragsregels die gelden voor de beroepsgroep waartoe zij behoren. Nu de juistheid van het oordeel van de Raad van Tucht niet meer ter discussie staat, kan in het midden blijven op welke wijze de Raad van Tucht tot zijn oordeel is gekomen. Het hof merkt nog ten overvloede op dat dezelfde klacht door de accountants ook is aangevoerd in het hoger beroep tegen de uitspraak van de Raad van Tucht bij het College van Beroep voor het Bedrijfsleven, en dat deze niet tot vernietiging van die uitspraak heeft geleid. Bij deze stand van zaken is er geen taak meer voor dit hof om deze klacht opnieuw ten gronde te beoordelen.

10.10 In de grieven V tot en met IX komen de accountants op tegen het oordeel van de rechtbank in r.o. 3.30 van het bestreden vonnis, waarin de rechtbank tot de conclusie komt dat tussen het onrechtmatig handelen van de accountants en de schade causaal verband bestaat. Het hof zal eerst grief IX behandelen. Grief IX houdt kort gezegd in dat de rechtbank ten onrechte de zogeheten "omkeringsregel" heeft toegepast.

10.11 Met de omkeringsregel wordt gedoeld op de door de Hoge Raad voor bepaalde gevallen aanvaarde bijzondere, uit de redelijkheid en billijkheid voortvloeiende regel die inhoudt dat een uitzondering dient te worden gemaakt op de hoofdregel van art. 150 Rv. in dier voege dat het bestaan van causaal verband (in de zin van sine qua non verband) tussen de onrechtmatige gedraging of tekortkoming en het ontstaan van de schade wordt aangenomen, tenzij degene die wordt aangesproken bewijst - waarvoor in het kader van het hier te leveren tegenbewijs voldoende is: aannemelijk maakt - dat de bedoelde schade ook zonder die gedraging of tekortkoming zou zijn ontstaan. Voor de toepassing van deze regel is vereist dat sprake is geweest van een gedraging in strijd met een norm die strekt tot het voorkomen van een specifiek gevaar ter zake van het ontstaan van schade en dat degene die zich op schending van deze norm beroept, ook bij betwisting aannemelijk heeft gemaakt dat in het concrete geval het specifieke gevaar waartegen de norm bescherming beoogt te bieden, zich heeft verwezenlijkt.

10.12 Grief IX treft doel. De accountants betogen terecht dat de rechtbank in dit geval de omkeringsregel niet had mogen toepassen. Weliswaar hebben de accountants in het onderhavige geval gehandeld in strijd met de zorgvuldigheid die zij jegens de oud-polishouders in acht hadden dienen te nemen, maar dit wil niet zeggen dat zij in strijd hebben gehandeld met een norm die strekt tot het voorkomen van een specifiek gevaar ter zake van het ontstaan van schade. Naar het oordeel van het hof strekken de door de accountants overtreden normen niet tot het voorkomen van een specifiek gevaar terzake van het ontstaan van schade, maar hebben zij gehandeld in strijd met de algemene norm dat de accountant moet handelen in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid voortvloeiende uit de voor accountants geldende professionele standaard. In dat geval kan de omkeringsregel geen toepassing vinden. Het voorgaande betekent dat ook grief V en grief VIII, die zich richten tegen overwegingen van de rechtbank waarmee zij toepassing geeft aan de omkeringsregel, slagen.

10.13 De rechtbank heeft evenwel niet volstaan met het formuleren van de omkeringsregel en de constatering dat de accountants niet hebben aangetoond dat dit risico zich ook zou hebben verwezenlijkt indien het onrechtmatig handelen achterwege zou zijn gebleven. De rechtbank heeft bovendien overwogen dat aannemelijk is geworden dat, indien de accountants vanaf de aanvang van hun onrechtmatig handelen tijdens de werkzaamheden met betrekking tot de jaarrekening 1989 correct en zorgvuldig hadden gehandeld, de problemen bij Vie d'Or reeds in die tijd veel duidelijker en dwingender aan de oppervlakte waren gekomen en ook dat aannemelijk is dat de Verzekeringskamer, indien Vie d'Or de problemen niet zelf zou hebben opgelost, veel eerder ingrijpender maatregelen zoals het benoemen van een stille curator zou hebben getroffen. De rechtbank heeft hier kennelijk toepassing gegeven aan de regel van bewijsrecht, dat de rechter in een gegeven geval op grond van gebleken feiten en omstandigheden tot het voorlopig oordeel kan komen dat, behoudens door de accountants te leveren tegenbewijs, de eiser in het bewijs van causaal verband tussen fout en schade is geslaagd.

10.14 Tegen dit oordeel komen de accountants op in grief VI en grief VII. Zij voeren (in het kader van grief VI) aan dat de rechtbank heeft miskend dat derden die geen kennis hebben genomen van de jaarrekeningen en/of de staten niet mogen aannemen dat een onderneming solvabel is en er geen gevaar voor faillissement bestaat. Ook heeft er tot december 1993 geen risico van insolventie bestaan. Dit risico is volgens de accountants eerst ontstaan toen de onnodige keuze werd gemaakt Vie d'Or te liquideren. Ook zou de rechtbank hebben miskend dat, zo er in 1993 of daarvoor al reden was vraagtekens te zetten bij Vie d'Ors lange termijn solvabiliteit, hetgeen volgens de accountants niet het geval was, dit geen reden zou zijn geweest om de jaarrekeningen van Vie d'Or niet goed te keuren. In grief VII vechten de accountants het oordeel van de rechtbank aan dat de Verzekeringskamer eerder en/of ingrijpender maatregelen zou hebben genomen wanneer de accountants aanmerkingen zouden hebben gemaakt en/of hun goedkeuring aan de jaarrekening zouden hebben onthouden. Volgens de accountants was de Verzekeringskamer beter op de hoogte van de gang van zaken bij Vie d'Or en heeft hij de verwerking van de Surplus Relief Contracten in de jaarrekeningen en de staten altijd goedgekeurd.

10.15 De grieven slagen niet. De accountants zien in de eerste plaats over het hoofd dat de rechtbank het bestaan van causaliteit niet heeft aangenomen op grond van het oordeel dat de oud-polishouders hebben mogen aannemen dat Vie d'Or solvabel was en er geen gevaar voor faillissement bestond, maar op grond van haar oordeel, dat aldus moet worden begrepen, dat indien de accountants hadden gedaan wat zij hadden moeten doen, te weten Vie d'Or op de tekortkomingen in haar administratie wijzen en zonodig dreigen hun goedkeuring aan de jaarrekening te onthouden, hetzij Vie d'Or zelf deze gebreken zou hebben opgeheven hetzij, indien dit niet (tijdig) zou zijn gebeurd, de goedkeuring aan de jaarrekening zou zijn onthouden en de Verzekeringskamer - eerder en ingrijpender dan zij thans gedaan heeft - zou hebben ingegrepen. Het hof onderschrijft het oordeel van de rechtbank. Het is niet goed voorstelbaar dat de Verzekeringskamer niet zou hebben ingegrepen indien hij zich geconfronteerd had gezien met een levensverzekeringsmaatschappij waarvan de jaarrekening niet door de accountant zou zijn goedgekeurd. Het betoog van de accountants dat de Verzekeringskamer de verwerking van de Surplus Relief Contracten in de jaarrekening zou hebben goedgekeurd, wat daar verder ook van zij (bij pleidooi is gebleken dat de accountants hiermee bedoelen dat de goedkeuring van de Verzekeringskamer van de verwerking van de SRC's in de staten goedkeuring voor verwerking in de jaarrekening impliceert), doet hieraan geen afbreuk, nu de onjuiste verwerking van het NRG-contract in de jaarrekening 1989 niet de enige reden was waarom de accountants hun goedkeurende verklaring aan die jaarrekening hadden moeten onthouden.

10.16 Het hof voegt hieraan nog toe dat ook aannemelijk is dat, indien de accountants de raad van commissarissen op adequate wijze zouden hebben gewaarschuwd, deze raad de nodige maatregelen van Vie d'Or zouden hebben afgedwongen, die er uit bestaan zouden hebben dat zou worden gezocht naar een maatschappij die Vie d'Or zou hebben willen overnemen. Hetgeen het hof hieromtrent heeft overwogen in r.o. 8.5 is ook in dit geval van toepassing.

10.17 De accountants hebben nog aangevoerd dat Vie d'Or nodeloos is gefailleerd, omdat de embedded value positief was. Ook stellen zij, dat indien er eind 1993 voor zou zijn gekozen Vie d'Or of haar portefeuille te verkopen of voor een 'run off' (waarmee de accountants kennelijk bedoelen: het continueren van bestaande polissen door Vie d'Or zonder nieuwe activiteiten te ontwikkelen), alle polishouders zonder meer volledig aan hun trekken zouden zijn gekomen. Het tekort dat is ontstaan zou het gevolg zijn van de keuze Vie d'Or te liquideren en de zeer nadelige wijze waarop die liquidatie is uitgevoerd. Voorts zou het faillissement het gevolg zijn van de onjuiste wijze waarop [betrokkene 6] (sinds 1 november 1993 directeur van Vie d'Or) de problemen bij Vie d'Or naar buiten bracht.

10.18 De accountants verliezen met dit betoog evenwel uit het oog dat het er bij het beantwoorden van de vraag of hun onrechtmatig handelen de schade van de polishouders tot gevolg heeft gehad, in de eerste plaats om gaat of die schade ook zou zijn ontstaan indien de onrechtmatige daad van de accountants achterwege zou zijn gebleven (sine qua non verband). Die vraag moet ontkennend worden beantwoord. Indien de accountants tijdig, dat wil zeggen niet later dan in het tweede halfjaar 1990 hadden gedaan wat zij hadden moeten doen, zouden de problemen van Vie d'Or, die toen nog niet onoverkomelijk waren, als gevolg van actie van de directie - en, bij gebreke daarvan, de raad van commissarissen of de Verzekeringskamer - tijdig uit de wereld zijn geholpen. Een ontwikkeling waarbij gekozen moest worden voor een bepaalde vorm van afwikkeling (bijvoorbeeld een 'run off') zou zich dan niet hebben voorgedaan. Ook zou niet de situatie zijn ontstaan waarin [betrokkene 6] - op al dan niet gelukkige wijze - de problemen van Vie d'Or naar buiten kon brengen.

10.19 De schade moet ook in redelijkheid aan de accountants worden toegerekend. Zij hadden moeten beseffen dat de problemen van Vie d'Or groot waren, met name door het ontoereikend zijn van de administratie, en dat schade aan de polishouders voorzienbaar was indien zij dit met de mantel der liefde zouden blijven bedekken, in plaats van zodanige signalen af te geven dat de directie - en bij gebreke daarvan: de raad van commissarissen of de Verzekeringskamer - wel moesten ingrijpen.

10.20 Het hof merkt ten slotte nog op dat de stellingen van de accountants dat liquidatie van Vie d'Or onnodig was en dat deze bovendien op de verkeerde wijze is uitgevoerd, op volstrekt onvoldoende wijze zijn onderbouwd. De accountants hebben bijvoorbeeld, met name in het licht van de gemotiveerde stellingen van de Stichting, niet duidelijk kunnen maken hoe Vie d'Or, indien zij niet zou zijn geliquideerd, uit de reeds jaren bestaande verliessituatie zou zijn gekomen. Ook volgens de - ongecorrigeerde - jaarrekeningen van Vie d'Or werden immers in 1990, 1991 en 1992 forse verliezen van ƒ 5,4 miljoen, ƒ32,2 miljoen en ƒ 11,7 miljoen geleden. Dat de bestaande polissen hadden kunnen worden gecontinueerd is onaannemelijk, aangezien Twenteleven deze polissen slechts met een aanzienlijke korting wilde overnemen en niet is gesteld of gebleken dat andere verzekeringsmaatschappijen bereid waren de portefeuille zonder of tegen een lagere korting over te nemen. De Stichting wijst er bovendien terecht op dat Chase Manhattan in april 1993 tot de conclusie was gekomen dat Vie d'Or "cannot be sold for value" en dat "[t]he maximum that can be hoped for is that one of the remaining parties to be contacted would be prepared to take over the responsibility for the existing portfolio for no consideration". Tegen deze achtergrond valt niet in te zien dat het verliesgevende Vie d'Or, met verplichtingen tegenover onder meer Merril Lynch, kans zou hebben gezien zelfstandig het hoofd boven water te houden of zelfs maar de - kennelijk door Chase Manhattan niet winstgevende geachte - portefeuille zou hebben kunnen laten aflopen. Tenslotte hecht het hof betekenis aan de mening van de stille bewindvoerder [betrokkene 7], die blijkens het door de accountants overgelegde interview in Welwezen vertelt dat hij eind 1993 tot de conclusie kwam dat er bij Vie d'Or ƒ 30 miljoen bij moest en dat noch de aandeelhouders noch de andere verzekeringsmaatschappijen bereid waren dat bedrag te fourneren. De accountants maken niet duidelijk waar dat bedrag, dat blijkbaar nodig was om Vie d'Or op eigen kracht te laten voortbestaan, in hun visie vandaan zou zijn gekomen.

10.21 Wat betreft het optreden van [betrokkene 6] is het hof van oordeel dat, wat er ook zij van de vraag of dat optreden van [betrokkene 6] verstandig was of niet, niet aannemelijk is dat het faillissement van Vie d'Or zou zijn uitgebleven indien [betrokkene 6] niet met de problemen naar buiten zou zijn getreden. In de eerste plaats heeft de Stichting onvoldoende weersproken aangevoerd dat Vie d'Or ten tijde van het aantreden van [betrokkene 6] al in opspraak was, en dit blijkt ook afdoende uit een artikel uit Financieel Economisch Magazine van 30 oktober 1993, productie 64 bij pleidooi in eerste instantie. De problemen waren derhalve toen al naar buiten gekomen. In de tweede plaats ligt het niet voor de hand dat Vie d'Or, indien er, zoals de accountants stellen, in wezen weinig met Vie d'Or mis was, in de problemen zou zijn geraakt door het enkele feit dat [betrokkene 6] met bepaalde problemen naar buiten is getreden. Aannemelijk is veeleer dat de problemen van Vie d'Or zo ernstig waren deze ook los van het optreden van [betrokkene 6] binnen korte termijn tot ingrijpen van de Verzekeringskamer en tot het faillissement zouden hebben geleid.

10.22 Grief X bouwt voort op de daaraan voorafgaande grieven en faalt om de hiervoor vermelde redenen. Grief IX is reeds behandeld in het kader van de bespreking van grief VIII van de Stichting in het principaal appel. De grief is ten dele gegrond.

10.23 Grief XII houdt in dat de rechtbank ten onrechte en zonder zulks (naar behoren) te motiveren ten aanzien van een aantal aspecten met twee maten heeft gemeten bij de beantwoording van de aansprakelijkheidsvraag ten aanzien van de Verzekeringskamer en die betreffende de accountants. Bij deze grief hebben de accountants geen belang, aangezien het hof, anders dan de rechtbank, tot het oordeel komt dat zowel de accountants als de Verzekeringskamer onrechtmatig jegens de (oud-)polishouders hebben gehandeld. Daarbij is van een meten met twee maten in ieder geval geen sprake. De accountants en de Verzekeringskamer worden ieder aansprakelijk geacht op grond van eigen handelen of nalaten, steeds bezien tegen de achtergrond van hun taak als accountants van Vie d'Or en toezichthouder."

4. Beoordeling van onderdeel A van het middel in het principale beroep

4.1 Onderdeel A.1 klaagt dat het hof zijn oordeel dat de vorderingen onder 1a en 2c toewijsbaar zijn tegen 'de accountants' onvoldoende heeft onderbouwd. Daartoe wordt het volgende aangevoerd. Het hof verstaat in zijn arrest onder 'de accountants': Deloitte&Touche, [eisers 2 t/m 4] gezamenlijk. Het hof heeft de aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad van de accountants jegens de oud-polishouders in hoofdzaak gebaseerd op het door de tuchtrechters vastgestelde tekortschieten van de accountants, welk tekortschieten betrekking heeft op de controle van de jaarrekeningen 1989 en 1992 en de wijze van informatieverstrekking aan de Raad van Commissarissen van Vie d'Or. Uit hetgeen het hof heeft overwogen, in het bijzonder in rov. 10.7, 10.13, 10.15 en 10.18, moet worden afgeleid dat het hof de aansprakelijkheid van de accountants uitsluitend heeft beoordeeld op basis van een tekortschieten van de accountants ter zake van de uitoefening van de controle van de jaarrekening 1989 en de wijze van informeren van de Raad van Commissarissen in het tweede halfjaar van 1990. [eisers 3 en 4] zijn, naar de rechtbank heeft vastgesteld en in hoger beroep niet is bestreden, niet betrokken geweest bij het verlenen van de goedkeurende verklaring met betrekking tot de jaarrekening over 1989; zij zijn alleen in 1993 betrokken geweest bij de verlening van de goedkeurende verklaring met betrekking tot de jaarrekening 1992. Door zonder enig voorbehoud het petitum onder 1a en onder 2.c ook toewijsbaar te oordelen tegenover [eisers 3 en 4], is 's hofs oordeel ontoereikend gemotiveerd.

Onderdeel A.2 klaagt dat, indien zou moeten worden aangenomen dat het hof ander handelen of nalaten van de accountants in aanmerking heeft genomen dan het handelen of nalaten van de bij de jaarrekening 1989 betrokken accountant in het tweede halfjaar 1990, het hof onvoldoende specifiek heeft aangegeven op welk handelen of nalaten na het tweede halfjaar 1990 het het oog heeft gehad en waarom die gedragingen onrechtmatig zijn jegens de polishouders en in causaal verband staan tot de schade die de polishouders stellen te hebben geleden.

De onderdelen lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

4.2 De onderdelen slagen. Het hof heeft in zijn in onderdeel A.1 genoemde overwegingen klaarblijkelijk zijn oordeel omtrent de onrechtmatigheid van het handelen van de accountants en omtrent het causaal verband tussen de gedragingen van de accountants en de schade uitsluitend doen berusten op een tekortschieten in het tweede halfjaar 1990 ten aanzien van de controle van de jaarrekening over 1989 en de informatieverstrekking aan de Raad van Commissarissen van Vie d'Or. Nu in dit geding als vaststaand moet worden aangenomen dat [eisers 3 en 4] geen bemoeienis hebben gehad met de controle van de jaarrekening 1989 en met de informatieverstrekking aan de Raad van Commissarissen in het tweede halfjaar 1990, is zonder nadere motivering, die het hof niet heeft gegeven, niet begrijpelijk dat de vorderingen onder 1a en 2c, die zonder enige beperking tegenover 'de accountants' toewijsbaar zijn geoordeeld, ook tegenover deze personen toewijsbaar zijn.

5. Beoordeling van onderdeel B van het middel in het principale beroep

5.1.1 Onderdeel B.1 richt zich met motiveringsklachten tegen rov. 10.8 van het bestreden arrest. Onderdeel B.1.a behelst de klacht dat het hof onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt waarop het het oog heeft bij zijn overweging dat van groot belang is "dat geen geflatteerd beeld van de jaarrekening wordt gegeven, zoals met betrekking tot het NRG-contract wel is gebeurd". Onderdeel B.1.b bevat de klacht dat onduidelijk is wat het hof bedoelt met "op adequate wijze waarschuwen" van de Raad van Commissarissen; niet duidelijk is of het hof alleen doelt op het in rov. 10.7 vermelde ontbreken van schriftelijke vastlegging van mondelinge informatie of iets anders of meer op het oog heeft. Onderdeel B.1.c keert zich tegen de passage waarin het hof overweegt dat de accountants "hadden moeten beseffen" dat het voor bestaande en toekomstige polishouders van een levensverzekeringsmaatschappij van groot belang is, kort gezegd, dat de jaarrekening geen geflatteerd beeld geeft, dat de jaarrekening niet wordt voorzien van een goedkeurende verklaring als deze niet behoort te worden afgegeven, en dat de Raad van Commissarissen op adequate wijze wordt gewaarschuwd. Dit onderdeel klaagt dat het hof, gelet op hetgeen de accountants in feitelijke aanleg hebben aangevoerd en hetgeen als vaststaand heeft te gelden, heeft nagelaten toereikend te motiveren dat en waarom bij hen zodanig besef ontbrak.

De onderdelen lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

5.1.2 De onderdelen kunnen niet tot cassatie leiden. Het hof heeft in rov. 10.7, onder verwijzing naar de beslissing van de Raad van Tucht, tot uitgangspunt genomen dat de accountants op de daar opgesomde punten in strijd hebben gehandeld met de normen en gedragsregels die gelden voor accountants. In rov. 10.8 bouwt het hof voort op de voorgaande overweging en trekt uit hetgeen in rov. 10.7 is overwogen de conclusie dat de accountants in de uitvoering van hun taak hebben gefaald. Gelet op de nauwe samenhang met de uitspraak van de Raad van Tucht, is voldoende duidelijk dat het hof in rov. 10.8 met de in de onderdelen bestreden passages doelt op hetgeen de Raad van Tucht daaromtrent heeft overwogen. In aanmerking genomen hetgeen de Raad van Tucht, bekrachtigd door het College van Beroep voor het bedrijfsleven, dienaangaande heeft overwogen (hiervoor weergegeven in 3.3.3 en 3.3.5), zijn die overwegingen niet onbegrijpelijk en behoefden zij geen nadere motivering. Daarbij wordt het volgende in aanmerking genomen.

De overweging van het hof, die erop neerkomt dat de jaarrekening over 1989 een geflatteerd beeld gaf, is niet onbegrijpelijk in het licht van het oordeel van de tuchtrechters dat in die jaarrekening niet had mogen worden volstaan met de enkele vermelding van het herverzekeringscontract met NRG, maar dat nader had moeten worden toegelicht dat uit de wijze van verwerking van de constructie weliswaar een vergroting voortvloeide van de solvabiliteit van Vie d'Or doordat de gegarandeerde winst als actief werd opgenomen, maar dat de ter zake van de herverzekering te betalen premies niet als passiva werden vermeld.

De overweging van het hof, die erop neerkomt dat de Raad van Commissarissen niet op adequate wijze is gewaarschuwd, moet in het licht van hetgeen de tuchtrechters daaromtrent hebben overwogen, kennelijk zo worden begrepen dat daarmee wordt gedoeld op het door dezen geconstateerde nalaten de Raad van Commissarissen de noodzakelijke informatie te verschaffen. Aldus is deze overweging van het hof niet onbegrijpelijk of ontoelaatbaar onduidelijk.

De overwegingen van het hof waarom de accountants in de uitvoering van hun taak hebben gefaald moeten kennelijk aldus worden begrepen, dat het onrechtmatig handelen berust op de omstandigheden dat de jaarrekening 1989 een geflatteerd beeld gaf, dat deze jaarrekening ten onrechte is voorzien van een goedkeurende verklaring en dat de Raad van Commissarissen niet op adequate wijze is gewaarschuwd, terwijl de accountants zich van het grote belang van de getrouwheid van de jaarrekening, van een goedkeurende verklaring en van adequate informatieverstrekking bewust moeten zijn geweest. Aldus gaat het onderdeel, dat aanneemt dat het hof het onrechtmatig handelen heeft gebaseerd op het ontbreken van (voldoende) besef bij de accountants van het belang van de genoemde drie punten, uit van een onjuiste lezing van deze overwegingen.

Onrechtmatigheid

5.2 Onderdeel B.2 klaagt dat het hof in rov. 10.8 de vraag of de accountants onrechtmatig hebben gehandeld jegens de polishouders ten onrechte op te beperkte voet heeft beoordeeld. Daartoe wordt aangevoerd dat het hof had moeten onderzoeken of het in geschil zijnde handelen van de accountants beantwoordt aan die zorgvuldigheid tegenover de polishouders, die deze met het oog op hun belangen, gelet op de omstandigheden van het geval, redelijkerwijs van de accountant bij de uitvoering van zijn taak hebben kunnen en mogen verwachten. Daarbij had het hof moeten letten op factoren als de aard en omvang van de taak van de accountant, de aard en inhoud van de gemaakte fouten en de wel getroffen maatregelen, hetgeen het niet heeft gedaan. Onderdeel B.3 bevat de klacht dat het oordeel van het hof in rov. 10.7, dat schending van de gedragsregels door de accountants in dit geval tevens betekent dat onrechtmatig is gehandeld jegens de polishouders, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, doordat het hof heeft nagelaten vorenbedoelde factoren in zijn beoordeling van het concrete geval te betrekken.

De onderdelen lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

5.3 Ter beantwoording van de vraag of de accountants onrechtmatig hebben gehandeld en deswege aansprakelijk kunnen zijn voor de individuele vermogensschade die de polishouders hebben geleden doordat Vie d'Or wegens insolventie niet aan haar verplichtingen uit de verzekeringsovereenkomst heeft kunnen voldoen, moet worden onderzocht wat van hen als redelijk handelende en redelijk bekwame externe controlerende registeraccountants moest worden gevergd in het kader van een zorgvuldige uitoefening van hun taak met het oog op de belangen van de polishouders bij de continuïteit van Vie d'Or.

5.4.1 Met betrekking tot de vereiste zorgvuldigheid wordt het volgende vooropgesteld.

De belangen die met een goede uitoefening van de taak van de externe controlerende accountant zijn gemoeid, zijn niet beperkt tot die van de rechtspersoon om wiens jaarrekening het gaat. In het maatschappelijk verkeer mogen derden verwachten dat de informatie zoals deze door, veelal wettelijk verplichte, openbaarmaking van de jaarrekening en een goedkeurende verklaring naar buiten komt, naar het onafhankelijk en objectief inzicht van de accountant een getrouw beeld geeft van het vermogen, het resultaat en de solvabiliteit en liquiditeit van de onderneming en dat de jaarrekening voldoet aan de vereisten die wet en (Europese) regelgeving stellen en in overeenstemming is met de normen en standaarden die te dier zake in deze beroepsgroep algemeen worden aanvaard. Ook derden moeten hun gedrag kunnen afstemmen op die informatie en bij het nemen of handhaven van hun (financiële) beslissingen kunnen vertrouwen dat het gepresenteerde beeld niet misleidend is. Aldus dient deze taakuitoefening van de accountant mede een wezenlijk publiek belang.

Het vorenstaande geldt in het bijzonder waar het gaat om de wettelijke controlerende taak ten aanzien van levensverzekeringsmaatschappijen. Dit betekent dat hoge eisen moeten worden gesteld aan de zorg die de externe controlerende accountant naar in het maatschappelijk verkeer geldende zorgvuldigheidsnormen moet betrachten bij zijn werkzaamheden ten aanzien van de jaarrekening van zo'n maatschappij.

5.4.2 Bij de beantwoording van de vraag of de externe controlerende accountant heeft gehandeld in overeenstemming met de van hem in het concrete geval te vergen mate van zorg, komt het - met inachtneming van hetgeen hiervoor is vooropgesteld - aan op een beoordeling van alle omstandigheden van het geval.

Daarbij zal moeten worden onderzocht of en in hoeverre in nationale of Europese regelgeving neergelegde (dwingende) voorschriften omtrent de vervulling van die taak - zoals in het onderhavige geval ten aanzien van de financiële verslaglegging van levensverzekeringsmaatschappijen - zijn nageleefd. Voorts behoren tot de in de beoordeling te betrekken factoren de aard van de geschonden norm en de ernst van een geconstateerde schending daarvan, de door de accountant wel getroffen maatregelen of verschafte informatie, de mate waarin het gevaar van schade door aantasting van de in het geding zijnde vermogensbelangen voor de accountant redelijkerwijs voorzienbaar was en, mede in verband daarmee, of die (controle)maatregelen zijn genomen en die waarschuwingen zijn gegeven die in de gegeven omstandigheden redelijkerwijze van de accountant konden worden gevergd ter voorkoming van dit gevaar.

5.4.3 Bij het antwoord op de vraag of een accountant ter zake van de uitoefening van zijn taak uit onrechtmatige daad aansprakelijk is, kan de burgerlijke rechter betekenis toekennen aan het oordeel van de tuchtrechter over het gewraakte handelen (vgl. HR 12 juli 2002, nr. C00/274, NJ 2003, 151).Daarbij moet echter het volgende in aanmerking worden genomen.

Het tuchtrecht heeft in de eerste plaats tot doel, kort gezegd, in het algemeen belang een goede wijze van beroepsuitoefening te bevorderen. In een tuchtprocedure staat, aan de hand van andere maatstaven dan die worden gehanteerd bij de beoordeling van de civiele aansprakelijkheid en zonder de in een civiele procedure geldende bewijsregels, ter beoordeling of een beroepsbeoefenaar in overeenstemming heeft gehandeld met de voor de desbetreffende beroepsgroep geldende normen en gedragsregels. Deze kenmerken brengen mee dat aan het oordeel van de tuchtrechter dat in strijd is gehandeld met de voor het desbetreffende beroep geldende normen en regels, niet zonder meer de gevolgtrekking kan worden verbonden dat de betrokkene civielrechtelijk aansprakelijk is wegens schending van een zorgvuldigheidsnorm (vgl. HR 10 januari 2003, nr. C01/055, NJ 2003, 537).

5.4.4 Het oordeel van het hof in rov. 10.7 en 10.8 dat de accountants in de tweede helft van 1990 onrechtmatig hebben gehandeld jegens de polishouders laat zich als volgt samenvatten. De accountants zijn aansprakelijk, onafhankelijk van het antwoord op de vraag of de polishouders zijn afgegaan op de jaarrekening 1989. Het gaat er niet om of de polishouders door de ten onrechte afgegeven goedkeurende verklaring zijn misleid en deswege hebben mogen aannemen dat Vie d'Or solvabel was en dat geen gevaar voor faillissement van Vie d'Or bestond. Het komt erop aan of (het Bestuur of de Raad van Commissarissen van) Vie d'Or en de Verzekeringskamer in geval de accountants, hetgeen zij hadden behoren te doen, de goedkeurende verklaring niet zouden hebben verstrekt en de Raad van Commissarissen wel op adequate wijze zouden hebben geïnformeerd, eerder maatregelen hadden kunnen nemen om een onjuiste gang van zaken te verbeteren. Het afgeven van de goedkeurende verklaring en het niet op adequate wijze verschaffen van informatie aan de Raad van Commissarissen is door de tuchtrechter in strijd bevonden met de normen en gedragsregels voor accountants. Schending van deze normen en gedragsregels, die in hoge mate overeenstemmen met de zorgvuldigheidsnormen, betekent tevens dat de accountants onrechtmatig hebben gehandeld jegens de polishouders. De accountants hadden zich immers bewust moeten zijn van het grote belang van de getrouwheid van de jaarrekening 1989, van een goedkeurende verklaring en van adequate informatieverstrekking. Voorts komt betekenis toe aan het feit dat de Ondernemingskamer het besluit van de Raad van Commissarissen van Vie d'Or tot goedkeuring van de jaarrekening 1989 heeft vernietigd, omdat deze jaarrekening naar haar oordeel onjuist was.

5.4.5 In de door het hof gekozen benadering gaat het derhalve erom of de Raad van Commissarissen van Vie d'Or en de Verzekeringskamer door het verweten handelen en nalaten van de accountants in de tweede helft van 1990 op zodanige wijze werden misleid omtrent de op dat moment bestaande solvabiliteit van Vie d'Or, dat zij hebben nagelaten tijdig die maatregelen te nemen die zij anders naar redelijke verwachting mede met het oog op de bescherming van de vermogensbelangen van de polishouders tegen een deconfiture van Vie d'Or zouden hebben getroffen. Dit betekent dat - uitgaande van hetgeen het hof beslissend heeft geacht - onderzocht moest worden wat naar de ten tijde van het handelen of nalaten geldende zorgvuldigheidsnormen van een redelijk handelende en redelijk bekwame externe controlerende accountant mocht worden verlangd ter voorkoming van de bedoelde misleiding van de Raad van Commissarissen en de Verzekeringskamer omtrent de solvabiliteit van Vie d'Or.

Bij de vaststelling van de reikwijdte van die zorgplicht dienden in ieder geval de hiervoor in 5.4.2 genoemde factoren in beschouwing te worden genomen.

5.4.6 Overwegende als hiervoor in 5.4.4 weergegeven, heeft het hof hetzij blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, hetzij zijn bestreden oordeel onvoldoende gemotiveerd. Het eerste is het geval indien het hof bij zijn oordeel niet de hiervoor in 5.4.2 bedoelde gezichtspunten heeft betrokken. Indien het hof heeft beoogd de juiste maatstaf toe te passen en deze gezichtspunten wel in zijn beoordeling heeft betrokken, is zijn oordeel niet begrijpelijk, omdat van een en ander uit zijn arrest niet voldoende blijkt. Daarbij wordt het volgende in aanmerking genomen.

De accountants hebben, kort samengevat, het volgende aangevoerd. De explosieve groei eind 1989 van de verzekeringsproducten was niet voorzien, zodat de interne organisatie en administratie daarop niet waren afgestemd. De verantwoordelijkheid daarvoor berust in de eerste plaats bij Vie d'Or. De accountants waren met deze problematiek bekend en hebben herhaaldelijk aangedrongen op verbetering van de administratie en de organisatie, zoals ook de Verzekeringskamer daarmee bekend was en in verband daarmee maatregelen heeft opgelegd. De accountants hebben hulp verleend om deze problemen tot een oplossing te brengen en in 1990 over 1989 veel aanvullend controlewerk verricht. Er was inmiddels een duidelijke verbetering opgetreden in de administratie en de organisatie, maar het oplossen van deze problemen vergde nog de nodige tijd. Aan de wijze van verwerking van het NRG-contract in de jaarrekening 1989 was uitvoerig overleg van de accountants met Vie d'Or en de Verzekeringskamer voorafgegaan; de Verzekeringskamer had ingestemd met de wijze van verwerking in de staten, die in zoverre geheel met de jaarrekening overeenkwamen. Het bedrag van ƒ 10.5 miljoen dat aan de vennootschap Xenophon Holding AVV was betaald, was als last in de jaarrekening 1989 verwerkt en wegens deze betaling kon bij de Verzekeringskamer geen verkeerd beeld omtrent de solvabiliteitspositie van Vie d'Or zijn ontstaan. De accountants hebben voorts betoogd dat de Verzekeringskamer, ondanks de gebreken in de administratie en de interne organisatie en ondanks de ten onrechte afgegeven goedkeurende verklaring, een behoorlijk zicht op de solvabiliteitspositie van Vie d'Or heeft kunnen krijgen en daardoor in staat is geweest om de maatregelen te treffen die zij nodig oordeelde.

Aan deze feiten en omstandigheden heeft het hof bij de beantwoording van de onrechtmatigheidsvraag niet voldoende kenbaar aandacht besteed. Dat had het hof wel moeten doen, omdat deze daarvoor van belang zijn, in het bijzonder in verband met de ernst van de aan de accountants verweten fout. Voorts heeft het hof niet in zijn beoordeling betrokken of en in welke mate de Raad van Commissarissen van Vie d'Or door het ontbreken van de bedoelde (niet schriftelijk vastgelegde) informatie, alsmede de Raad van Commissarissen en de Verzekeringskamer door het afgeven van de goedkeurende verklaring bij de jaarrekening 1989, zijn misleid omtrent de solvabiliteitspositie van Vie d'Or en in hoeverre deze organen, gelet op hetgeen hun daaromtrent overigens bekend was, daardoor niet in staat zijn geweest tijdig daarop afgestemde maatregelen te treffen. Die omstandigheden zijn niet alleen van belang in verband met de vaststelling van de ernst van de fout, maar raken in het bijzonder ook de beoordeling van de mate waarin de accountants redelijkerwijs konden voorzien dat de polishouders als gevolg van de hun verweten handelwijze in de tweede helft van 1990 schade zouden lijden door een deconfiture van Vie d'Or die zijn beslag heeft gekregen in 1994. Daarom had het hof daaraan gemotiveerd aandacht moeten schenken.

Het vorenstaande treft ook het oordeel van het hof dat "de volgens de tuchtrechter geschonden normen in hoge mate overeenstemmen met de zorgvuldigheidsnormen die de accountants in acht moesten nemen jegens de polishouders van Vie d'Or" en dat zij daarom onrechtmatig hebben gehandeld jegens de polishouders. Dit oordeel vergde, zo het hof daarbij niet is uitgegaan van een onjuiste, want te beperkte, opvatting omtrent de factoren die bij de beoordeling van de zorgvuldigheid een rol spelen, in ieder geval nadere motivering, die het hof niet heeft gegeven. De omstandigheden dat naar het oordeel van de tuchtrechters de jaarrekening 1989 een geflatteerd beeld vertoonde, geen goedkeurende verklaring had mogen worden verleend en de Raad van Commissarissen niet op adequate wijze was gewaarschuwd, kunnen niet reeds de gevolgtrekking wettigen dat de accountants jegens de polishouders uit onrechtmatige daad aansprakelijk zijn.

5.4.7 De onderdelen B.2 en B.3 treffen derhalve doel.

6. Beoordeling van onderdeel 6 van het middel in het incidentele beroep en onderdeel C van het middel in het principale beroep

Causaal verband

6.1.1 Hoewel onderdeel 6 van het middel in het incidentele beroep voorwaardelijk is ingesteld, zal de Hoge Raad dit het eerst behandelen, omdat het de verste strekking heeft. Het onderdeel komt op tegen rov. 10.12 met de klacht dat het hof ten onrechte, althans onbegrijpelijk gemotiveerd, heeft geoordeeld dat de rechtbank ten onrechte de omkeringsregel had toegepast.

6.1.2 Het onderdeel faalt. Het oordeel van het hof is juist. In het onderhavige geval, waarin de volgens het hof door de accountants geschonden norm niet strekt tot het voorkomen van een specifiek gevaar ter zake van het ontstaan van schade door deconfiture van de verzekeraar, is voor toepassing van de omkeringsregel geen plaats.

6.2 Onderdeel C van het middel in het principale beroep keert zich tegen rov. 10.10-10.21, waarin het hof tot het oordeel komt dat tussen het door het hof aangenomen onrechtmatig handelen van de accountants en de schade causaal verband (in de zin van condicio sine qua non-verband) bestaat.

6.3 Onderdeel C.1.2 klaagt dat het hof ten onrechte of onvoldoende gemotiveerd het aanbod van de accountants tot het leveren van tegenbewijs heeft gepasseerd.

Het onderdeel slaagt. De stukken van het geding laten geen andere conclusie toe dan dat de accountants op toereikende wijze bewijs hebben aangeboden van hun stelling dat causaal verband ontbreekt tussen de aan de accountants verweten fout en de schade die de polishouders zouden hebben geleden. Het hof is zonder enige motivering aan dit aanbod tegenbewijs te leveren voorbijgegaan. 's Hofs oordeel dat causaal verband aanwezig is, is mitsdien niet naar de eis der wet met redenen omkleed.

Onderdeel C.1.1 behoeft geen behandeling, mede gelet op hetgeen hierna in 6.4.2 wordt overwogen.

6.4.1 Onderdeel C.2 richt zich met rechts- en motiveringsklachten tegen het, op het oordeel van de tuchtrechters gebaseerde, oordeel van het hof in rov. 10.15-10.18, dat indien de accountants niet later dan in het tweede halfjaar 1990 hadden gedaan wat zij hadden behoren te doen, te weten Vie d'Or op de tekortkomingen in haar administratie wijzen en zonodig dreigen hun goedkeuring aan de jaarrekening te onthouden, de Raad van Commissarissen en de Verzekeringskamer de problemen tijdig uit de wereld geholpen zouden hebben, zodat causaal verband tussen het onrechtmatig handelen en de schade aanwezig is.

Onderdeel C.2.1 behelst de klacht dat zonder nadere motivering niet valt in te zien dat, als de goedkeurende verklaring aan de jaarrekening 1989 zou zijn onthouden wegens de gebrekkige administratie bij Vie d'Or, om die reden aan de zijde van Vie d'Or of de Verzekeringskamer zodanig anders zou zijn gehandeld dat er in 1993 niet de problemen zouden zijn geweest die toen aanleiding hebben gegeven tot liquidatie van Vie d'Or. Onderdeel C.2.2 betreft het tuchtrechtelijk oordeel dat de controle ter zake van de betaling van ƒ 10.5 miljoen indirect aan [betrokkene 9 en 10], aandeelhouders van een tussenpersoon van Vie d'Or, onvoldoende is geweest en dat het zakelijk karakter nader had moeten worden onderzocht. Het klaagt dat zonder de vaststelling wat de uitkomst van dat nadere onderzoek zou zijn geweest, niet kan worden geconcludeerd dat, gelet op hetgeen de accountants hebben aangevoerd omtrent hetgeen zij bij nader onderzoek zouden hebben kunnen achterhalen en op de juiste verwerking van deze post in de jaarrekening, aan de zijde van Vie d'Or en de Verzekeringskamer zodanig anders zou zijn gehandeld dat er in 1993 niet de problemen zouden zijn geweest die toen aanleiding hebben gegeven tot liquidatie van Vie d'Or. Onderdeel C.2.3 betreft het niet opnemen van de toelichting op het NRG-contract in de jaarrekening en klaagt dat, nu volgens de tuchtrechter de accountants in het opnemen van die post op zichzelf geen aanleiding hadden behoeven te vinden de goedkeurende verklaring te onthouden en nu het bestuur en de Raad van Commissarissen van Vie d'Or en de Verzekeringskamer bekend waren met de achtergronden van dit contract, niet valt in te zien dat op grond van de onvoldoende toelichting op dit contract in de jaarrekening aan de zijde van Vie d'Or en de Verzekeringskamer zodanig anders zou zijn gehandeld dat er in 1993 niet de problemen zouden zijn geweest die toen aanleiding hebben gegeven tot liquidatie van Vie d'Or. Onderdeel C.2.4c klaagt dat ontoereikend is gemotiveerd waarom aannemelijk is dat de Raad van Commissarissen, zou hij op adequate wijze zijn gewaarschuwd, van Vie d'Or zou hebben afgedwongen dat zou worden gezocht naar een maatschappij die Vie d'Or zou hebben willen overnemen.

Deze onderdelen lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

6.4.2 Bij de beoordeling of causaal verband (condicio sine qua non-verband) aanwezig is tussen de door het hof aangenomen normschending en de gestelde schade, gaat het om het verband tussen het handelen en nalaten van de accountants in het tweede halfjaar van 1990 en de schade die door de liquidatie van Vie d'Or in 1994 is verwezenlijkt.

Het oordeel van het hof is, zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk.

De stellingen van de accountants komen erop neer dat de door het hof in dit kader specifiek aan de accountants verweten gedragingen - het niet wijzen op de gebreken in de administratie en het niet dreigen met het onthouden van goedkeuring aan de jaarrekening - niet hebben bijgedragen tot de solvabiliteitsproblemen van Vie d'Or en dat Vie d'Or en de Verzekeringskamer, ware de jaarrekening 1989 niet goedgekeurd, toch niet eerder en verdergaand dan zij hebben gedaan zouden hebben ingegrepen met het oog op het voorkomen van een deconfiture als gevolg van het gebrek aan solvabiliteit. Ditzelfde geldt volgens de accountants voor het ontbreken van een toelichting op het NRG-contract in de jaarrekening 1989, voor het nalaten van het doen van voldoende onderzoek naar de in de jaarrekening verwerkte betaling van ƒ 10.5 miljoen aan de bedoelde tussenpersoon en het verzuim de Raad van Commissarissen op adequate wijze te waarschuwen, nu het Bestuur en de Raad van Commissarissen van Vie d'Or en de Verzekeringskamer op grond van hun bekende, mede door de accountants verstrekte, informatie, in het bijzonder aan de hand van de jaarrekening en de desbetreffende staat, duidelijk inzicht hadden in de solvabiliteit van Vie d'Or en daarin geen aanleiding zouden hebben gevonden om in te grijpen.

Tegenover hetgeen is aangevoerd, kon het hof niet volstaan met de overweging dat "niet goed voorstelbaar" is dat de Verzekeringskamer "niet zou hebben ingegrepen" indien zij zich geconfronteerd had gezien met een levensverzekeringsmaatschappij waarvan de jaarrekening niet door de accountant zou zijn goedgekeurd (rov. 10.15). Omtrent de mate van waarschijnlijkheid en de aard, inhoud en redelijke verwachting ten aanzien van de effectiviteit van dit ingrijpen met het oog op de vermogensschade zoals deze ten gevolge van de deconfiture van Vie d'Or is geleden, heeft het hof niets vastgesteld. Evenmin had het hof mogen nalaten duidelijk te maken welke "problemen van Vie d'Or, die toen nog niet onoverkomelijk waren" als gevolg van welke "actie" van het Bestuur, Raad van Commissarissen of de Verzekeringskamer op welke wijze "tijdig uit de wereld" zouden zijn geholpen (rov. 10.18). De accountants hebben immers gesteld dat in het tweede halfjaar 1990 van solvabiliteitsproblemen nog geen sprake was en dat toen de administratie, mede door hun toedoen, al sterk was verbeterd, in verband waarmee ook voor de Raad van Commissarissen destijds geen reden bestond te zoeken naar een maatschappij die Vie d'Or zou hebben willen overnemen.

De onderdelen treffen dus doel.

6.5 Onderdeel C.2.4 betreft voorts het, door het hof overgenomen, verwijt van de Raad van Tucht aan de accountants dat zij de Raad van Commissarissen niet op adequate wijze - schriftelijk vastgelegd - hebben geïnformeerd. De onderdelen C.2.4a en C.2.4b klagen dat niet valt in te zien dat zodanige informatie niet ook mondeling kan zijn verstrekt en dat het hof niet heeft vastgesteld dat mondeling geen juiste of volledige informatie is verstrekt.

Deze onderdelen kunnen bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden. Naar volgt uit hetgeen hiervoor in 5.1.2 is overwogen, berusten zij op een onjuiste lezing van 's hofs overwegingen.

6.6.1 Onderdeel C.3 richt zich tegen rov. 10.19 met de klacht dat het oordeel dat de schade van de polishouders in redelijkheid aan de accountants moet worden toegerekend, op ontoereikende gronden berust. Onderdeel C.3.1 bevat een inleiding. Onderdeel C.3.1a behelst de klacht dat zonder nadere motivering niet valt in te zien hoe het hof tot het (impliciete) oordeel komt dat de accountants niet hebben beseft dat de administratie bij Vie d'Or een groot probleem vormde en dat zij dit probleem met de mantel der liefde hebben bedekt. Onderdeel C.3.1b klaagt dat eveneens onvoldoende is gemotiveerd dat voor de accountants voorzienbaar was dat de polishouders in verband met de gebrekkige administratie de gestelde schade zouden lijden.

Deze onderdelen lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

6.6.2 De onderdelen slagen. Gelet op hetgeen de accountants gemotiveerd hebben aangevoerd en dat erop neerkwam dat zij (net als de Verzekeringskamer) het probleem van de ontoereikendheid van de administratie als serieus hebben onderkend, sterk hebben aangedrongen op verbetering daarvan en aan die verbetering hun medewerking hebben verleend, hetgeen tot aanzienlijke verbetering heeft geleid, is het oordeel van het hof, zonder nadere motivering, die het hof niet heeft gegeven, niet begrijpelijk.

6.6.3 Gelet op hetgeen hiervoor in 6.6.2 is overwogen behoeven de onderdelen C.3.2-C.3.3b geen behandeling meer.

6.7 De in de onderdelen C.3.4 en C.3.5 aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

6.8 Onderdeel C.3.6a - onderdeel C.3.6 bevat slechts een inleiding - behelst de klacht dat niet begrijpelijk is dat het hof in rov. 10.20 de stellingen van de accountants, dat liquidatie van Vie d'Or onnodig was en bovendien op de verkeerde wijze is uitgevoerd, volstrekt onvoldoende onderbouwd heeft geacht. Daartoe wordt aangevoerd dat het hof in het midden heeft gelaten dat de "embedded value" van Vie d'Or in september 1993 positief was, zodat in cassatie van de juistheid daarvan kan worden uitgegaan, en dit betekent dat op dat moment een "run-off" nog mogelijk zou zijn geweest, waardoor de verplichtingen jegens de polishouders konden worden gecontinueerd.

Het onderdeel faalt. Het bestreden oordeel van het hof is niet onbegrijpelijk en is voldoende gemotiveerd. Het hof heeft uit de in rov. 10.20 vastgestelde feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang beschouwd, kunnen afleiden dat de financiële positie van Vie d'Or in november 1993 zodanig verliesgevend was en de kans dat de bestaande polissen hadden kunnen worden gecontinueerd zo gering was dat, nu een oplossing, bijvoorbeeld in de vorm van verkoop van Vie d'Or of door middel van het bijstorten van een aanzienlijk kapitaal, onwaarschijnlijk moest worden geacht, de stelling dat de liquidatie van Vie d'Or onnodig was niet opging. Dat oordeel berust mede op de aan het hof voorbehouden uitleg van de gedingstukken en is overigens zozeer verweven met waarderingen van feitelijke aard dat dit in cassatie niet verder ten toets kan komen. Daaraan doet niet af dat het hof niet meer afzonderlijk is ingegaan op de stelling dat de "embedded value" in september 1993 nog positief was.

6.9 Onderdeel C.3.6b keert zich tegen rov. 10.21 met de klacht dat zonder nadere toelichting niet valt in te zien dat door de negatieve uitlatingen van [betrokkene 6] in de pers het vertrouwen in Vie d'Or niet in versterkte mate zou zijn ondermijnd en geen afbreuk zou zijn gedaan aan de mogelijkheid een oplossing te vinden waarbij de polishouders geen schade zouden lijden.

Het onderdeel faalt. Het hof heeft - niet onbegrijpelijk - geoordeeld dat niet aannemelijk is dat het faillissement van Vie d'Or zou zijn uitgebleven indien [betrokkene 6] niet met de problemen naar buiten zou zijn getreden en dat de problemen van Vie d'Or zo ernstig waren dat deze ook los van diens optreden binnen korte tijd tot ingrijpen van de Verzekeringskamer en tot het faillissement zouden hebben geleid. Bij die stand van zaken behoefde het hof niet nader in te gaan op de mate waarin het optreden van [betrokkene 6] mogelijk aan de ondergang van Vie d'Or heeft bijgedragen.

7. Beoordeling van onderdeel D van het middel in het principale beroep

7.1 Onderdeel D, dat tot uitgangspunt neemt dat de oordelen van het hof omtrent de onrechtmatigheid en het causaal verband niet onjuist zijn, betreft de berekening en de omvang van de schade (rov. 9.1-9.10). De onderdelen D.1.1 en D.1.2 richten zich tegen rov. 9.8 van het hof. Onderdeel D.2 keert zich tegen rov. 9.6.

De desbetreffende overwegingen luiden als volgt:

"9.6 Het voorgaande betekent in de eerste plaats dat geen aanleiding bestaat om bij situatie (i) alleen de afkoopwaarde van de polis bij Vie d'Or in aanmerking te nemen, zoals de accountants bepleiten. Onvoldoende aannemelijk is dat de afkoopwaarde gelijk is aan de vermogenswaarde die een polis voor de polishouder belichaamt, waarbij immers ook de toekomstverwachtingen bij voortgezette premiebetaling, soms met gegarandeerd rendement, moeten worden betrokken. De accountants hebben ook niet gesteld dat alle polishouders op of kort voor 1 augustus 1994 hun polis bij Vie d'Or zouden hebben afgekocht en dat is ook niet aannemelijk."

"9.8 Voor de door de accountants bepleite voordeelstoerekening is geen plaats. Het voordeel dat polishouders mogelijk hebben genoten doordat zij bij Twenteleven op een unit-linked verzekering zijn overgestapt en hebben geprofiteerd van de sedertdien gestegen beurskoersen, is immers niet het gevolg van dezelfde gebeurtenis waardoor zij ook schade hebben geleden. De schade is geleden als gevolg van de onrechtmatige daad van de accountants terwijl de koerswinsten het gevolg zijn van de keuze die de polishouders hebben gemaakt voor een unit-linked verzekering. Voor het overige komt het rekening houden met na 1 augustus 1994 gestegen beurskoersen in strijd met het hiervoor vermelde uitgangspunt dat de schade naar de toestand op 1 augustus 1994 moet worden vastgesteld."

7.2.1 Onderdeel D.1.1 klaagt dat onjuist of niet behoorlijk gemotiveerd is het oordeel van het hof dat het voordeel van die polishouders, die bij Twenteleven zijn overgestapt naar een unit linked-verzekering en daarmee hebben geprofiteerd van gestegen beurskoersen, niet het gevolg is van dezelfde gebeurtenis waardoor zij ook schade hebben geleden. Volgens het onderdeel zou zonder de overgang van de polissen van de voormalige polishouders naar Twenteleven het niet tot het overstappen op unit linked-verzekeringen zijn gekomen, zodat niet valt in te zien dat er geen causaal verband zou bestaan tussen het onrechtmatig handelen en het overgaan op de unit linked-verzekeringen met het daaraan verbonden voordeel van het profiteren van beurskoersstijgingen.

7.2.2 Het gestelde profiteren van de gestegen beurskoersen is, naar het hof heeft overwogen, het gevolg van de keuze van (oud-)polishouders voor een unit linked-verzekering. Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste opvatting omtrent de vereisten voor verrekening van voordeel, zoals deze destijds golden en sindsdien zijn neergelegd in art. 6:100 BW. In het bijzonder heeft het hof niet miskend dat van "een zelfde gebeurtenis" hier geen sprake is. Dit oordeel is tegen de achtergrond van het debat van partijen ook niet onbegrijpelijk en het is toereikend gemotiveerd. Daarbij wordt het volgende in aanmerking genomen. Deze unit linked-verzekering wordt erdoor gekenmerkt, naar de accountants hebben gesteld, dat de hoogte van de in geld uit te keren verzekerde som is gekoppeld aan de waarde van een effecten-portefeuille, zodat de keuze voor een dergelijke verzekering een beleggingsrisico meebrengt, terwijl de stukken van het geding geen andere conclusie toelaten dan dat de accountants de stelling van de Stichting dat de polishouders bij de overgang naar Twenteleven konden opteren voor verschillende soorten polissen, niet hebben weersproken.

Het onderdeel faalt.

7.3 De klacht van onderdeel D.1.2, dat het hof, bij zijn afwijzing van het beroep van de accountants op het profijt van de polishouders door de gestegen beurskoersen, het karakter van schadebeperking heeft miskend, berust op de veronderstelling dat het hof het bij overgang naar Twenteleven sluiten van een unit linked-verzekering in de sleutel van maatregelen om de schade te beperken heeft geplaatst. Dat is niet het geval en het hof heeft de dienovereenkomstige stelling van de accountants ook niet in het midden gelaten. De klacht berust op een onjuiste lezing van 's hofs overwegingen. Daarom kan het onderdeel niet tot cassatie leiden.

7.4 Onderdeel D.2 behelst de klacht dat het hof zijn oordeel in rov. 9.6 dat in het desbetreffende geval niet de afkoopwaarde van de polis dient te worden aangehouden onvoldoende heeft onderbouwd. Het onderdeel faalt. Dit oordeel is niet onbegrijpelijk en is toereikend gemotiveerd, mede in aanmerking genomen dat het hier niet gaat om vrijwillige afkoop van de levensverzekeringspolissen. Anders dan het onderdeel wil, heeft het hof bij de waardebepaling de toekomstverwachtingen bij voortgezette premiebetaling kunnen betrekken.

8. Beoordeling van onderdeel E en onderdeel F van het middel in het principale beroep

8.1 Onderdeel E richt zich tegen rov. 9.13 en 9.14 van de bestreden uitspraak. Deze overwegingen houden het volgende in:

"9.13 Voor wat betreft de kosten van de rapportages ter vaststelling van aansprakelijkheid (de drie KPMG-rapportages en het rapport [D]) geldt het volgende. Anders dan de actuaris aanvoert staat aan de vordering tot voldoening van (eigen) schade niet in de weg dat gedaagden jegens de Stichting geen onrechtmatige daad of wanprestatie hebben gepleegd. Uit de wetsgeschiedenis van art. 3:305a BW (TK 1991-1992, 22486, nr. 3 p. 30) blijkt immers dat met die bepaling niet beoogd is de mogelijkheid uit te sluiten dat de rechter op vordering van een belangenorganisatie een verklaring voor recht geeft dat een gedraging onrechtmatig is en dat individuele gedupeerden met een dergelijk declaratoir vervolgens hun voordeel doen, bijvoorbeeld door eigen vorderingen tot schadevergoeding in te stellen. Niet valt in te zien waarom de kosten die de Stichting in verband met het verkrijgen van een dergelijke verklaring voor recht maakt niet als kosten gemaakt ter vaststelling van aansprakelijkheid zouden kunnen worden aangemerkt en ten laste van de in het ongelijk gestelde partij worden gebracht. Er bestaat immers evenmin twijfel over dat de Stichting aanspraak kan maken op vergoeding van de proceskosten. Hierbij is voorts van belang dat in gevallen van massaschade, zoals Vie d'Or er één van is, de proceseconomie ermee is gediend indien in een procedure op grond van art. 3:305a BW een verklaring voor recht aangaande de onrechtmatigheid wordt gevorderd. Ook gedaagden zijn ermee gebaat dat over die vraag niet in talloze afzonderlijke procedures wordt geprocedeerd. Tegen die achtergrond valt niet in te zien waarom de Stichting geen aanspraak zou kunnen maken op vergoeding van de kosten ter vaststelling van aansprakelijkheid. Bij het voorgaande komt nog dat de Stichting tevens optreedt als cessionaris van vorderingen van de 11 polishouders en in die hoedanigheid schadevergoeding vordert. Alleen al om die reden kan de Stichting vergoeding van kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid vorderen.

9.14 De vraag is of de gevorderde kosten redelijk zijn. De gang van zaken bij Vie d'Or die tot de ondergang van deze maatschappij heeft geleid is complex en de vragen die daarbij rijzen met betrekking tot de aansprakelijkheid en de schade zijn ingewikkeld zowel vanuit juridisch als vanuit verzekeringstechnisch, financieel en boekhoudkundig oogpunt. Onder die omstandigheden acht het hof het redelijk dat de Stichting deze kosten gemaakt heeft. Ook het beloop van de kosten acht het hof, gelet op de met de déconfiture van Vie d'Or gemoeide belangen, redelijk. Daaraan staat niet in de weg dat het hof KPMG niet volgt in de wijze waarop de schade behoort te worden berekend. Ook echter indien uitsluitend zou worden gekeken naar de vordering die de Stichting als cessionaris van de 11 polishouders instelt, acht het hof de gemaakte kosten redelijk. Weliswaar gaan die kosten het in deze procedure gevorderde bedrag van € 225.583 te boven en zal dit vermoedelijk nog steeds zo zijn indien ook de schadevergoeding op te maken bij staat voor polishouders 3, 8 en 10 in aanmerking wordt genomen, maar duidelijk is dat de vordering van de 11 polishouders in zekere zin het karakter van een proefprocedure heeft, die, indien succesvol, als opstap kan worden gebruikt voor de andere polishouders in door hen tegen gedaagden in te stellen vorderingen tot verkrijging van schadevergoeding. Ook hier speelt derhalve een rol dat een efficiënte procesvoering ermee gebaat is dat eerst slechts door een beperkt aantal polishouders schadevergoeding wordt gevorderd en dat het redelijk is dat die efficiënte vorm van procederen niet meebrengt dat de Stichting de door haar gemaakte kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid niet volledig zou kunnen verhalen."

8.2.1 Onderdeel E.1 bestrijdt rov. 9.13 met de klacht dat het hof heeft miskend dat de Stichting de kosten die zij heeft gemaakt in verband met de rapportages ter vaststelling van aansprakelijkheid alleen van de accountants kan vorderen indien daartoe een aansprakelijkheidsgrond (jegens de Stichting) bestaat, welke grond het hof niet heeft vastgesteld.

8.2.2 Deze klacht is ongegrond. Een redelijke uitleg van art. 3:305a BW in verbinding met art. 6:96 lid 2, aanhef en onder b, BW brengt mee dat, indien in een procedure op de voet van art. 3:305a BW de rechtspersoon een verklaring voor recht vordert dat degene tegen wie die rechtsvordering is ingesteld onrechtmatig heeft gehandeld of in zijn verplichtingen is tekortgeschoten en uit de toewijzing van deze vordering volgt dat de betrokkene op grond van een wettelijke verplichting aansprakelijk is voor de schade die de personen wier belangen worden behartigd als gevolg van de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid berust hebben geleden, de (redelijke) kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid voor vergoeding in aanmerking kunnen komen. Daaraan doet niet af dat de rechtspersoon deze kosten zelf heeft gemaakt en dat de aangesprokene voor de schade jegens de rechtspersoon zelf niet aansprakelijk is.

Daarbij wordt in aanmerking genomen dat art. 3:305a BW, zoals mede blijkt uit de wetsgeschiedenis, ertoe strekt omwille van een doelmatige afdoening van vormen van massaschade te doen vaststellen dat de gedraging onrechtmatig is of dat de schuldenaar in zijn verplichtingen is tekortgeschoten, en dat met deze vaststelling in beginsel schadeplichtigheid gegeven is. Voorts moet in aanmerking worden genomen dat de in art. 6:96 lid 2, aanhef en onder b, BW bedoelde kosten ook kunnen worden gevorderd wanneer zij zijn gemaakt ter zake van een andere vordering dan een die tot schadevergoeding strekt, mits die vordering strekt tot vaststelling van de grondslag van aansprakelijkheid. In het onderhavige geval is de grondslag van de aansprakelijkheid gelegen in de omstandigheid dat degene tegen wie op de voet van art. 3:305a BW de rechtsvordering is ingesteld jegens degenen wier gelijksoortige belangen worden behartigd onrechtmatig heeft gehandeld of in zijn verplichtingen is tekortgeschoten, terwijl deze kosten, gemaakt ten behoeve van die personen, kunnen behoren tot de vermogensschade die, zo deze personen die kosten zelf zouden hebben gemaakt, jegens hen voor vergoeding in aanmerking komt.

8.3 Onderdeel E.2 behelst de klacht dat het hof bij zijn oordeel in rov. 9.13 en 9.14 ten onrechte in aanmerking heeft genomen dat de Stichting tevens optreedt als cessionaris van de vorderingen van elf polishouders, nu de Stichting deze kosten als eigen schade vordert. Bij deze klacht hebben de accountants geen belang. Uit hetgeen hiervoor in 8.2.2 is overwogen volgt dat buitengerechtelijke kosten ook voor vergoeding in aanmerking kunnen komen indien de Stichting deze als eigen schade heeft gevorderd. Het onderdeel kan dus niet tot cassatie leiden.

8.4.1 Onderdeel E.3 klaagt dat het hof in rov. 9.14 ten onrechte heeft geoordeeld dat de gevorderde buitengerechtelijke kosten redelijk zijn indien uitsluitend wordt gekeken naar de vordering van de Stichting als cessionaris van de elf polishouders. Daartoe wordt aangevoerd dat de kosten in omvang ruimschoots die vordering overtreffen. Onderdeel E.4 klaagt dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de kosten van het door KPMG opgemaakte schaderapport redelijk en toewijsbaar zijn en dat onbegrijpelijk of onjuist is dat de kosten van het schaderapport van KPMG als redelijke kosten voor vergoeding in aanmerking komen, omdat het rapport volgens het hof van geheel andere uitgangspunten uitgaat dan het hof juist acht.

Deze onderdelen lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

8.4.2 De onderdelen falen. Het hof heeft aan de hand van de juiste maatstaf onderzocht of de gevorderde kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid redelijk zijn en of de verrichte werkzaamheden in de gegeven omstandigheden redelijkerwijze noodzakelijk waren ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid. Het hof is tot de conclusie gekomen dat dit het geval was. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk en is toereikend gemotiveerd. Het hof heeft immers overwogen dat het onderhavige geval complex is en de vragen die daarbij rijzen uit juridisch, verzekeringstechnisch, financieel en boekhoudkundig oogpunt ingewikkeld zijn en heeft voorts bij zijn beoordeling in aanmerking genomen de aard en effectiviteit van de onderhavige collectieve actie en het daarmee beoogde doel als opstap voor door polishouders in te stellen vorderingen tot verkrijging van schadevergoeding, alsmede de omvang van de vermogensschade zoals deze in totaliteit door de oud-polishouders is geleden. De enkele omstandigheid dat het hof het KPMG-rapport niet volgt in de wijze waarop de schade is berekend maakt zijn oordeel niet onbegrijpelijk.

8.5 Onderdeel F.1 bevat geen zelfstandige klacht en behoeft daarom geen behandeling.

9. Beoordeling van de overige onderdelen van het middel in het incidentele beroep

9.1.1 Onderdeel 1 keert zich tegen rov. 4.2 van het bestreden arrest. Deze overweging luidt:

"4.2 De grief faalt omdat het oordeel van de rechtbank juist is. De Stichting vordert (petitum sub 1.a) niet alleen een verklaring voor recht dat gedaagden (behalve de Staat) onrechtmatig hebben gehandeld jegens alle voormalige polishouders van Vie d'Or, maar ook dat alle gedaagden deswege jegens hen hoofdelijk gehouden zijn tot voldoening van de schade die deze polishouders in het faillissement van Vie d'Or hebben geleden. Hetgeen de Stichting aldus vordert verschilt niet wezenlijk van een veroordeling tot betaling van schadevergoeding op te maken bij staat, omdat ook in dat geval alleen nog de omvang van de schade per polishouder moet worden vastgesteld. Voorzover de Stichting aldus meer vordert dan een verklaring voor recht dat gedaagden onrechtmatig hebben gehandeld, verdraagt dit zich niet met het bepaalde in art. 3:305a lid 3 BW, inhoudende dat een collectieve actie niet kan strekken tot schadevergoeding te voldoen in geld. Daar komt bij dat de vraag of causaal verband bestaat tussen de onrechtmatige gedraging en de schade in beginsel voor iedere individuele polishouder zal moeten worden onderzocht, zodat daarover niet zodanige algemene uitspraken kunnen worden gedaan dat een vordering ex art. 3:305a BW op zijn plaats is. Ook al kan, naar uit het hierna volgende zal blijken, in zijn algemeenheid worden gezegd dat Vie d'Or door een onrechtmatige daad van gedaagden ten onder is gegaan en dat het gevolg daarvan is geweest dat aanspraken onder de polissen van de oud-polishouders zijn gekort, dit neemt niet weg dat niet op voorhand kan worden uitgesloten dat in individuele gevallen specifieke omstandigheden, die thans niet kunnen worden overzien, aan causaal verband in de weg staan. Dit betekent dat daarover niet de algemene uitspraken kunnen worden gedaan die de Stichting van het hof verlangt."

9.1.2 Onderdeel 1a behelst de klacht dat het hof heeft miskend dat voor de toewijsbaarheid van de gevorderde verklaring voor recht dat sprake is van aansprakelijkheid, althans dat de accountants, de Verzekeringskamer en de actuaris hoofdelijk zijn gehouden tot voldoening van de schade, geen oordeel over (de omvang van) de schade van de voormalige polishouders noodzakelijk is. Onderdeel 1b acht onjuist, althans onbegrijpelijk 's hofs overweging dat aan toewijzing van deze vordering in de weg staat dat onderzoek moet worden gedaan naar het causaal verband in elk individueel geval. Onderdeel 1c betoogt dat het bestreden oordeel zich niet verdraagt met elders in het arrest gegeven beslissingen over veralgemeniseerbare vraagstukken van causaliteit en aansprakelijkheid. In onderdeel 1d wordt, subsidiair, aangevoerd dat de eis dat voor het vaststellen van aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad noodzakelijk is dat komt vast te staan dat schade is geleden en dat deze schade in beginsel op individuele basis moet worden begroot, niet aan toewijzing van de vordering in de weg staat, gelet op het oordeel van het hof dat het faillissement van Vie d'Or aan de handelwijze van de accountants, de Verzekeringskamer en de actuaris toerekenbaar is, de aanspraken van de polishouders als gevolg daarvan per 1 augustus 1994 zijn gekort en de schade van de polishouders per die datum moet worden berekend.

De onderdelen lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

9.1.3 Naar de kern genomen berusten de klachten van deze onderdelen op het standpunt dat de onderhavige vordering tot verklaring voor recht dat de accountants, de Verzekeringskamer en de actuaris hoofdelijk gehouden zijn tot voldoening van de schade die de voormalige polishouders in het faillissement van Vie d'Or hebben geleden, behoort tot de vorderingen die in verband met de te bundelen gelijksoortige belangen van de polishouders in een procedure op de voet van art. 3:305a BW kunnen worden ingesteld en dat daaraan niet in de weg staat dat deze vorderingen ingevolge lid 3 van die bepaling niet kunnen strekken tot schadevergoeding te voldoen in geld. Dat standpunt is niet juist.

Het hof heeft - niet onbegrijpelijk - geoordeeld dat de bedoelde rechtsvordering in wezen ertoe strekt de omvang van de schadevergoedingsverplichting jegens ieder van de individuele polishouders vast te stellen. Nu deze vaststelling niet kan geschieden zonder te treden in de vraag in welke mate, afhankelijk van de bijzondere omstandigheden van het geval, het ontstaan van die individuele schade aan het handelen van de accountants, de Verzekeringskamer en de actuaris kan worden toegerekend en in welke mate de aan dezen en mogelijk aan de individuele benadeelde toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen, verzet de strekking van art. 3:305a BW zich tegen toewijzing van die vordering. De belangen die de rechtsvordering aldus beoogt te dienen laten zich, naar het hof niet onbegrijpelijk heeft overwogen, in dit geval in zodanig onvoldoende mate veralgemeniseren, dat zij niet gerekend kunnen worden tot de gelijksoortige belangen waarop art. 3:305a BW het oog heeft. Daaraan doet niet af dat het hof, in het bijzonder omtrent het causaal verband tussen het onrechtmatig handelen van de accountants, de Verzekeringskamer en de actuaris en de totale schade en het tijdstip waarop die totale schade moet worden berekend, beslissingen heeft gegeven die op zichzelf "veralgemeniseerbare vraagstukken van causaliteit en aansprakelijkheid" betreffen.

Daarop stuiten de klachten van deze onderdelen af.

9.2.1 Onderdeel 2 is gericht tegen rov. 5.1-5.5 van de bestreden uitspraak. Het gaat in die overwegingen om de vraag of de vordering van de Stichting tot het verkrijgen van een verklaring voor recht kan betreffen polishouders die hun rechten en verplichtingen uit de verzekeringsovereenkomst met Vie d'Or niet hebben overgedragen aan Twenteleven (de 'afkopers') en polishouders die dat wel hebben gedaan, maar hun overeenkomst met Twenteleven vervolgens niet hebben gecontinueerd (de 'aflopers').

9.2.2 Het oordeel van het hof laat zich als volgt samenvatten. De Stichting kan op grond van art. 3:305a BW alleen een rechtsvordering instellen die strekt tot bescherming van gelijksoortige belangen van andere personen, voor zover zij deze belangen ingevolge haar statuten behartigt. De statuten - zie hiervoor in 3.1 onder (xxi) - laten geen andere conclusie toe dan dat de Stichting slechts de belangen behartigt van de polishouders (i) wier rechten en verplichtingen aan Twenteleven zijn of zullen worden overgedragen en (ii) die de levensverzekeringsovereenkomsten met Twenteleven ook nadien continueren. Niet van belang is of de statuten niet verbieden de belangen van 'afkopers' en 'aflopers' te behartigen (rov. 5.2). Ook al zouden er, zoals de Stichting heeft gesteld, geen polishouders bestaan die hun rechten en verplichtingen niet hebben overgedragen aan Twenteleven, dit doet niet af aan de nadrukkelijke beperking in de statuten (rov. 5.3). Ook het argument van de Stichting dat na verloop van tijd alle polishouders 'aflopers' worden, gaat niet op omdat degene wiens polis tot uitkering komt nog steeds de overeenkomst van levensverzekering met Twenteleven continueert (rov. 5.4). De stelling dat 'afkopers' en 'aflopers' in een identieke positie verkeren en de te beantwoorden rechtsvragen dezelfde zijn, kan niet ertoe leiden dat de Stichting kan optreden namens oud-polishouders die blijkens haar statuten uitdrukkelijk - en kennelijk welbewust - van belangenbehartiging zijn uitgesloten (rov. 5.5).

9.2.3 Onderdeel 2a komt met rechts- en motiveringsklachten op tegen het oordeel van het hof dat voor het antwoord op de vraag of de Stichting mede namens andere polishouders dan diegenen die nog bij Twenteleven verzekerd zijn, een verklaring voor recht op de voet van art. 3:305a BW kan vorderen, alleen beslissend is de in de statuten met zoveel woorden aangeduide groep polishouders. Onderdeel 2b richt motiveringsklachten tegen het oordeel van het hof in rov. 5.2 en 5.3, op grond van de stelling dat de statutaire doelomschrijving niet beoogt de behartiging van de belangen van de overige polishouders in zijn algemeenheid of welbewust uit te sluiten. De onderdelen 2c en 2d behelzen motiveringsklachten tegen rov. 5.3. Onderdeel 2e acht het oordeel in rov. 5.4 onjuist of onbegrijpelijk.

De onderdelen lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

9.2.4 Aan de onderdelen ligt de opvatting ten grondslag dat de Stichting op de voet van art. 3:305a BW ook kan opkomen voor belangen van andere polishouders dan van degenen die, naar het hof - niet onbegrijpelijk - heeft vastgesteld, uitdrukkelijk en nauwkeurig in de statuten zijn omschreven als degenen wier belangen door de Stichting worden behartigd. Die opvatting is onjuist. Daarop stuiten de klachten van deze onderdelen af.

9.3.1 Onderdeel 5 richt zich tegen rov. 9.12, eerste zin. De desbetreffende passage luidt:

"De kosten van het voeren van een tuchtrechtelijke procedure kunnen, behoudens bijzondere omstandigheden waarvan in dezen niet is gebleken, niet worden beschouwd als kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid, zodat dit onderdeel van de vordering reeds hierop afstuit."

9.3.2 Het onderdeel klaagt dat het hof ten onrechte, althans onbegrijpelijkerwijs niet tot de conclusie is gekomen dat sprake is van bijzondere omstandigheden, nu als zodanige bijzondere omstandigheid moet worden aangemerkt dat de normen die de tuchtrechter heeft aangelegd in hoge mate identiek zijn aan de normen die door de civiele rechter moeten worden - en hier zijn - aangelegd ter beantwoording van de vraag of sprake is van onrechtmatig handelen.

9.3.3 De klacht faalt. Het hof heeft met juistheid tot uitgangspunt genomen dat een tuchtrechtelijke procedure niet kan worden aangemerkt als een redelijke maatregel ter vaststelling van aansprakelijkheid, zodat niet kan worden gezegd dat de kosten daarvan redelijke kosten zijn ter vaststelling van aansprakelijkheid als bedoeld in art. 6:96 lid 2, onder b, BW (vgl. HR 10 januari 2003, nr. C01/055, NJ 2003, 537). De in het middel vermelde omstandigheden kunnen niet worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden die een uitzondering op dit uitgangspunt zouden rechtvaardigen.

10. Beslissing

De Hoge Raad:

in het principale beroep:

vernietigt het arrest van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 27 mei 2004;

verwijst het geding naar het gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing;

veroordeelt de Stichting in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de accountants begroot op € 5.820,58 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris;

in het incidentele beroep:

verwerpt het beroep;

veroordeelt de Stichting in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de accountants begroot op € 68,07 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president D.H. Beukenhorst als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, P.C. Kop, E.J. Numann en W.A.M. van Schendel, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 13 oktober 2006.