Home

Gerechtshof Amsterdam, 17-06-2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:1839, 19/01296

Gerechtshof Amsterdam, 17-06-2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:1839, 19/01296

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
17 juni 2021
Datum publicatie
30 juni 2021
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2021:1839
Zaaknummer
19/01296
Relevante informatie
Algemene wet bestuursrecht 6:7, Algemene wet bestuursrecht 6:9, Algemene wet inzake rijksbelastingen 22j

Inhoudsindicatie

De aanslag afvalstoffenheffing is niet op de voorgeschreven wijze bekendgemaakt aan belanghebbende. De aanmaning kan niet worden aangemerkt als een bekendmaking van de aanslag. Het Hof toetst de rechtmatigheid van de aanslag, maar komt tot het oordeel dat de aanslag terecht aan belanghebbende is opgelegd.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Kenmerk 19/01296

17 juni 2021

uitspraak van de vijfde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] , wonende te [Z] , belanghebbende,

tegen de uitspraak in de zaak met kenmerk HAA 18/826 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

de heffingsambtenaar van de gemeente Haarlemmermeer, de heffingsambtenaar,

(gemachtigde: mr. A.G. Hendriks)

en

belanghebbende.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De heffingsambtenaar heeft met dagtekening 28 februari 2017 aan belanghebbende voor het belastingjaar 2017 ten aanzien van de onroerende zaak [adres] te [plaatsnaam] (hierna: de woning) een aanslag afvalstoffenheffing (hierna: de aanslag) opgelegd ten bedrage van € 322,20.

1.2.

De inspecteur heeft bij uitspraak van 12 januari 2018 het bezwaar tegen de aanslag niet-ontvankelijk verklaard en de aanslag gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. De rechtbank heeft bij uitspraak van 12 juli 2019 het beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Het tegen de uitspraak van de rechtbank door belanghebbende ingestelde hoger beroep is door het Hof ontvangen op 26 augustus 2019, welk hoger beroep bij brief van 25 oktober 2019 is aangevuld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 mei 2021. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2 Tussen partijen vaststaande feiten

2.1.

Belanghebbende woont samen met zijn partner [naam] in [plaatsnaam 2] waar zij hun hoofdverblijf en werkplek hebben. De woning in [plaatsnaam] is bij belanghebbende en zijn partner in gebruik als 2e woning en is eigendom van de partner van belanghebbende.

2.2.

Aan belanghebbende zijn ook voor de jaren 2013 tot en met 2016 aanslagen afvalstoffenheffing opgelegd. Belanghebbende heeft hiertegen beroep en hoger beroep ingesteld. Daarbij was in geschil of de aanslagen afvalstoffenheffing terecht aan belanghebbende waren opgelegd. Het Hof overweegt en oordeelt in haar uitspraak van 12 december 2017 (ECLI:NL:GHAMS:2017:5396) als volgt:

“4.5. De heffingsambtenaar heeft gesteld en het Hof acht, gelet op hetgeen dienaangaande uit de gedingstukken naar voren komt, aannemelijk dat ten tijde van de oplegging van de aanslagen onduidelijkheid bestond over de woonplaats van belanghebbende en zijn partner, [naam] , alsmede dat het hem aan concreet bewijs ontbrak dat zij (mede) feitelijk gebruiker van de woning was, zodat het voor de heffingsambtenaar niet mogelijk was om [naam] voor de afvalstoffenheffing aan te slaan. Voorts staat - niet, althans onvoldoende, weersproken - vast dat belanghebbende als contractspartij voor de levering van water is geregistreerd bij PWN Waterleidingbedrijf Noord-Holland. De heffingsambtenaar heeft ter zitting geloofwaardig verklaard dat dit ten tijde van het opleggen van de aanslagen voor hem het enige concrete en aantoonbare gegeven was omtrent de vraag wie in de jaren 2013 t/m 2015 gebruik maakte van het perceel (de woning). Onder deze omstandigheden heeft de heffingsambtenaar niet in strijd gehandeld met de voor hem geldende beleidsregels, neergelegd in de Uitvoeringsregeling aanwijzing belastingplichtige in een keuzesituatie 2013 t/m 2016, noch het voorschrift van artikel 4:84 van de Awb geschonden door de onderhavige aanslagen afvalstoffenheffing aan belanghebbende, als “degene die een nutsvoorziening van het object op zijn naam heeft”, op te leggen. Ook voor het overige heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat de heffingsambtenaar heeft gehandeld in strijd met enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur.

Slotsom

4.6.

De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is; de uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.”

3 Geschil voor het Hof

In hoger beroep is in geschil of het bezwaar tegen de aanslag afvalstoffenheffing 2017 terecht niet-ontvankelijk is verklaard. Indien die vraag ontkennend wordt beantwoord, is in geschil of de aanslag terecht en tot het juiste bedrag aan belanghebbende is opgelegd. Tot slot is in geschil of belanghebbende recht heeft op proceskostenvergoeding wegens een door derde verleende rechtsbijstand.

4 Overwegingen van de rechtbank

5 Beoordeling van het geschil

6 Kosten

7 Beslissing