Centrale Raad van Beroep, 15-01-2026, ECLI:NL:CRVB:2026:30, 24/1645 BABW
Centrale Raad van Beroep, 15-01-2026, ECLI:NL:CRVB:2026:30, 24/1645 BABW
Gegevens
- Instantie
- Centrale Raad van Beroep
- Datum uitspraak
- 15 januari 2026
- Datum publicatie
- 16 januari 2026
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2026:30
- Zaaknummer
- 24/1645 BABW
Inhoudsindicatie
Afwijzing aanvraag voor een gehandicaptenparkeerkaart voor een bestuurder terecht. De Raad volgt het oordeel van de rechtbank dat het college deze weigering mocht baseren op het medisch advies dat in beroep is ingediend. Dat appellant eerder een gehandicaptenparkeerkaart heeft gehad, betekent niet dat het college aannemelijk moet maken dat de loopbeperking is afgenomen.
Uitspraak
Datum uitspraak: 15 januari 2026
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 5 juni 2024, 21/2820 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Beesel (college)
SAMENVATTING
Deze zaak gaat over de vraag of het college de aanvraag voor een gehandicaptenparkeerkaart voor een bestuurder terecht heeft afgewezen. De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend. De Raad volgt het oordeel van de rechtbank dat het college deze weigering mocht baseren op het medisch advies dat in beroep is ingediend. Dat appellant eerder een gehandicaptenparkeerkaart heeft gehad, betekent niet dat het college aannemelijk moet maken dat de loopbeperking is afgenomen.
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. G. Tajjiou, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar de enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 20 november 2025. Voor appellant is mr. Tajjiou verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door M. Wijnen.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
Appellant, geboren in 1960, heeft verschillende aandoeningen en pijnklachten. Het college heeft aan appellant op grond van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer een gehandicaptenparkeerkaart (type bestuurder) verstrekt voor de duur van een jaar. Dit besluit was gebaseerd op een medisch advies van Argonaut. Op 23 juli 2020 heeft appellant opnieuw een gehandicaptenparkeerkaart aangevraagd.
Het college heeft de aanvraag met een besluit van 3 februari 2021 afgewezen. Het bezwaar van appellant tegen deze afwijzing heeft het college met een besluit van 7 september 2021 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.
Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat appellant zich, zonder hulp van een ander, met de gebruikelijke loophulpmiddelen, redelijkerwijs over een langere afstand dan honderd meter aaneengesloten kan voortbewegen en daarom niet in aanmerking komt voor een gehandicaptenparkeerkaart. Het college heeft zich daarbij gebaseerd op de medische adviezen van Argonaut van 13 oktober 2020 en 12 april 2021.
Uitspraak van de rechtbank
In een tussenuitspraak van 7 maart 2023 heeft de rechtbank geoordeeld dat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en ondeugdelijk is gemotiveerd. Het college heeft niet aannemelijk gemaakt dat de reumatische aandoening van appellant daadwerkelijk bij de beoordeling van het loopvermogen is meegewogen. De rechtbank heeft het college in de gelegenheid gesteld dit gebrek te herstellen.1
De rechtbank heeft geoordeeld dat met het advies van Argonaut van 25 september 2023 en de nadere motivering van het college in de brief van 10 oktober 2023, het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek is hersteld en dat de beroepsgronden van appellant niet slagen. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, maar de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand gelaten omdat het college de gehandicaptenparkeerkaart mocht weigeren. Dat appellant eerder een gehandicaptenparkeerkaart heeft gehad, betekent niet dat de bewijslast bij het college ligt en het college aannemelijk moet maken dat appellant minder loopbeperkingen heeft. Ook levert het rapport van Argonaut van 16 juli 2019 geen contrabewijs op ten opzichte van het nieuwe advies van 25 september 2023.
De rechtbank heeft verder geoordeeld dat uit het advies van Argonaut van 25 september 2023 blijkt dat de arts alle medische stukken die in de tussenuitspraak zijn vermeld, heeft meegewogen in zijn advies. Daarnaast blijkt uit het advies dat de zorgvuldigheidshalve bij de reumatoloog opgevraagde nadere informatie is meegewogen. Deze informatie bevestigt een aandoening op reumatologisch gebied. De beroepsgrond dat het oordeel van de arts niet consistent is slaagt niet. De beroepsgrond dat de liesbreuk niet is meegewogen slaagt evenmin. Aan appellant is meermaals gevraagd of er relevante medische informatie ontbreekt en hij heeft geen nadere medische stukken in geding gebracht. Als de liesbreuk door de arts niet in zijn beoordeling is betrokken, komt dat dan ook voor rekening en risico van appellant.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant ervaart dat de gehandicaptenparkeerkaart van hem is afgepakt en doet een beroep op het vertrouwensbeginsel en rechtszekerheidsbeginsel. In 2019 is door een arts van Argonaut een loopbeperking vastgesteld waarvoor een gehandicaptenparkeerkaart is verstrekt. Sindsdien zijn de beperkingen alleen maar toegenomen. Zolang de artsen van Argonaut niet hebben gemotiveerd dat zijn beperkingen zijn afgenomen, heeft hij recht op een gehandicaptenparkeerkaart. De formulering in het advies van 25 september 2023 vindt appellant nog steeds niet consistent. Ook ontbreekt een onderzoek naar de gevolgen van zijn liesbreuken voor het lopen. Appellant verzoekt de Raad om een onafhankelijk deskundige te benoemen die rekening houdt met het geheel van zijn klachten.