Centrale Raad van Beroep, 16-12-2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1900, 24/604 PW
Centrale Raad van Beroep, 16-12-2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1900, 24/604 PW
Gegevens
- Instantie
- Centrale Raad van Beroep
- Datum uitspraak
- 16 december 2025
- Datum publicatie
- 7 januari 2026
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2025:1900
- Zaaknummer
- 24/604 PW
Inhoudsindicatie
Afwijzing aanvraag. Bijzondere bijstand voor bewindvoeringskosten. Draagkracht kan niet worden vastgesteld. Inkomsten uit gokactiviteiten. Verwervingskosten. Geen bewijsnood. Geen vergoeding bezwaarkosten. Geen wijziging rechtsgevolg. Het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de inkomsten uit gokken inkomsten zijn die kunnen worden aangewend voor de kosten van levensonderhoud en dus van belang zijn voor het bepalen van de draagkracht van appellant. Ook is terecht gesteld dat het voor het vaststellen van de draagkracht nodig was om inzicht te hebben in de mutaties en te beschikken over de mutatie-overzichten van de gokaccounts. De beroepsgrond dat appellant in bewijsnood verkeert omdat hij geen toegang meer had tot zijn accounts slaagt niet, omdat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij geen toegang meer had of kon krijgen tot zijn accounts.
Uitspraak
24/604 PW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 25 januari 2024, 22/3111 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven (college)
Datum uitspraak: 16 december 2025
In deze uitspraak gaat het over de afwijzing van een aanvraag om bijzondere bijstand voor de kosten van bewindvoering op de grond dat met de door appellant verstrekte gegevens de draagkracht, en daarmee het recht op bijstand, niet kan worden vastgesteld. Volgens appellant verkeert hij in bewijsnood doordat hij de gevraagde gegevens, zoals die zouden kunnen blijken uit de zogeheten wallet op zijn online gokaccount, niet meer op kan vragen en dit ook niet van hem kan worden gevergd. Daarnaast is volgens appellant het recht op bijstand al vast te stellen op basis van de door hem overgelegde bankafschriften. Appellant stelt ook dat zijn bezwaar gegrond had moeten worden verklaard en zijn bezwaarkosten hadden moeten worden vergoed. Appellant krijgt geen gelijk. Zijn hoger beroep slaagt niet.
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. F.Y. Gans, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 november 2025. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Gans. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F. Aarnoudse en mr. J.C.N. van Dijk.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
Appellant is op 5 november 2020 door de kantonrechter onder bewind gesteld. Ten tijde van belang ontving appellant een uitkering op grond van de Ziektewet. De bewindvoerder heeft op 13 juli 2021 een aanvraag gedaan om bijzondere bijstand voor de kosten van bewindvoering ter hoogte van € 119,69 per maand. Het college heeft vervolgens nadere informatie opgevraagd, waaronder bankafschriften vanaf 1 april 2021. De bewindvoerder heeft onder meer de verzochte bankafschriften overgelegd. Naar aanleiding daarvan heeft het college aanvullende gegevens opgevraagd. Dit betreft een schriftelijke verklaring per transactie van en naar [X] en [Y] van 31 mei 2021 tot en met 7 juli 2021. Het college heeft appellant gevraagd per bijschrijving duidelijk te maken wat de reden is dat hij geld van deze organisatie heeft ontvangen. Appellant heeft in reactie daarop verklaard dat hij (online) geld inzet op voetbalwedstrijden en dat hij bijna altijd wint als hij inzet en er daarom af en toe geld binnenkomt. Het gaat om gokactiviteiten bij onder meer [A]. Het college heeft vervolgens een berekening gemaakt van het inkomen van appellant in de draagkrachtperiode op basis van zijn Ziektewetuitkering en gokwinsten en de draagkracht van appellant over 13 juli 2021 tot en met 12 juli 2022 vastgesteld op € 1.507,72 op jaarbasis (€ 125,64 per maand).
Met een besluit van 26 augustus 2021 heeft het college de aanvraag afgewezen, omdat de noodzakelijke kosten niet hoger zijn dan de draagkracht van appellant. Appellant heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Met een beslissing op bezwaar van 2 november 2022 (bestreden besluit) is het college onder wijziging van de motivering bij de afwijzing gebleven. Het college heeft daaraan ten grondslag gelegd dat het recht op bijzondere bijstand niet kan worden vastgesteld. Nu de periode waarover de bijzondere bijstand is aangevraagd is verstreken hoeft het inkomen niet langer te worden geschat. Tijdens de hoorzitting in bezwaar is met appellant besproken dat hij mutatieoverzichten van zijn gokaccounts zou overleggen om vast te kunnen stellen over welke periodes hij gokwinsten heeft gehad en wat de omvang daarvan is. Deze mutatie-overzichten zijn noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag, want daarmee kan de draagkracht juist worden vastgesteld. Volgens het college is appellant gehouden deze over te leggen op grond van het bepaalde in artikel 17 van de Participatiewet (PW). Appellant heeft deze gegevens niet overgelegd en hij heeft ook niet aangetoond dat hij de overzichten niet kon overleggen. Appellant heeft wel bankafschriften overgelegd over de periode van 13 juli 2021 tot en met 12 juli 2022. Op die bankafschriften zijn bijschrijvingen van diverse gokaccounts vermeld. Met de (wel) door appellant verstrekte gegevens kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld.
Uitspraak van de rechtbank
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met die uitspraak niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.