Home

Centrale Raad van Beroep, 16-12-2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1895, 21/1479 PW

Centrale Raad van Beroep, 16-12-2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1895, 21/1479 PW

Gegevens

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16 december 2025
Datum publicatie
7 januari 2026
ECLI
ECLI:NL:CRVB:2025:1895
Zaaknummer
21/1479 PW

Inhoudsindicatie

Intrekking, terugvordering, invordering en verrekening van AIO. Schending inlichtingenverplichting. Vermogen in buitenland. Herhaling beroepsgronden. Bijkomende beschikking. Procesbelang. Beslagvrije voet. Gewenningsregeling. Zelf voorzien. Ter zitting heeft de Svb erkend dat het verrekeningsbesluit onjuist is gemotiveerd, maar dit gebrek wordt gepasseerd omdat niet in geschil is dat de Svb het aflossingsbedrag op de juiste wijze heeft vastgesteld. Wel heeft de Svb een te hoog bedrag ingehouden van het ouderdomspensioen van appellante. De Svb hanteert een gewenningsregeling en die was op appellante van toepassing, maar in de besluitvorming is daarmee ten onrechte geen rekening gehouden. In de situatie van appellante heeft de Svb in de periode van augustus 2022 tot februari 2023 ten onrechte de volledige aflossingscapaciteit in plaats van 50% van appellante gebruikt ter verrekening van de vordering. In zoverre kan appellanten belang bij herstel van het onjuiste verrekeningsbesluit niet worden ontzegd. Dat wordt niet anders door de omstandigheid dat appellante vanaf augustus 2023 feitelijk minder heeft betaald dan de Svb op basis van de gewenningsregeling mocht verrekenen.

Uitspraak

21/1479 PW , 21/1480 PW , 23/503 PW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 18 maart 2021, 19/5959 en 20/1070 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de erven van [appellant] (appellant), in leven laatstelijk gewoond hebbende te [woonplaats] , en [appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

Datum uitspraak: 16 december 2025

In deze zaak gaat het om de intrekking, terugvordering en invordering van de bijstand die appellanten van de Svb hebben ontvangen in de vorm van een aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO) omdat zij in strijd met de op hen rustende inlichtingenverplichting geen melding hebben gemaakt van hun vermogen in Turkije. Ook gaat het in deze zaak om de verrekening van de terugvordering met het ouderdomspensioen van appellante. De Raad laat de intrekking van de AIO in stand, oordeelt dat de terugvordering moet worden gematigd tot de materieel ten onrechte verleende bijstand, verklaart het hoger beroep, voor zover dat ziet op de invordering, niet-ontvankelijk en vernietigt het besluit over de verrekening en bepaalt dat de Svb de gewenningsregeling toepast.

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. M. Akça-Altun, advocaat, hoger beroep ingesteld. De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Op 4 augustus 2022 heeft de Svb een nader besluit genomen (verrekeningsbesluit).

Voorafgaand aan het onderzoek ter zitting heeft de Raad kennisgenomen van het overlijden van appellant.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 februari 2023. Namens appellanten is mr. Akça-Altun verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C.A. Buskens, mr. P.C. van der Voorn en R.W. Nicolaas.

De Raad heeft partijen op 7 juni 2023 schriftelijk meegedeeld, kort weergegeven, dat het onderzoek is heropend in afwachting van uitspraken in andere zaken, waarin het ook gaat om terug- en invordering en waarin ongeveer dezelfde vragen spelen als in de zaken van appellanten.

Nadat deze uitspraken waren gedaan1 heeft de Raad op 23 augustus 2024 vragen gesteld aan de Svb. De Svb heeft deze vragen met een brief van 1 oktober 2024 beantwoord. Appellanten hebben hierop gereageerd en daarnaast verzocht om uitstel voor het geven van een nadere reactie totdat de Raad in een aantal andere zaken van de Svb uitspraak heeft gedaan. Nadat deze uitspraak was gedaan2 hebben appellanten op 10 april 2025 een nadere reactie gegeven.

De Raad heeft partijen op 13 augustus 2025 nadere vragen gesteld. Partijen hebben deze vragen beantwoord, de Svb op 5 september 2025 en appellanten op 8 september 2025.

De Raad heeft partijen met een brief van 26 september 2025 laten weten dat de Raad een nader onderzoek ter zitting niet nodig vindt en hen daarbij gewezen op hun recht om nogmaals ter zitting te worden gehoord. Partijen hebben ingestemd met een afdoening zonder nadere zitting. Daarom heeft de Raad met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaald dat een nader onderzoek ter zitting achterwege blijft. Daarna heeft de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb gesloten.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.

1.1.

Appellanten ontvingen sinds 1 juli 2008 AIO van de Svb op grond van de Participatiewet (PW).

1.2.

In het kader van een controle hebben twee medewerkers van de Svb op 25 juli 2016 een huisbezoek afgelegd aan het woonadres van appellanten. Tijdens het huisbezoek hebben de medewerkers op een formulier ‘Verblijf en vermogen buiten Nederland’ de door appellanten gegeven antwoorden op enkele vragen ingevuld. Appellanten hebben het formulier vervolgens ondertekend. Op het formulier staat vermeld: “[Appellant] zijn vader is overleden. Er is een erfenis, een stuk grond welke nog verdeeld moet worden tussen [appellant] en zijn vier broers en zussen. De waarde ervan is niet bekend.”

1.3.

Vervolgens heeft appellant op verzoek van de Svb een vragenlijst van de Svb ingevuld. Daarop heeft hij vermeld dat zijn vader op [datum] 1972 is overleden en dat hij niets heeft geërfd. Daarna hebben appellanten enkele gegevens overgelegd, waaronder stukken van het kadaster in Turkije. Uit die stukken blijkt dat appellant voor een vijfde deel eigenaar is van zes stukken (landbouw)grond in Turkije (onroerende zaken). Verder hebben appellanten een taxatierapport van een Turkse makelaar overgelegd. Deze makelaar heeft de totale waarde van het aandeel van appellant in de onroerende zaken op 4 september 2018 getaxeerd op (omgerekend) € 4.000,-.

1.4.

Het Bureau Attaché voor Sociale Zaken van de Nederlandse Ambassade te Ankara (Bureau Attaché) heeft op verzoek van de Svb een taxatie van de onroerende zaken laten uitvoeren. Een plaatselijke taxateur heeft deze taxatie uitgevoerd en daarvan op 14 december 2018 een taxatierapport opgesteld. In dit taxatierapport is de waarde van het aandeel van appellant in de onroerende zaken getaxeerd op (omgerekend) € 35.667,-.

Besluiten van de Svb

1.5.

De Svb heeft met een besluit van 12 april 2019 de AIO van appellanten ingetrokken met ingang van 1 juli 2008. Met een ander besluit van 12 april 2019 heeft de Svb de gemaakte kosten van AIO over de periode van 1 juli 2008 tot en met 31 december 2018 van appellanten teruggevorderd tot een bedrag van € 45.728,46. Appellanten hebben tegen deze besluiten bezwaar gemaakt. Tijdens de bezwaarprocedure hebben zij een nieuw taxatierapport overgelegd van de Turkse makelaar die ook al eerder een taxatierapport had opgesteld. Deze makelaar heeft in dat nieuwe taxatierapport van 23 september 2019 de totale waarde van het aandeel van appellant in de onroerende zaken in 2008 getaxeerd op (omgerekend) € 3.350,-.

1.6.

De Svb heeft de besluiten van 12 april 2019 na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 1 november 2019 (bestreden besluit 1). Aan bestreden besluit 1 heeft de Svb het volgende ten grondslag gelegd. Appellanten hebben in strijd met de op hen rustende inlichtingenverplichting geen melding gemaakt van hun vermogen in Turkije. Voor de waardebepaling van het aandeel van appellant in de percelen in Turkije moet worden uitgegaan van het taxatierapport van 14 december 2018. Er kan niet worden aangesloten bij de waarde die blijkt uit de door appellanten overgelegde taxatierapporten. Deze taxatierapporten zijn namelijk niet opgesteld door een beëdigd taxateur. Omdat appellanten niet aannemelijk hebben gemaakt dat hun vermogen op 1 juli 2008 onder de voor hen geldende vermogensgrens lag, kan niet worden vastgesteld of appellanten recht hadden op AIO.

1.7.

De Svb heeft met een besluit van 6 november 2019 aan appellanten meegedeeld dat zij binnen één jaar het vermogen in Turkije moeten vrijmaken voor het terugbetalen van de schuld aan de Svb. Tegen dit besluit hebben appellanten bezwaar gemaakt.

1.8.

De Svb heeft met een besluit van 10 januari 2020 (bestreden besluit 2) het bezwaar tegen het besluit van 6 november 2019 gegrond verklaard en bepaald dat appellanten vóór 10 januari 2021 een bedrag van € 35.667,- moeten terugbetalen aan de Svb. De betaling van het restant van de vordering (€ 10.061,46) wordt opgeschort.

Uitspraak van de rechtbank

2. De rechtbank heeft de beroepen van appellanten ongegrond verklaard en de bestreden besluiten in stand gelaten op grond van onder meer de volgende overwegingen. Uit de onderzoeksgegevens van de attaché blijkt dat appellant voor een vijfde deel eigenaar is van zes percelen landbouwgrond, zoals ook wordt bevestigd door stukken van het kadaster die appellanten zelf hebben overgelegd. Het feit dat de eigendom van een onroerende zaak is geregistreerd op naam van een uitkeringsgerechtigde rechtvaardigt de vooronderstelling dat deze onroerende zaak een bestanddeel vormt van het vermogen waarover hij beschikt, dan wel redelijkerwijs kan beschikken. Dat appellant gevoelsmatig (nog) geen eigenaar is van de betrokken percelen in Turkije, omdat deze nog niet zijn verdeeld onder de erfgenamen, doet hier niet aan af. De term 'beschikken' moet zo worden uitgelegd dat deze ziet op de mogelijkheid om de bezitting feitelijk aan te wenden om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. In een dergelijke situatie is het aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat het tegendeel het geval is. Appellanten zijn hier niet in geslaagd. Hun stelling dat sprake is van een wettelijke beperking om hun aandelen in de betrokken percelen te verkopen aan andere personen dan de overige aandeelhouders, en dat het moeilijk is om hen te traceren en vervolgens met hen een akkoord te bereiken over de verdeling van de erfenis, slaagt niet. Het is door de wettelijke beperkingen wellicht moeilijker om de aandelen in de percelen te verkopen, maar niet aannemelijk is gemaakt dat dit onmogelijk is. Appellanten kunnen de aandelen in ieder geval verkopen aan de overige aandeelhouders, maar dit hebben zij blijkens de dossierstukken en het verhandelde ter zitting nog niet geprobeerd. Uit stukken die appellanten bij brief van 26 september 2019 hebben overgelegd blijkt bovendien dat andere erfgenamen wél reeds aandelen hebben verkocht of samengevoegd. Niet aannemelijk is verder dat appellanten geen contact kunnen leggen met de andere aandeelhouders, nu hun gemachtigde ter zitting heeft verklaard dat de gebouwen op een van de percelen worden beheerd door een neef (zoon van een broer) van appellant, en zelfs de zoon van appellanten op dit perceel woont.

Verrekeningsbesluit

3. De Svb heeft met het verrekeningsbesluit vastgesteld dat appellante € 179,27 per maand moet aflossen op de terugvordering. De Svb heeft hierbij vermeld dat dit 5% is van het totale inkomen van appellante, inclusief vakantiegeld, dat dit is wat appellante wettelijk minimaal moet aflossen en dat het bedrag van € 179,27 vanaf augustus 2022 iedere maand op haar pensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW-pensioen) zal worden ingehouden. De berekening van de aflossingscapaciteit heeft plaatsgevonden op basis van de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet die per 1 januari 2021 in werking is getreden.

3.1.

Tijdens de zitting van de Raad op 7 februari 2023 heeft de Svb toegezegd om als een tijdelijke tegemoetkoming in verband met de te verwachten lange duur van de procedure in hoger beroep een maandelijks aflossingsbedrag van 50% van het bedrag van € 179,27 te hanteren tot de Raad uitspraak heeft gedaan. In zoverre voert de Svb het invorderingsbesluit tijdelijk niet ten volle uit. In verband met deze toezegging heeft de Svb vanaf februari 2023 € 89,50 ingehouden op het AOW-pensioen van appellante.

Het standpunt van appellanten

4. Appellanten zijn het met de uitspraak van de rechtbank en met het verrekeningsbesluit niet eens. Wat zij daartegen hebben aangevoerd wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad

Conclusie en gevolgen

BESLISSING

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels