Centrale Raad van Beroep, 16-12-2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1894, 23/3442 PW
Centrale Raad van Beroep, 16-12-2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1894, 23/3442 PW
Gegevens
- Instantie
- Centrale Raad van Beroep
- Datum uitspraak
- 16 december 2025
- Datum publicatie
- 7 januari 2026
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2025:1894
- Zaaknummer
- 23/3442 PW
Inhoudsindicatie
Ontvankelijkheid bezwaar. Verschoonbaarheid. Besluitkarakter. Bekendmaking. Opdracht nieuw besluit. Het rapport van 30 mei 2022 moet worden aangemerkt als een besluit (art. 1:3 lid 1 Awb). Hierin staat namelijk dat het dagelijks bestuur heeft besloten om de kostendelersnorm vanaf 1 mei 2022 tot in ieder geval 1 september 2022 niet meer toe te passen op de bijstand van appellanten. Met een brief van 28 februari 2023 is aan appellanten kenbaar gemaakt dat het dagelijks bestuur in mei 2022 heeft besloten de kostendelersnorm per 1 mei 2022 buiten toepassing te laten. Pas op dat moment is de bezwaartermijn van zes weken gaan lopen. Hiermee staat vast dat het bezwaarschrift van appellanten van 16 februari 2023 vóór het begin van de bezwaartermijn is ingediend.
Uitspraak
23/3442 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 16 november 2023, 23/2776 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] (appellant) en [appellante] (appellante), beiden te [woonplaats]
het dagelijks bestuur van de Regionale Dienst Werk en Inkomen Kromme Rijn Heuvelrug (dagelijks bestuur)
Datum uitspraak: 16 december 2025
Het gaat in deze zaak om het volgende. Het dagelijks bestuur heeft het bezwaar van appellanten tegen een mededeling over het buiten toepassing laten van de kostendelersnorm om twee redenen niet-ontvankelijk verklaard:
1) de brief daarover is geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en
2) voor zover het bezwaarschrift is gericht tegen het in mei 2022 genomen besluit om de kostendelersnorm vanaf 1 mei 2022 niet meer toe te passen, is het niet verschoonbaar te laat ingediend.
Appellanten hebben aangevoerd dat de brief waartegen zij bezwaar hadden gemaakt wel een besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Hierin krijgen zij geen gelijk. Ook voeren appellanten aan dat sprake is van een ontvankelijk bezwaar tegen een in mei 2022 genomen besluit. Hierin krijgen zij wel gelijk. De Raad oordeelt dat het dagelijks bestuur in mei 2022 wel al had besloten om de kostendelersnorm vanaf 1 mei 2022 buiten toepassing te laten, maar dit besluit pas in februari 2023 bekend heeft gemaakt aan appellanten, en dat het bezwaarschrift tegen dit besluit voortijdig is ingediend, maar wel ontvankelijk is.
PROCESVERLOOP
Namens appellanten heeft mr. D.D. Pietersz, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.
Appellanten hebben een besluit op bezwaar van 25 juli 2024 toegestuurd, met het verzoek om dit besluit te betrekken bij de behandeling van het hoger beroep.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 7 oktober 2025. Voor appellanten is
mr. Pietersz verschenen. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door A.G. Hoekerd.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
Appellanten ontvangen bijstand op grond van de Participatiewet (PW) naar de norm voor gehuwden. Met een besluit van 1 augustus 2017 heeft het dagelijks bestuur op de bijstand van appellanten vanaf [datum] de kostendelersnorm toegepast, uitgaande van drie kostendelende bewoners, omdat hun inwonende zoon per die datum 21 jaar is geworden. Tegen dit besluit hebben appellanten geen bezwaar gemaakt.
Op 4 mei 2022 heeft appellant gebeld met een medewerker van de Regionale Dienst Werk en Inkomen Kromme Rijn Heuvelrug (RDWI). Appellant heeft toen gezegd dat zijn zoon een Wajong-uitkering ontvangt, maar ‘moeilijk is’ en niet wil meebetalen aan het huishouden, met de vraag of de RDWI iets kan doen. De medewerker heeft dit opgevat als een verzoek om de kostendelersnorm buiten toepassing te laten. Tijdens een telefoongesprek op 12 mei 2022 heeft appellant aan de medewerker uitgelegd dat hij en appellante wel willen dat hun zoon op zichzelf of begeleid gaat wonen, maar dat dit niet gaat omdat hun zoon dat niet wil, en dat zij hulp krijgen van een hulpverlener van de gemeente [naam gemeente] (X). De medewerker heeft vervolgens contact gehad met X, die heeft verteld dat de zoon van appellanten verstandelijk beperkt is, dat bij hem sprake is van verslavingsproblematiek, dat de zoon niet openstaat voor hulpverlening en dat appellanten proberen ervoor te zorgen dat hun zoon toch begeleid gaat wonen, mogelijk op onvrijwillige basis. De medewerker heeft in een interne mail van 25 mei 2022 aan een andere medewerker van de RDWI gevraagd, onder verwijzing naar de telefoongesprekken met appellant en met X, of hij de kostendelersnorm voor vier maanden buiten toepassing mag laten. Die andere medewerker is daarmee akkoord gegaan.
Dit alles is neergelegd in een rapport van 30 mei 2022. Op de laatste pagina staat het volgende:
“BESLUIT
1. De uitkering van belanghebbende gewijzigd voortzetten per 01-05-2022.
2. Van norm KD 3 naar gehuwden.
3. Hercontrole 01-09-2022:
Stand van zaken zoon van inwoning naar begeleidend wonen (werkproces 397985).
4. Geen beschikking sturen.”
De medewerker heeft appellant op 30 mei 2022 telefonisch laten weten dat vanaf mei 2022 zijn thuiswonende zoon tijdelijk niet meetelt als kostendeler. Uit de door appellanten in beroep overgelegde uitkeringsspecificaties over 2022 blijkt dat het dagelijks bestuur de bijstand over mei en juni 2022 aan appellanten heeft uitbetaald tot een bedrag van € 1.481,60 en vanaf juli 2022 tot een bedrag van € 1.495,33. Dit is maandelijks bijna € 200,- meer dan de uitbetaling van de bijstand over april 2022.
Met een brief van 23 januari 2023 heeft het dagelijks bestuur appellanten het volgende meegedeeld:
“Vanaf 1 januari is de leeftijdsgrens waarop uw huisgenoten meetellen voor de hoogte van uw uitkering niet meer 21 jaar, maar 27 jaar. We hebben gekeken wat dit voor uw uitkering betekent. In deze brief leest u daar meer over.