Centrale Raad van Beroep, 18-12-2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1879, 24/808 WIA
Centrale Raad van Beroep, 18-12-2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1879, 24/808 WIA
Gegevens
- Instantie
- Centrale Raad van Beroep
- Datum uitspraak
- 18 december 2025
- Datum publicatie
- 23 december 2025
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2025:1879
- Zaaknummer
- 24/808 WIA
Inhoudsindicatie
Vaststelling hoogte dagloon voor WIA-uitkering. Betrokkene wordt niet aangemerkt als herintreder in de zin van artikel 18 van het Dagloonbesluit. De referteperiode loopt van 1 maart 2020 tot en met 28 februari 2021. De betaling van zijn WW-uitkering en vakantiegeld valt binnen de referteperiode. Het Uwv heeft de loonloze maanden oktober tot en met december 2020 buiten beschouwing gelaten en het aantal dagloondagen verlaagd. Vergoeding proceskosten en griffierecht.
Uitspraak
24/808 WIA en 24/2877 WIA
Datum uitspraak: 18 december 2025
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 11 maart 2024, 23/806 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
(appellant)
[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv de hoogte van het dagloon voor de WIAuitkering van betrokkene per 26 oktober 2022 correct heeft vastgesteld op € 197,05. Volgens het Uwv heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat betrokkene als herintreder moet worden beschouwd en dat dus alleen het loon uit zijn dienstbetrekking moet worden betrokken bij de berekening van zijn dagloon en de in de referteperiode ontvangen WWuitkering buiten beschouwing moeten blijven. De Raad volgt dit standpunt van het Uwv. In hoger beroep heeft het Uwv wel het dagloon aangepast in verband met het buiten beschouwing laten van loonloze perioden. De Raad oordeelt dat het Uwv in hoger beroep het gewijzigd aantal dagloondagen en het gewijzigd dagloon juist heeft vastgesteld en dat dit dagloon niet in strijd is met de evenredigheid.
PROCESVERLOOP
Het Uwv heeft hoger beroep ingesteld. Namens betrokkene heeft mr. H.H. Jansen, advocaat, een verweerschrift ingediend.
Het Uwv heeft op 11 november 2024 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen.
Betrokkene heeft een zienswijze op de gewijzigde beslissing ingediend, waarna het Uwv en betrokkene over en weer hebben gereageerd.
Het Uwv heeft op verzoek van de Raad de gewijzigde beslissing nader toegelicht.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 6 november 2025. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.S. Träger. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Jansen.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
Betrokkene heeft tot en met 31 oktober 2018 gewerkt bij de [naam bank] . Deze dienstbetrekking is beëindigd door een reorganisatie. Betrokkene heeft van 1 november 2018 tot en met 31 juli 2020 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) ontvangen. Hij heeft met toestemming van het Uwv en met behoud van de WW-uitkering vanaf 27 november 2019 opleidingen aan de Hogeschool [naam] gevolgd. Na de beëindiging van zijn WW-uitkering op 31 juli 2020 heeft hij onbezoldigd praktijkervaring opgedaan. Met ingang van 20 januari 2021 is betrokkene in dienst getreden van [naam werkgever]. Betrokkene is op 8 maart 2021 vanwege gezondheidsproblemen voor dit werk uitgevallen.
Het Uwv heeft betrokkene bij besluit van 14 oktober 2022 met ingang van 26 oktober 2022 een IVA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend. De hoogte van zijn WIA-maandloon is in dit besluit geïndexeerd vastgesteld op € 3.185,51. De referteperiode loopt van 1 maart 2020 tot en met 28 februari 2021 en het totaal sv-loon in deze periode bestaat uit de door het Uwv betaalde WW-uitkering en het loon bij [naam werkgever], in totaal € 36.672,08. Uitgaande van 261 dagloondagen is het WIA-dagloon – na indexatie – vastgesteld op € 146,46.
Het Uwv heeft het bezwaar van betrokkene, gericht tegen de hoogte van het dagloon, bij beslissing op bezwaar van 30 december 2022 (bestreden besluit 1) ongegrond verklaard.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen bestreden besluit 1 gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het Uwv opgedragen om een nieuw besluit op het bezwaar te nemen met inachtneming van de uitspraak. Daarbij heeft de rechtbank bepaald dat het Uwv aan betrokkene het griffierecht en zijn proceskosten moet vergoeden. De rechtbank heeft overwogen dat strikte toepassing van het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen (Dagloonbesluit) in het specifieke geval van betrokkene tot onevenredige gevolgen leidt doordat zijn WW-uitkering en loonloze maanden zijn meegenomen bij de berekening van zijn dagloon. De rechtbank heeft hierbij met name van belang geacht dat betrokkene niet in aanmerking komt voor toepassing van de startersregeling op grond van artikel 18 van het Dagloonbesluit omdat hij in het begin van de referteperiode enkele maanden een WWuitkering heeft ontvangen. Betrokkene kan volgens de rechtbank gezien worden als een herintreder die, nadat hij een periode een WW-uitkering ontving, een loonloze periode heeft gehad als gevolg van zijn keuze om zonder bezoldiging praktijkervaring op te doen om zo zijn kansen op de arbeidsmarkt te vergroten. Betrokkene is door zijn keuze om zich om te scholen en in te teren op zijn ontslagvergoeding in een zeer nadelige positie gekomen die (mogelijk) doorwerkt tot zijn pensioengerechtigde leeftijd. Het dagloon is volgens de rechtbank geen representatieve afspiegeling van het welvaartsniveau dat betrokkene had voorafgaand aan de verzekerde gebeurtenis. De rechtbank heeft bepaald dat het Uwv een nieuwe beslissing op het bezwaar van betrokkene moet nemen waarbij het Uwv de WW-uitkering van betrokkene buiten beschouwing moet laten en betrokkene moet aanmerken als een herintreder, waardoor het dagloon dan uitsluitend wordt gebaseerd op het loon dat betrokkene heeft genoten uit het dienstverband bij [naam werkgever].
Het standpunt van het Uwv
Het Uwv heeft aangevoerd dat de door de rechtbank genoemde omstandigheden niet voldoende bijzonder zijn om te kunnen afwijken van het Dagloonbesluit. De loonloze periode is het gevolg van de keuze van betrokkene om, zonder daarvoor te worden beloond, praktijkervaring op te doen. Dit ligt in zijn risicosfeer. Verder heeft het Uwv aangevoerd dat de rechtbank een onjuiste maatstaf met betrekking tot het begrip herintreder heeft gehanteerd. Gelet op artikel 18 van het Dagloonbesluit, welk artikel restrictief moet worden uitgelegd, kan betrokkene niet als herintreder worden gezien. Het is vaste rechtspraak dat degene die in het eerste tijdvak van de referteperiode inkomsten heeft genoten die als loon worden aangemerkt geen beroep kan doen op artikel 18, eerste lid, van het Dagloonbesluit. Ook heeft de rechtbank volgens het Uwv een onjuiste maatstaf gehanteerd met betrekking tot het begrip welvaartsniveau. Volgens vaste rechtspraak1 is het loon dat voorafgaand aan de referteperiode is ontvangen niet bepalend voor de vaststelling van het welvaartsniveau.
Het Uwv heeft bij de gewijzigde beslissing op bezwaar van 11 november 2024 (bestreden besluit 2) opnieuw op het bezwaar van betrokkene beslist met inachtneming van wat de Raad heeft bepaald in de uitspraak van 30 juli 20242. Dit besluit komt in de plaats van bestreden besluit 1, voor zover het de hoogte van de IVA-uitkering betreft. Het Uwv heeft bij de berekening van het dagloon de tijdvakken binnen de referteperiode waarin geen loon of uitkering is ontvangen buiten beschouwing gelaten. Het totaal aan sv-loon in de referteperiode – ongewijzigd € 36.672,08 – is gedeeld door 194 dagen, op grond waarvan het dagloon geïndexeerd is vastgesteld op € 197,05. Het Uwv heeft aan de hand van de handreiking van het Uwv “Omgaan met loonloze tijdvakken bij WIA-dagloon” toegelicht dat in bestreden besluit 2 rekening is gehouden met drie loonloze maanden in het refertejaar, namelijk oktober 2020, november 2020 en december 2020. Het aantal dagloondagen in deze kalendermaanden is op nul gesteld. Het aantal dagloondagen over de andere maanden bedraagt in totaal 194 dagloondagen. Het Uwv heeft de kosten van bezwaar vergoed tot een bedrag van € 624,-.
Het standpunt van betrokkene
Betrokkene is het met de uitspraak van de rechtbank eens en heeft verzocht deze te bevestigen. Na het gedwongen ontslag bij de [naam bank] heeft hij een periode een WW-uitkering ontvangen. Tijdens deze WW-periode was hij vrijgesteld van de sollicitatieverplichting in verband met het volgen van een opleiding. Na de beëindiging van zijn WW-uitkering kon hij niet anders dan interen op zijn eigen vermogen. Mede door zijn opleiding en een onbetaalde stage heeft hij een baan kunnen vinden. Het waren noodgedwongen keuzes. Hij heeft gewezen op wat in de conclusie van raadsheer advocaatgeneraal de Bock van 10 november 20233 en de uitspraken van de Raad van 18 april 2024 en 23 april 20244 is overwogen over toetsing aan het evenredigheidsbeginsel en de menselijke maat. Betrokkene heeft in dit verband opgemerkt dat het vastgestelde dagloon voor hem langdurig zeer nadelige financiële consequenties heeft. Vanwege zijn ziekte zal hij tot zijn pensioen aangewezen zijn op de IVA-uitkering.
In zijn zienswijze op bestreden besluit 2 heeft betrokkene naar voren gebracht dat hij het niet met dit besluit eens is, omdat hij vindt dat voor de bepaling van het dagloon alleen uitgegaan moet worden van het inkomen dat hij heeft genoten bij [naam werkgever]. Subsidiair heeft hij aangevoerd dat het aantal van 194 dagloondagen niet juist is. Volgens betrokkene moet het aantal dagloondagen worden vastgesteld op 138. Zo was de maand augustus 2020 volgens betrokkene loonloos, omdat hij de WW-uitkering over juli 2020 pas op 1 september 2020 heeft ontvangen. Verder heeft de uitbetaling van de eindafrekening van de WW-uitkering, die eindigde op 31 juli 2020, bestaande uit vakantiegeld over de periode mei tot en met juli 2020, in september 2020 ook een nadelig effect op het aantal dagloondagen. Verder moeten volgens betrokkene over de maand januari 2021 slechts acht dagloondagen in aanmerking worden genomen, omdat hij pas op 20 januari 2021 in dienst is getreden bij [naam werkgever]. Meer subsidiair heeft betrokkene gesteld dat de dagloonberekening in bestreden besluit 2 in strijd is met het evenredigheidsbeginsel, omdat de berekening die uitgaat van 194 dagloondagen geen representatief beeld geeft van de verdiensten in de door hem gewerkte periodes in het refertejaar terwijl de financiële gevolgen groot zijn. Door de toepassing van het Dagloonbesluit ontstaat voor hem onevenredig nadeel voor onbepaalde tijd.