Home

Centrale Raad van Beroep, 03-12-2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1794, 21/727 WIA -T

Centrale Raad van Beroep, 03-12-2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1794, 21/727 WIA -T

Gegevens

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
3 december 2025
Datum publicatie
11 december 2025
ECLI
ECLI:NL:CRVB:2025:1794
Zaaknummer
21/727 WIA -T

Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak. Weigering WIA-uitkering toe te kennen. Het Uwv heeft onvoldoende gemotiveerd dat de in 2018 en 2019 aanwezige vermoeidheidsklachten en mentale klachten een andere oorzaak hebben dan de klachten voorafgaande aan de beoordeling in 2016. Dit betekent dat het Uwv voor de data 17 mei 2018 en 1 juli 2019 voor deze klachten uit moet gaan van beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak. Het Uwv wordt opgedragen een nieuwe FML op te stellen en een arbeidskundig onderzoek laten verrichten om de mate van arbeidsongeschiktheid opnieuw vast te stellen.

Uitspraak

21/727 WIA, 21/728 ZW , 21/4538 WIA en 24/2083 ZW -T

Datum uitspraak: 3 december 2025

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 13 januari 2021, 19/1952 en 19/1956 (aangevallen uitspraak 1) en op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 19 november 2021, 20/3624 (aangevallen uitspraak 2)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Het gaat in deze zaak om de weigering om een WIA-uitkering toe te kennen met ingang van 17 mei 2018 (21/727 WIA), een weigering om een WIA-uitkering toe te kennen met ingang van 1 juli 2019 (21/4538 WIA) en om een weigering om een ZW) en om een weigering om een -uitkering toe te kennen met ingang van 17 september 2018 (21/728 ZW ). Het Uwv heeft in de zaak 21/728 ZW een nieuwe beslissing op bezwaar genomen en appellante alsnog met ingang van 17 september 2018 een ZW-uitkering toegekend. Het gaat in de zaken 21/727 WIA en 21/4538 WIA om de beoordeling of het standpunt van het Uwv dat appellante niet toegenomen arbeidsongeschikt is uit dezelfde ziekteoorzaak als waarvoor zij eerder de wachttijd heeft doorlopen voldoende is gemotiveerd. De Raad komt tot het oordeel dat de medische grondslag van de besluiten waarin is geweigerd appellante een WIA-uitkering toe te kennen niet deugdelijk is gemotiveerd en geeft het Uwv opdracht om dit gebrek te herstellen.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. Y. van der Linden, advocaat, hoger beroepen ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

De Raad heeft de zaken 21/727 WIA, 21/728 ZW en 21/4538 WIA gevoegd behandeld op een zitting van 14 februari 2024. Appellante was aanwezig en werd bijgestaan door mr. Van der Linden en haar echtgenoot. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.J.H. Maas.

Het onderzoek in zaak 21/728 ZW is heropend. De Raad heeft het Uwv vragen gesteld.

Het Uwv heeft in zaak 21/728 ZW op 14 juni 2024 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen (zaak 24/2083 ZW ).

De Raad heeft aanleiding gezien om de vier zaaknummers 21/727 WIA, 21/728 ZW , 21/4538 WIA en 24/2083 ZW op een nadere zitting te behandelen en heeft de zaken gevoegd behandeld op een zitting van 26 maart 2025. Appellante heeft door middel van videobellen aan de zitting deelgenomen en werd bijgestaan door mr. Van der Linden. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.J.H. Maas. Ter zitting is op verzoek van appellante cardioloog dr. C.M.C. van Campen door middel van videobellen gehoord.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van de hoger beroepen zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.

Wat aan de zaken vooraf is gegaan

1.1.

Appellante heeft in 2011 een hersenoperatie ondergaan waarbij een goedaardig meningeoom is verwijderd. Hierna heeft zij hervat in haar werk als medisch secretaresse ouderenzorg voor 23,91 uur per week bij [naam ex-werkgever] ((ex-)werkgever). Op 16 oktober 2014 heeft zij zich ziekgemeld met cognitieve klachten. In februari 2016 is zij geopereerd aan haar linkerschouder.

1.2.1.

Naar aanleiding van haar aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is appellante onderzocht door een verzekeringsarts van het Uwv. Deze arts heeft in een rapport van 5 oktober 2016 vermeld dat er gedacht is aan klachten door niet-aangeboren hersenletsel (NAH) door de ingreep in 2011, maar dat dit niet kon worden bevestigd. In een onderzoek op verzoek van de werkgever door Ergatis in 2015 is geconcludeerd dat appellante diffuus cognitief minder functioneert, maar dat de diagnose niet kan worden gesteld op NAH. De verzekeringsarts heeft beperkingen aangenomen voor persoonlijk en sociaal functioneren vanwege belastende werkomstandigheden door een langdurige reorganisatie bij de werkgever en voor schouderbelastende werkzaamheden. Appellante is met ingang van 13 oktober 2016 in staat geacht tot het vervullen van door de arbeidsdeskundige geselecteerde voorbeeldfuncties.

1.2.2.

Het Uwv heeft bij besluit van 21 oktober 2016 na afloop van de voorgeschreven wachttijd geweigerd appellante met ingang van 13 oktober 2016 een WIA-uitkering toe te kennen, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Nadat appellante bezwaar had gemaakt tegen dit besluit heeft een verzekeringsarts bezwaar en beroep beperkingen voor astma aan de door de primaire verzekeringsarts opgestelde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) toegevoegd in een FML van 14 februari 2017. Het bezwaar van appellante is ongegrond verklaard.

1.3.

Appellante heeft gedeeltelijk voor twaalf uur (later acht uur) hervat in aangepast werk bij haar werkgever en vanaf 13 oktober 2016 ook een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) ontvangen.

Melding toegenomen klachten met ingang van 17 mei 2018 (21/727 WIA)

1.4.

Appellante heeft zich op 31 juli 2018 bij het Uwv gemeld met toegenomen vermoeidheids- en pijnklachten met ingang van 17 mei 2018. De verzekeringsarts die appellante naar aanleiding van deze melding op het spreekuur van 27 augustus 2018 heeft onderzocht, heeft in een rapport van 30 augustus 2018 vermeld dat appellante nu veel last heeft van vermoeidheid en van pijnklachten in hoofd, armen, nek, schouders, rug, bekken, knieën en benen. De verzekeringsarts heeft geconcludeerd dat vanaf 17 mei 2018 sprake is van toegenomen beperkingen door deze klachten. Deze komen voort uit fibromyalgie en komen niet voort uit dezelfde ziekteoorzaak als bij de WIA-beoordeling in 2016. Voor deze beperkingen geldt daarom een wachttijd van 104 weken. De FML van 14 februari 2017 is volgens de verzekeringsarts ongewijzigd van toepassing voor de mentale klachten en de longklachten van appellante. Het Uwv heeft bij besluit van 4 september 2018 geweigerd appellante per 17 mei 2018 een WIA-uitkering toe te kennen, omdat de geconstateerde aanvullende beperkingen niet voortkomen uit dezelfde oorzaak als waarvoor in 2016 de wachttijd is volgemaakt, terwijl de toen bestaande beperkingen niet zijn toegenomen.

1.5.

Naar aanleiding van het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft een verzekeringsarts bezwaar en beroep appellante gezien op een hoorzitting en op 20 juni 2019 een rapport opgesteld. Het Uwv heeft op basis hiervan geen aanleiding gezien voor wijziging van zijn standpunt en heeft bij besluit van 21 juni 2019 (bestreden besluit 1) het bezwaar tegen het besluit van 4 september 2018 ongegrond verklaard.

Ziekmelding vanuit de WW met ingang van 17 september 2018 (21/728 ZW )

1.6.

Appellante heeft zich vanuit de situatie dat zij uitkering ontving op grond van de WW op 17 september 2018 ziekgemeld met vermoeidheidsklachten, pijnklachten, geheugen- en concentratieklachten. In verband hiermee is zij door een arts van het Uwv op het spreekuur onderzocht. Deze arts heeft in een rapport van 26 november 2018 vastgesteld dat er geen significante wijzigingen zijn in de belastbaarheid en dat appellante per datum ziekmelding 17 september 2018 geschikt wordt geacht voor de in het kader van de Wet WIA geselecteerde functies. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 28 november 2018 geweigerd appellante met ingang van 17 september 2018 een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toe te kennen.

1.7.

Het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 20 juni 2019 dat naar aanleiding van het bezwaar tegen het besluit van 4 september 2018 is opgesteld, heeft ook betrekking op het bezwaar tegen het besluit van 28 november 2018. Het Uwv heeft op basis van dit rapport geen aanleiding gezien voor wijziging van zijn standpunt en heeft bij besluit van 21 juni 2019 (bestreden besluit 2) het bezwaar van appellante tegen het besluit van 28 november 2018 ongegrond verklaard.

Melding toegenomen klachten met ingang van 1 juli 2019 (21/4538 WIA)

1.8.

Appellante heeft zich op 20 november 2019 bij het Uwv gemeld met toegenomen klachten met ingang van 1 juli 2019. De verzekeringsarts heeft appellante naar aanleiding van deze melding onderzocht op het spreekuur en in een rapport van 6 januari 2020 vermeld dat appellante nu pijnklachten over het hele lichaam heeft door fibromyalgie en forse rugklachten en vermoeidheidsklachten. Volgens de verzekeringsarts is sprake van een toename van beperkingen per 1 juli 2019, maar komt de toename van beperkingen, die het gevolg is van fibromyalgie en een discopathie laag lumbaal, niet voort uit dezelfde ziekteoorzaak als bij de WIA-beoordeling in 2016. Bij besluit van 16 januari 2020 heeft het Uwv geweigerd appellante per 1 juli 2019 een WIA-uitkering toe te kennen, omdat zij nu andere gezondheidsklachten heeft dan waarvoor zij eerder de wachttijd van de WIA heeft volgemaakt.

1.9.

Het Uwv heeft bij beslissing op bezwaar van 10 november 2020 (bestreden besluit 3) het bezwaar van appellante tegen het besluit van 16 januari 2020 ongegrond verklaard.

Verloop na de weigeringen per 17 mei 2018, 17 september 2018 en 1 juli 2019

1.10.

In verband met het verstrijken van de (nieuwe) wachttijd na de melding van de toegenomen (nieuwe) klachten per 17 mei 2018 heeft de verzekeringsarts van het Uwv appellante onderzocht op het spreekuur. De verzekeringsarts heeft in een rapport van 12 maart 2020 vermeld dat op basis van de bevindingen sprake is van status na een neurologische operatie in verband met meningeoom. Er is NAH gesteld en appellante blijft wat dit betreft klachten houden. Zij is stressgevoelig en verminderd stressbestendig. Op grond hiervan zijn er beperkingen ten aanzien van persoonlijk en sociaal functioneren. Appellante heeft pijnklachten over het hele lichaam (gegeneraliseerde artrose en fibromyalgie) en forse rugklachten. Daarbij heeft appellante vermoeidheidsklachten. Gezien het ziektebeeld, forse pijnklachten en de eigen bevindingen acht de verzekeringsarts een vermindering van de energetische, mentale en fysieke belastbaarheid aanwezig. De arts heeft in de opgestelde FML van 12 maart 2020 onder meer een arbeidsduurbeperking aangenomen. Het Uwv heeft bij besluit van 18 maart 2020 appellante met ingang van 14 mei 2020 een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend, die loopt tot 14 mei 2022. Het Uwv heeft appellante vervolgens vanaf 14 mei 2022 een WGA-loonaanvullingsuitkering toegekend gebaseerd op volledige arbeidsongeschiktheid.

Uitspraak van de rechtbank in 21/727 WIA en 21/728 ZW over de data 17 mei 2018 en 17 september 2018

2.1.

De rechtbank heeft bij aangevallen uitspraak 1 het beroep tegen de bestreden besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard en daarmee deze besluiten in stand gelaten.

Uitspraak van de rechtbank in 21/4538 WIA over de datum 1 juli 2019

2.2.

De rechtbank heeft bij aangevallen uitspraak 2 het beroep tegen bestreden besluit 3 ongegrond verklaard en daarmee dit besluit in stand gelaten.

Procedure in hoger beroep en standpunten van partijen

Standpunt van appellante

3.1.

Appellante is het met de uitspraken van de rechtbank niet eens. Appellante heeft onder andere aangevoerd dat de hele periode vanaf de datum van de eerste ziekmelding in 2014 tot aan de WIA-beoordeling per einde wachttijd in 2016, moet worden meegewogen bij de vraag of in 2018 en 2019 sprake is van toegenomen beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak. Volgens appellante is het Uwv in 2016 van een verkeerde diagnose uitgegaan en had uitgegaan moeten worden van NAH. Daarbij is van belang dat de diagnose fibromyalgie al eerder was gesteld. Volgens appellante is het Uwv er niet in geslaagd om buiten twijfel te stellen dat er geen verband is tussen de oorzaak van de arbeidsongeschiktheid in of vóór 2016 en de arbeidsongeschiktheid in 2018 en 2019. Bij brief van 26 februari 2025 heeft appellante aangevoerd dat zij vanaf haar eerste ziektedag op 16 oktober 2014 CVS/ME heeft. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft zij een rapport van cardioloog Van Campen van Cardiozorg van 18 december 2024 ingebracht waarin deze heeft geconcludeerd dat appellante vanaf 2011 CVS/ME heeft. De fibromyalgie is volgens Van Campen onderdeel van de CVS/ME. Dat in 2018 door een arts de diagnose NAH werd gesteld betekent niet dat hiervan pas in 2018 sprake was, dit was al het geval sinds 2011.

Standpunt van het Uwv/gewijzigde beslissing op bezwaar in ZW-zaak

3.2.

Het Uwv heeft naar aanleiding van de vragen van de Raad op 14 juni 2024 een nieuwe beslissing op bezwaar (bestreden besluit 4) genomen waarmee bestreden besluit 2 is gewijzigd. Het Uwv heeft het bezwaar van appellante alsnog gegrond verklaard en aan haar met ingang van 17 september 2018 een ZW-uitkering toegekend. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van 27 mei 2024 dat ten grondslag ligt aan dit besluit, te kennen gegeven dat de primaire verzekeringsarts in het rapport van 30 augustus 2018 heeft geconcludeerd dat er per 17 mei 2018 wel toegenomen beperkingen zijn (zij het niet ten gevolge van dezelfde ziekteoorzaak) en dat per 17 september 2018 geen sprake is van een toename ten opzichte van 17 mei 2018, maar wel ten opzichte van 13 oktober 2016. Per de datum 17 september 2018 was sprake van toegenomen beperkingen door fibromyalgie, gelijk aan de situatie op 17 mei 2018. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft alsnog een FML voor de datum 17 september 2018 opgesteld waarin onder meer een arbeidsduurbeperking is aangenomen die gelijk is aan de duurbeperking die is aangenomen met ingang van de latere datum 14 mei 2020. Hierdoor is appellante op de datum 17 september 2018 niet geschikt voor één van de in het kader van de WIA-beoordeling per 13 oktober 2016 geselecteerde functies en resteren er onvoldoende functies om de geschiktheid voor de maatstaf ‘haar arbeid’ aan te nemen. Het Uwv heeft de kosten voor het maken van bezwaar tot een bedrag van € 1.248,- vergoed.

3.3.

Wat betreft bestreden besluit 1 en bestreden besluit 3 heeft het Uwv zijn standpunt gehandhaafd dat de beperkingen die appellante had op de datum 17 mei 2018 en de datum 1 juli 2019 voortvloeien uit een andere oorzaak dan de beperkingen die zij had in de eerdere wachttijd voor de Wet WIA en op de datum 13 oktober 2016.

Zienswijze appellante naar aanleiding van de gewijzigde beslissing op bezwaar

3.4.

Appellante is het eens met de toekenning van de ZW-uitkering. Zij heeft aangevoerd dat er naar aanleiding van deze toekenning ook een WIA-beoordeling per 17 september 2020 moet plaatsvinden. Daarnaast heeft appellante betoogd dat zij zowel per 17 mei 2018 als per 1 juli 2019 volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is.

Het oordeel van de Raad

Conclusie en gevolgen

BESLISSING