Home

Centrale Raad van Beroep, 02-12-2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1778, 23/242 PW

Centrale Raad van Beroep, 02-12-2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1778, 23/242 PW

Gegevens

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
2 december 2025
Datum publicatie
18 december 2025
ECLI
ECLI:NL:CRVB:2025:1778
Zaaknummer
23/242 PW

Inhoudsindicatie

Toekenning bijstand als lening. Tekortschietend besef. Dwangsom. Vermogen. Interen. Opdracht nieuw besluit. Schadevergoeding redelijke termijn. In tegenstelling tot wat appellant heeft betoogd, zijn dwangsommen niet bedoeld als een vergoeding van mogelijke immateriële schade die het gevolg is van het te lang duren van een procedure. Een dwangsom heeft uitsluitend als doel het bestuursorgaan te prikkelen om tijdig te beslissen en kan daarom niet worden aangemerkt of gelijkgesteld met een schadevergoeding. Dit geldt zowel voor de dwangsommen genoemd in artikel 4:17 als in artikel 8:55d van de Awb. Het EVRM en de door appellant aangehaalde rechtspraak dwingen niet tot een andere conclusie. Tussen partijen is niet in geschil dat appellant een bedrag van € 11.500,- heeft overgemaakt naar zijn vrouw in Ethiopië. Het is aan het college om te motiveren en te beoordelen waarom bepaalde uitgaven onverantwoord zijn geweest. Het college heeft, ook ter zitting, in dit licht geen (kenbare) afweging gemaakt.

Uitspraak

23/242 PW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 29 november 2022, 21/2906 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Kaag en Braassem (college)

de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) (Staat)

Datum uitspraak: 2 december 2025

In deze uitspraak gaat het over de toekenning van bijstand aan appellant in de vorm van een lening over de periode 2 september 2020 tot en met 31 december 2020. De bijstand wordt verleend in de vorm van een lening, omdat appellant volgens het college te snel heeft ingeteerd op de aan hem toegekende dwangsom van € 15.000,-, waardoor hij sneller dan noodzakelijk bijstand nodig had. Appellant heeft aangevoerd dat de dwangsom als (immateriële) schadevergoeding moet worden aangemerkt. Verder vindt appellant dat het college het bedrag waarop appellant moest interen onjuist heeft vastgesteld, omdat hij noodzakelijke uitgaven heeft moeten doen. Appellant krijgt op dit laatste punt gelijk in zoverre dat het college dit onvoldoende gemotiveerd heeft. Het college zal een nieuw besluit moeten nemen.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J. Sprakel, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 23 september 2025. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Sprakel. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.M. de Jong.

Appellant heeft ter zitting verzocht om schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Naar aanleiding van dit verzoek heeft de Raad de Staat als partij aangemerkt.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.

1.1.

Appellant was [naam functie] en mensenrechtenactivist in Ethiopië en is naar Nederland gevlucht. Hij heeft hier een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd aangevraagd. Tegen de afwijzing van zijn aanvraag heeft appellant beroep ingesteld. Hierop heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid het afwijzende besluit ingetrokken. Bij uitspraak van 25 juli 2019 (NL19.4094) heeft de rechtbank het beroep van appellant, gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, gegrond verklaard en bepaald dat de staatssecretaris binnen 10 weken een besluit op de asielaanvraag moet nemen. De rechtbank heeft daarnaast met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaald dat de staatssecretaris een dwangsom verbeurt voor iedere dag dat hij in gebreke blijft de uitspraak na te leven. De dwangsom is vastgesteld op € 100,- per dag, met een maximum van € 15.000,-. Bij beschikking van 31 maart 2020 is appellant een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend. In dezelfde beschikking is aan appellant een dwangsom van € 15.000,- toegekend. Appellant heeft de dwangsom op 12 juni 2020 op zijn bankrekening ontvangen.

1.2.

Op 2 september 2020 heeft appellant bijstand aangevraagd op grond van de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande.

1.3.

Bij besluit van 5 november 2020 heeft het college de aanvraag om bijstand afgewezen.

Bij besluit van 4 februari 2021 (bestreden besluit) heeft het college het tegen de afwijzing gerichte bezwaar gegrond verklaard en appellant over de periode van 2 september 2020 tot en met 31 december 2020 bijstand toegekend in de vorm van een lening. Met ingang van 1 januari 2021 ontvangt appellant bijstand om niet. Het college heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat de noodzaak tot bijstandverlening in de periode 2 september 2020 tot en met 31 december 2020 het gevolg is van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan, omdat hij te snel op zijn vermogen heeft ingeteerd. Daarom is de bijstandverlening in die maanden met toepassing van artikel 48, tweede lid, aanhef en onder b, van de PW in de vorm van een lening toegekend.

Uitspraak van de rechtbank

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.

Het standpunt van appellant

3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad

Conclusie en gevolgen

BESLISSING

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke regels