Centrale Raad van Beroep, 02-12-2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1775, 23/1315 PW
Centrale Raad van Beroep, 02-12-2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1775, 23/1315 PW
Gegevens
- Instantie
- Centrale Raad van Beroep
- Datum uitspraak
- 2 december 2025
- Datum publicatie
- 12 december 2025
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2025:1775
- Zaaknummer
- 23/1315 PW
Inhoudsindicatie
Uitvoering executoriaal derdenbeslag. Maandelijkse afdracht vakantiegeld. Buiten kader beslag getreden. Toewijzing verzoek om schadevergoeding. Instandlating rechtsgevolgen. Uitgangspunt is dat de vakantietoeslag niet maandelijks wordt uitbetaald, maar maandelijks wordt gereserveerd en eenmaal per jaar wordt uitbetaald in juni. Dit brengt mee dat de vakantietoeslag niet opeisbaar is in de maanden dat het wordt gereserveerd, maar uitsluitend in de maand waarin het wordt uitbetaald. De vakantietoeslag van appellant werd jaarlijks uitgekeerd. Als gevolg daarvan was er in de maanden waarin de vakantietoeslag moest worden gereserveerd dus ook geen aan appellant uit te keren vakantietoeslag om aan de deurwaarder af te dragen. Dit betekent dat het college met de maandelijkse afdracht van het vakantiegeld niet is gebleven binnen het kader van het beslag. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Ter zitting heeft appellant toegelicht dat zijn schade ten gevolge van de maandelijkse afdracht van de vakantietoeslag € 268,60 bedraagt. Het college heeft dit niet betwist, zodat het verzoek wordt toegewezen.
Uitspraak
23/1315 PW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 17 maart 2023, 22/130 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Kerkrade (college)
Datum uitspraak: 2 december 2025
Het gaat in deze zaak om de uitvoering van een executoriaal derdenbeslag. Appellant heeft aangevoerd dat het college niet binnen de grenzen van het beslag is gebleven door de vakantietoeslag maandelijks af te dragen. Ook heeft appellant aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte niet op het verzoek om schadevergoeding heeft beslist. Appellant krijgt op beide punten gelijk. De Raad veroordeelt het college tot vergoeding van de door appellant geleden schade.
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. F.Y. Gans, advocaat, hoger beroep ingesteld en verzocht het college te veroordelen tot vergoeding van schade.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak gelijktijdig met de zaak met procedurenummer 23/3452 PW behandeld op een zitting van 9 september 2025. Voor appellant is mr. Gans verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door J. Pruis.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
Appellant ontvangt sinds 17 januari 2017 bijstand op grond van de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande met toepassing van de kostendelersnorm.
Op 27 mei 2021 heeft een deurwaarder, in verband met een schuld van appellant aan X, bij de gemeente Kerkrade executoriaal beslag gelegd op alle vorderingen die appellant heeft op de gemeente. In de aanzegging van het beslag staat onder meer wat de beslagvrije voet van appellant is en dat het per maand boven de beslagvrije voet uit te keren bedrag moet worden ingehouden en afgedragen aan de deurwaarder.
Onder verwijzing naar dit derdenbeslag heeft het college appellant met een besluit van 1 juni 2021 het volgende meegedeeld. De al gereserveerde vakantietoeslag en de vakantietoeslag die gedurende het beslag wordt opgebouwd valt onder het beslag. Gedurende de periode dat beslag is gelegd wordt geen vakantietoeslag meer gereserveerd, maar direct aan de beslaglegger uitbetaald. Met ingang van 1 juni 2021 wordt alles dat de beslagvrije voet van € 632,46 te boven gaat ten behoeve van de schuldeiser op de bijstand ingehouden. Dit betekent dat met ingang van 1 juni 2021 € 33,29 per maand aan de beslaglegger wordt uitbetaald.
Met een besluit van 1 december 2021 (bestreden besluit), voor zover hier van belang, heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 1 juni 2021 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat hij volledige medewerking moet geven aan het derdenbeslag en niet bevoegd is daarover een inhoudelijk oordeel te geven. Dit betekent dat bij de inhouding moet worden uitgegaan van de vordering waarvoor beslag wordt gelegd, zoals blijkt uit de executoriale titel, en dat de door de beslaglegger berekende beslagvrije voet moet worden vertaald in een daarop aansluitende inhouding. Met de maandelijkse afdracht van de vakantietoeslag wordt binnen de grenzen van het beslag gebleven.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met die uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.