Centrale Raad van Beroep, 25-11-2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1771, 23/2610 PW
Centrale Raad van Beroep, 25-11-2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1771, 23/2610 PW
Gegevens
- Instantie
- Centrale Raad van Beroep
- Datum uitspraak
- 25 november 2025
- Datum publicatie
- 12 december 2025
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2025:1771
- Zaaknummer
- 23/2610 PW
Inhoudsindicatie
Intrekking, herziening, beëindiging en terugvordering van bijstand. Middelen. Bezit woning. Inkomsten uit verhuur. Bijschrijvingen. Schending inlichtingenverplichting. Geen dringende redenen. Appellanten hebben geen melding gemaakt van de eigendom en verhuur van woning 2. De inlichtingenverplichting moet worden nagekomen ten aanzien van de afdeling van de gemeente die uitvoering geeft aan de PW. Bij de gemeente Haarlem is dat de afdeling SZW. De door appellanten genoemde afdelingen, respectievelijk VTH en de gemeenschappelijke regelingen Cocensus en Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland, geven geen uitvoering aan de PW. Ook hebben niet aannemelijk gemaakt dat het college daar al van op de hoogte was. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het college bij afweging van de betrokken belangen geen dringende redenen heeft hoeven aannemen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
Uitspraak
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 31 juli 2023, 22/3938 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant 1] en [appellant 2] te [woonplaats] (appellanten)
het college van burgemeester en wethouders van Haarlem (college)
Datum uitspraak: 25 november 2025
In deze zaak gaat het om de intrekking, herziening, beëindiging en terugvordering van bijstand. Volgens het college hebben appellanten de inlichtingenverplichting geschonden, omdat zij niet hebben gemeld dat zij eigenaar zijn van een tweede woning, dat zij inkomsten uit verhuur van die woning hadden, dat zij beschikten over diverse bij het college onbekende bankrekeningen en dat daarop kasstortingen en bijschrijvingen hebben plaatsgevonden. Het college stelt zich op het standpunt dat de bijschrijvingen en kasstortingen als inkomsten in mindering moeten worden gebracht op de bijstand en dat vanaf 1 januari 2019 sprake is van vermogen boven de vermogensgrens. Appellanten hebben aangevoerd dat zij de inlichtingenverplichting niet hebben geschonden en hebben verzocht om matiging van de terugvordering vanwege de lange duur van het onderzoek. Appellanten krijgen geen gelijk. Hun hoger beroep slaagt niet.
PROCESVERLOOP
Namens appellanten heeft mr. A.C.R. Molenaar, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Het college heeft nadere stukken ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 14 oktober 2025. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door mr. Molenaar. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door R.C.F. de Vos.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
Appellanten hebben samen met hun drie minderjarige kinderen in de Basisregistratie personen (Brp) ingeschreven gestaan op het adres van woning 2. Vanaf 19 april 2014 stonden zij allen ingeschreven op het adres van woning 1.
Het college heeft appellanten met een besluit 8 juli 2016 met terugwerkende kracht tot 16 september 2014 bijstand verleend op grond van de Participatiewet (PW) naar de norm voor gehuwden.
Naar aanleiding van een anonieme melding bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) heeft een handhavingsmedewerker van het Team Sociale Recherche en debiteurenbeheer van de gemeente Haarlem een onderzoek verricht naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand. In dat kader heeft de medewerker dossieronderzoek verricht, zijn diverse systemen en openbare bronnen op het internet geraadpleegd, is informatie opgevraagd bij bedrijven en zijn waarnemingen verricht. Uit het onderzoek is onder meer gebleken dat appellanten naast woning 1, ook eigenaar zijn van woning 2, dat op het adres van woning 2 sinds juli 2009 35 personen ingeschreven hebben gestaan en dat appellanten over de periode van 12 september 2014 tot en met 16 juli 2019 € 209.520,65 aan kasstortingen en bijschrijvingen hebben ontvangen op hun (deels onbekende) bankrekeningen bij ABN-AMRO-bank N.V. (ABN-AMRO) en ING-bank N.V. (ING). De resultaten van het onderzoek zijn vastgelegd in een rapport van 10 maart 2020. Omdat een benadelingsbedrag van meer dan € 50.000,- werd voorzien, is het onderzoek overgedragen aan een sociaal rechercheur, tevens buitengewoon opsporingsambtenaar, van de gemeente Haarlem.
De sociaal rechercheur heeft in het kader van een (strafrechtelijk) opsporingsonderzoek onder meer gegevens gevorderd bij de Belastingdienst, ABN-AMRO, ING, diverse hypotheekverstrekkers en verzekeringmaatschappijen, getuigen gehoord en appellanten afzonderlijk verhoord op 30 november 2021. Hieruit is onder andere gebleken dat appellanten woning 2 gedurende diverse periodes hebben verhuurd en dat zij kasstortingen en bijschrijvingen hebben ontvangen op hun (deels onbekende) bankrekeningen bij ABN-AMRO en ING. De onderzoeksbevindingen zijn vastgelegd in een voorlopig rapport van 13 december 2021. Op 5 januari 2022 is een aanvullend rapport opgesteld. De bevindingen van het strafrechtelijk onderzoek zijn vastgelegd in een procesverbaal van 21 maart 2022. Op 7 januari 2025 is naar aanleiding van een door appellanten overgelegd afschrift van een e-mailbericht van 21 oktober 2014 nog een nader proces-verbaal van bevindingen opgesteld.
De gemeente Haarlem heeft op 1 december 2021, aan appellanten betekend op 6 december 2021, conservatoir beslag gelegd op woning 1 en 2.
Met een besluit van 13 december 2021, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 22 juni 2022 (bestreden besluit), heeft het college het recht op bijstand van appellanten over verscheidene periodes van 16 september 2014 tot en met 14 december 2021 herzien en ingetrokken en de bijstand beëindigd per de dag na verzending van het besluit (15 december 2021). Ook zijn de ten onrechte gemaakte kosten van bijstand van appellanten teruggevorderd tot een bedrag van € 141.217,70. Aan het bestreden besluit ligt, samengevat weergegeven, het volgende ten grondslag. Appellanten hebben de inlichtingenverplichting geschonden. In de periode van 16 september 2014 tot en met 31 mei 2016 (periode 1) hebben appellanten niet gemeld dat zij eigenaar van woning 2 waren en inkomsten uit verhuur van die woning ontvingen. In de periode van 1 juni 2016 tot en met 31 december 2018 (periode 2) en de periode vanaf 1 januari 2019 (periode 3) hebben appellanten naast het niet melden van de eigendom van woning 2 en de inkomsten uit verhuur van die woning ook geen melding gedaan van kasstortingen en bijschrijvingen op hun bankrekeningen. In periode 3 was sprake van vermogen dat de grens van het vrij te laten vermogen overschrijdt. Als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting hebben appellanten in de drie periodes (gedeeltelijk) ten onrechte bijstand ontvangen.
Naar aanleiding van het opsporingsonderzoek dat onder 1.4 is genoemd zijn appellanten vervolgd voor uitkeringsfraude. Bij afzonderlijke vonnissen van 28 mei 2025 heeft de rechtbank Noord-Holland appellanten strafrechtelijk veroordeeld. Appellanten hebben ter zitting bij de Raad te kennen gegeven dat zij niet in hoger beroep zijn gegaan tegen deze vonnissen.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
Het standpunt van appellanten
3. Appellanten zijn het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat zij daartegen hebben aangevoerd wordt hierna besproken.