Centrale Raad van Beroep, 20-11-2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1724, 23/319 WSFBSF
Centrale Raad van Beroep, 20-11-2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1724, 23/319 WSFBSF
Gegevens
- Instantie
- Centrale Raad van Beroep
- Datum uitspraak
- 20 november 2025
- Datum publicatie
- 1 december 2025
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2025:1724
- Zaaknummer
- 23/319 WSFBSF
Inhoudsindicatie
Migrerende werknemer. Stage. Verklaring werkgever. Bewijskracht. De Raad is van oordeel dat appellante, gelet op het beschikbare bewijs over de inhoud van haar stage, niet kan worden aangemerkt als migrerend werknemer. De na de stage als student-assistent verrichte werkzaamheden zijn van een te geringe omvang om appellante op basis daarvan aan te merken als migrerend werknemer. Daarom heeft appellante over de periode april 2021 tot en met december 2021 geen recht op de door haar aangevraagde studiefinanciering.
Uitspraak
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 15 december 2022, 21/5572 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)
Datum uitspraak: 20 november 2025
De Raad is van oordeel dat appellante, gelet op het beschikbare bewijs over de inhoud van haar stage, niet kan worden aangemerkt als migrerend werknemer. De na de stage als student-assistent verrichte werkzaamheden zijn van een te geringe omvang om appellante op basis daarvan aan te merken als migrerend werknemer. Daarom heeft appellante over de periode april 2021 tot en met december 2021 geen recht op de door haar aangevraagde studiefinanciering.
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. P.S. Folsche, advocaat, hoger beroep ingesteld. De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 9 oktober 2025. Appellante is niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.J.M. Naber.
OVERWEGINGEN
Inleiding
Appellante heeft de nationaliteit van een lidstaat van de Europese Unie (niet de Nederlandse nationaliteit). Zij heeft studiefinanciering op grond van de Wsf 20001 aangevraagd met ingang van 1 april 2021, in de vorm van een reisvoorziening. Ter onderbouwing van de aanvraag heeft appellante een stageovereenkomst met de [naam stagebedrijf] ([stagebedrijf]) overgelegd voor 40 uur per week tegen een maandelijkse vergoeding van € 475,-. De overeenkomst geldt voor de periode van 8 maart 2021 tot 4 september 2021. Appellante staat, ten tijde van belang, ingeschreven voor de wo-masteropleiding Psychology, met als specialisatie Applied Cognitive Psychology.
Met een besluit van 29 april 2021 heeft de minister de aanvraag voor de periode april 2021 tot en met december 2021 afgewezen.
Met een besluit van 9 juli 2021 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van appellante tegen het besluit van 29 april 2021 ongegrond verklaard. De minister heeft daaraan ten grondslag gelegd dat appellante aan het EU-recht geen recht op studiefinanciering kan ontlenen. Zij was geen migrerend werknemer, en zij had nog geen duurzaam verblijfsrecht, want zij verbleef nog geen vijf jaar in Nederland.
Op 23 augustus 2021 heeft appellante zich ingeschreven als werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).
Van 14 september 2021 tot en met 31 december 2021 heeft appellante op basis van een payroll-overeenkomst met [naam B.V.] voor 15 uur per maand gewerkt als studentassistent bij de Universiteit [woonplaats] .
Uitspraak van de rechtbank
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd wegens een motiveringsgebrek. Vervolgens heeft de rechtbank de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand gelaten omdat zij van oordeel is dat de aanvraag van appellante voor studiefinanciering terecht is afgewezen. Voor zover hier van belang heeft de rechtbank daartoe als volgt overwogen. Volgens de rechtbank kan appellante op basis van de feiten die in deze zaak zijn gesteld tijdens de stage niet worden aangemerkt als een migrerend werknemer. Er kan niet worden gesproken van een gezagsverhouding tussen appellante en [stagebedrijf] en het was niet de bedoeling van [stagebedrijf] om appellante vertrouwd te laten worden met het reguliere werk van [stagebedrijf]. Appellante heeft verder niet aannemelijk gemaakt dat in de praktijk een andere invulling aan de stageovereenkomst is gegeven dan het volgen van een stage in het kader van haar afstuderen. De stagewerkzaamheden kunnen dan ook niet als reële en daadwerkelijke arbeid worden aangemerkt. Nu appellante tijdens de stageperiode niet de status van migrerend werknemer heeft verkregen, komt de rechtbank niet toe aan beantwoording van de vraag of appellante de status van werknemer na afloop van de stage heeft behouden. Verder kan appellante ook niet op grond van haar werkzaamheden als student-assistent als migrerend werknemer worden aangemerkt. De gemiddelde urenomvang van 3,75 uur per week in de periode van 14 september 2021 tot en met december 2021 is dermate gering dat sprake is van marginale werkzaamheden.
Het standpunt van partijen
Appellante is het niet eens met het oordeel van de rechtbank dat zij van april 2021 tot en met december 2021 geen recht heeft op studiefinanciering. Appellante heeft aangevoerd dat zij tijdens de stage bij [stagebedrijf] migrerend werknemer was en dat zij hierna deze status heeft behouden en/of van 14 september 2021 tot en met december 2021 (opnieuw) migrerend werknemer was op basis van haar werkzaamheden als student-assistent. Volgens appellante voldoet zij met haar stageovereenkomst aan de urennorm in het door de minister gevoerde beleid, zodat zij reeds daarom tijdens de stage migrerend werknemer was. Het onderzoekswerk dat appellante, tegen een vergoeding, voor [stagebedrijf] heeft verricht past voorts binnen het reguliere werk van [stagebedrijf] en verschillende artikelen in de stageovereenkomst wijzen op het bestaan van een gezagsverhouding tussen [stagebedrijf] en appellante. Omdat appellante zich als werkzoekende heeft ingeschreven bij het Uwv heeft zij na afloop van de stage op grond van artikel 7, derde lid, van Richtlijn 2004/382 de status van werknemer voor ten minste zes maanden behouden. Bovendien heeft appellante als student-assistent in de periode van september 2021 tot en met december 2021 reële en daadwerkelijke arbeid verricht.
De minister heeft gevraagd om de aangevallen uitspraak te bevestigen. De minister heeft ter zitting te kennen gegeven dat hij kort voor de zitting van appellante een getuigschrift van [stagebedrijf] heeft ontvangen. Dit getuigschrift is volgens de minister te mager om op grond daarvan ervan uit te gaan dat appellante voor [stagebedrijf] reële en daadwerkelijke arbeid heeft verricht. Het overgelegde bewijs leidt dan ook niet tot de conclusie dat de stage meer was dan een leertraject. Voor de werkzaamheden als student-assistent geldt dat zowel het geringe aantal uren als de korte duur van de arbeidsovereenkomst de conclusie rechtvaardigen dat sprake is van werkzaamheden van marginale aard.