Centrale Raad van Beroep, 20-11-2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1723, 23/3426 WSFBSF
Centrale Raad van Beroep, 20-11-2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1723, 23/3426 WSFBSF
Gegevens
- Instantie
- Centrale Raad van Beroep
- Datum uitspraak
- 20 november 2025
- Datum publicatie
- 1 december 2025
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2025:1723
- Zaaknummer
- 23/3426 WSFBSF
Inhoudsindicatie
Migrerende zelfstandige. Kenmerken zelfstandige. Migrerende werknemer. Urencriterium. Controletijdvak.
Appellante heeft onvoldoende gegevens overgelegd waaruit kan worden afgeleid dat zij als migrerend zelfstandige kan worden beschouwd. Niet aannemelijk gemaakt dat de in loondienst verrichte economische activiteiten reëel en daadwerkelijk waren. Omdat appellante vanaf september 2021 studiefinanciering heeft aangevraagd bestaat het controletijdvak 2021 uit de periode september 2021 tot en met december 2021. Uit de overgelegde gegevens wordt afgeleid dat appellante voor het eerst in de loop van de maand november in Nederland loondienstwerkzaamheden is gaan verrichten. Niet gemiddeld 32 uur per maand gewerkt. Niet gedurende minimaal 6 maanden gemiddeld minstens 24 uur per maand gewerkt.
Uitspraak
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 3 november 2023, 23/216 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)
Datum uitspraak: 20 november 2025
In geschil is of appellante in november en december 2021 recht had op studiefinanciering. De Raad komt tot het oordeel dat appellante in deze maanden niet kan worden beschouwd als migrerend zelfstandige en ook niet als migrerend werknemer omdat de door haar verrichte activiteiten in die maanden louter marginaal en bijkomstig waren.
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. P.S. Folsche, advocaat, hoger beroep ingesteld. De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 9 oktober 2025. Appellante is niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.J.M. Naber.
OVERWEGINGEN
Inleiding
Appellante heeft de Letse nationaliteit. Zij heeft op 25 januari 2022 studiefinanciering op grond van de Wsf 20001 aangevraagd. De aanvraag betreft een aanvullende beurs en een lening met ingang van 1 september 2021 en een reisvoorziening met ingang van 1 februari 2022.
Met een besluit van 28 maart 2022 heeft de minister aan appellante over de periode april 2022 tot en met september 2022 een aanvullende beurs, een lening en een reisvoorziening toegekend. Over de perioden september 2021 tot en met maart 2022 en oktober 2022 tot en met december 2022 is de aanvraag afgewezen.
Appellante heeft op 19 april 2022 bezwaar gemaakt tegen het besluit van 28 maart 2022, voor zover daarbij haar aanvraag is afgewezen.
Op 13 september 2022 heeft appellante aan de minister bericht dat de termijn voor het nemen van een beslissing op het bezwaar is verstreken en dat zij binnen twee weken een beslissing wenst te ontvangen.
Met een besluit van 8 november 2022 heeft de minister, naar aanleiding van een nieuwe aanvraag en overgelegde bewijsstukken, aan appellante over de periode oktober 2022 tot en met maart 2023 een aanvullende beurs, een lening en een reisvoorziening toegekend.
Met een besluit van 8 december 2022 heeft de minister aan appellante een (maximale) dwangsom toegekend wegens het niet tijdig beslissen op het bezwaar.
Appellante heeft op 9 januari 2023 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar.
Met een besluit van 7 februari 2023 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar tegen het besluit van 28 maart 2022 gegrond verklaard voor de maanden januari 2022 tot en met maart 2022 en ongegrond verklaard voor de periode september 2021 tot en met december 2022 (bedoeld was volgens de minister: december 2021). De minister heeft daaraan ten grondslag gelegd dat appellante over de maanden januari 2022 tot en met maart 2022 recht heeft op studiefinanciering omdat zij in die maanden kan worden aangemerkt als migrerend werknemer. Over de maanden september 2021 tot en met december 2021 heeft appellante op grond van het EU-recht geen recht op studiefinanciering. Zij was in die maanden geen migrerend werknemer en zij verbleef ook niet al vijf jaar in Nederland.
Appellante heeft haar beroep na het nemen van het bestreden besluit gehandhaafd.
Uitspraak van de rechtbank
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd, voor zover het betreft de maanden oktober 2022 tot en met december 2022. De rechtbank heeft bepaald dat aan appellante over die maanden studiefinanciering wordt toegekend en dat haar uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde deel van het bestreden besluit. Voor de maanden september 2021 tot en met december 2021 is het beroep ongegrond verklaard. Gelet op de marginale werkzaamheden en het geringe verdiende loon is zij in die periode door de minister terecht niet als migrerend werknemer aangemerkt. De rechtbank heeft de minister veroordeeld in de proceskosten van appellante voor verleende rechtsbijstand tot een bedrag van € 1.674,-. Hierbij is uitgegaan van 1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor de zitting, met een wegingsfactor 1.
Het standpunt van partijen
Appellante heeft berust in het oordeel van de rechtbank over de maanden september en oktober 2021. Zij is het echter niet eens met het oordeel van de rechtbank dat zij in de maanden november 2021 en december 2021 geen recht heeft op studiefinanciering. Appellante heeft aangevoerd dat zij gelet op alle feiten en omstandigheden ook in die maanden een migrerend werknemer was. Weliswaar heeft zij in die maanden maar respectievelijk 7 en 16 uren gewerkt voor [naam B.V. 1] ( [naam B.V. 1] ) maar deze arbeidsverhouding is bestendig gebleken en op basis van deze arbeidsverhouding is zij in 2022 door de minister als migrerend werknemer aangemerkt. Bovendien dient rekening te worden gehouden met haar werkzaamheden als zelfstandige. Verder is appellante het niet eens met de hoogte van de door de rechtbank toegekende proceskostenvergoeding. Volgens appellante had de rechtbank een punt met een waarde 0,5 extra moeten toekennen in verband met het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit.
De minister heeft de Raad verzocht het oordeel van de rechtbank over de maanden november en december 2021 te bevestigen. Niet is gebleken dat appellante in de maanden november 2021 en december 2021 als zelfstandige heeft gewerkt. Omdat appellante op 4 november 2021 in dienst is getreden bij [naam B.V. 1] en dus op de peildatum 1 november 2021 nog niet werkte bij [naam B.V. 1] kan zij voor deze maand – nog afgezien van het geringe aantal gewerkte uren – niet worden aangemerkt als migrerend werknemer.2 Het aantal in december 2021 bij [naam B.V. 1] gewerkte uren is te gering om hieraan de status van migrerend werknemer te ontlenen. Appellante is iets meer dan een jaar werkzaam geweest bij deze werkgever; volgens de minister is dit te kort om te concluderen dat er sprake is van een bestendige arbeidsverhouding die zou moeten leiden tot het oordeel dat appellante in december 2021 ook als migrerend werknemer moet worden aangemerkt. De minister ziet geen aanleiding voor een hogere proceskostenvergoeding omdat er maar één beroepschrift is ingediend en er dus geen sprake is van een extra proceshandeling.