Centrale Raad van Beroep, 20-11-2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1718, 24/1669 WLZ
Centrale Raad van Beroep, 20-11-2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1718, 24/1669 WLZ
Gegevens
- Instantie
- Centrale Raad van Beroep
- Datum uitspraak
- 20 november 2025
- Datum publicatie
- 8 december 2025
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2025:1718
- Zaaknummer
- 24/1669 WLZ
Inhoudsindicatie
Intrekking, lagere vaststelling, wijziging en terugvordering Pgb. Het zorgkantoor heeft op basis van onderzoeksrapporten vastgesteld dat een onjuiste voorstelling van zaken is gegeven over de besteding van het pgb en dat niet kan worden opgemaakt dat zorgverlener 1 en 2 daadwerkelijk de overeengekomen zorg aan appellant hebben verleend. De Raad is, net als de rechtbank, van oordeel dat het zorgkantoor bevoegd was het pgb per 1 april 2023 in te trekken, het pgb over 2022 lager vast te stellen, de vaststelling van het pgb over 2021 te wijzigen en teveel betaalde bedrag van appellant terug te vorderen.
Uitspraak
24/1669 WLZ
Datum uitspraak: 20 november 2025
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 4 juni 2024, 23/9513 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
VGZ Zorgkantoor B.V. (zorgkantoor)
SAMENVATTING
Aan appellant is op grond van de Wlz meerdere jaren een pgb verleend. In deze zaak gaat het om de vraag of het zorgkantoor het pgb van appellant per 1 april 2023 heeft mogen intrekken, het pgb over 2022 lager heeft mogen vaststellen, de vaststelling van het pgb over 2021 heeft mogen wijzigen en – in het verlengde daarvan – het teveel betaalde bedrag heeft mogen terugvorderen. Net als de rechtbank beantwoordt de Raad deze vraag bevestigend.
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. A. Kara, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het zorgkantoor heeft een verweerschrift ingediend.
Namens appellant zijn nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 oktober 2025. Voor appellant is verschenen zijn zus [naam zus] , die zijn bewindvoerder en wettelijk vertegenwoordiger is. Zij is bijgestaan door mr. Kara. Het zorgkantoor heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N. Hovens-Moghtadir, mr. M. Santegoeds en I. Budziak.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
Appellant, geboren in 2003, woont bij zijn ouders. Hij heeft een zware vorm van het downsyndroom en kan niet praten. Hij is geïndiceerd voor zorg op grond van het bepaalde bij en krachtens de Wet langdurige zorg (Wlz). Het zorgkantoor heeft appellant voor het realiseren van de zorg vanaf eind 2015 een persoonsgebonden budget (pgb) verleend. Appellant is budgethouder en zijn zus [naam zus] is zijn gewaarborgde hulp, bewindvoerder en wettelijk vertegenwoordiger. De moeder van appellant, de heer [naam zorgverlener 1] (zorgverlener 1) en mevrouw [naam zorgverlener 2] (zorgverlener 2) hebben zorg in rekening gebracht zoals vastgelegd in onderscheiden zorgovereenkomsten en zorgbeschrijvingen.
Het zorgkantoor heeft op 14 juni 2022 een melding ontvangen van de politie ZeelandWestBrabant dat zorgverlener 1 en 2 niet de overeengekomen zorg zouden hebben verleend aan appellant. Zorgverlener 1 was namelijk werkzaam bij een bakkerij in [woonplaats] en zorgverlener 2 is geëmigreerd. Op 17 juni 2022 heeft de afdeling Veiligheidszaken van het zorgkantoor een onderzoek ingesteld. Op 2 augustus 2022 heeft de afdeling Veiligheidszaken de zus van appellant gehoord, naar aanleiding waarvan het zorgkantoor aanvullende informatie bij haar heeft opgevraagd. Op 16 september 2022 heeft het zorgkantoor de voorlopige onderzoeksbevindingen gedeeld. De bevindingen van het onderzoek zijn opgenomen in een rapport van 18 november 2022.
Met een besluit van 2 februari 2023 heeft het zorgkantoor het pgb over 2023 per 1 april 2023 ingetrokken. Hieraan heeft het zorgkantoor ten grondslag gelegd dat een onjuiste voorstelling van zaken is gegeven over de besteding van het pgb. De zorgovereenkomsten, de zorgbeschrijvingen en de verklaringen van de zus van appellant en zorgverlener 1 komen niet overeen met de werkelijkheid. Onduidelijk is wie zorg heeft verleend en in welke mate.
Met afzonderlijke besluiten van 7 februari 2023 heeft het zorgkantoor de vaststellingen van het pgb over de jaren 2016 tot en met 2021 gewijzigd. Daarnaast heeft het zorgkantoor met een besluit van 15 december 2022 het pgb voor het jaar 2022 lager vastgesteld.
Het zorgkantoor heeft in verband hiermee in totaal € 261.599,97 van appellant teruggevorderd.
Met een besluit van 27 juli 2023 (bestreden besluit) heeft het zorgkantoor naar aanleiding van het bezwaar tegen de in 1.3 tot en met 1.5 genoemde besluiten de gewijzigde vaststelling over 2021, de lagere vaststelling over 2022 en de intrekking van het pgb per 1 april 2023 in stand gelaten en de terugvordering verlaagd van € 261.599,97 naar € 81.006,41.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Naar het oordeel van de rechtbank is het onderzoek van het zorgkantoor voldoende zorgvuldig en uitgebreid geweest, met voldoende hoor- en wederhoor. Het zorgkantoor heeft aannemelijk gemaakt dat is voldaan aan de voorwaarden die gesteld worden aan een belastend besluit als het bestreden besluit. Daarbij heeft het zorgkantoor doorslaggevende waarde mogen toekennen aan de bij de politie afgelegde verklaringen van de zus van appellant en van zorgverlener 1 en de bevinding dat zorgverlener 2 uit Nederland is vertrokken. Het zorgkantoor was dan ook bevoegd om het pgb te beëindigen per 1 april 2023. Het zorgkantoor heeft in het bestreden besluit op steekhoudende wijze onderbouwd waarom geen overwegend gewicht is toegekend aan het belang van appellant bij het voortzetten van het pgb. Het zorgkantoor was ook bevoegd om de vaststelling van het pgb over het jaar 2021 te wijzigen, het pgb over 2022 lager vast te stellen en het onverschuldigd betaalde pgb terug te vorderen. Ook hier heeft het zorgkantoor een houdbare belangenafweging gemaakt. Daarbij heeft de rechtbank betrokken dat het zorgkantoor het pgb over de jaren 2017 tot en met 2020 uiteindelijk niet heeft gewijzigd, waardoor het teruggevorderde bedrag is verlaagd van € 180.593,56 naar € 81.006,41.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat daartegen is aangevoerd, wordt hierna besproken.