Home

Centrale Raad van Beroep, 20-11-2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1717, 24/2132 AOW

Centrale Raad van Beroep, 20-11-2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1717, 24/2132 AOW

Gegevens

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20 november 2025
Datum publicatie
8 december 2025
ECLI
ECLI:NL:CRVB:2025:1717
Zaaknummer
24/2132 AOW

Inhoudsindicatie

Weigering tegemoetkoming toe te kennen over de periode tot 1 mei 2010 op grond van de Regeling tijdelijke tegemoetkoming rijnvarenden. De periode valt buiten het toepassingsbereik van de Regeling.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 23 juli 2024, 23/3637 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (minister)

Datum uitspraak: 20 november 2025

In deze zaak gaat het om de vraag of de minister terecht heeft geweigerd om appellant over een periode vóór 1 mei 2010 een tegemoetkoming toe te kennen op grond van de Regeling. Appellant heeft gesteld dat deze weigering onrechtmatig is. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat daarvan geen sprake is.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.J. van Dam, advocaat, hoger beroep ingesteld. De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Hierna hebben partijen nog nadere stukken ingediend.

De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 17 juli 2025. Voor appellant is mr. Van Dam verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J. in 't Veld en S.C.L. van Dijk.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Voor de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.

1.1.

Appellant heeft op de loonlijst gestaan van [scheepsmanagementbureau] te [plaats] ( [scheepsmanagementbureau] ) voor werkzaamheden die hij als rijnvarende heeft verricht op een binnenschip van [naam B.V.] te [vestigingsplaats] .

1.2.

Op 17 juni 2022 heeft appellant bij de minister een tegemoetkoming aangevraagd op grond van de Regeling tijdelijke tegemoetkoming rijnvarenden (de Regeling).1 Daarbij heeft appellant onder meer vermeld dat hij over de periode van 1 januari 2007 tot en met 31 juli 2011 premies voor de Nederlandse volksverzekeringen verschuldigd is, terwijl over die periode (behoudens van 14 november 2007 tot 24 juli 2009) premies voor de [plaats] socialezekerheidswetgeving op zijn loon werden ingehouden.

1.3.

De minister heeft vervolgens bij besluit van 27 oktober 2022 op grond van de Regeling aan appellant over 1 mei 2010 tot en met 31 juli 2011 een tegemoetkoming toegekend van € 7.302,-. Daarnaast heeft de minister geweigerd om appellant over 1 januari 2007 tot 1 mei 2010 ook een tegemoetkoming toe te kennen op de grond dat die periode niet binnen het toepassingsbereik van de Regeling valt.

1.4.

Appellant heeft tegen het onder 1.3 genoemde besluit bezwaar gemaakt. Dit bezwaar is bij besluit van 13 april 2023 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard. Vervolgens heeft appellant beroep ingesteld bij de rechtbank.

Uitspraak van de rechtbank

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Appellant heeft in feite betoogd dat artikel 1, eerste lid, onderdeel h, van de Regeling wegens strijd met een aantal algemene beginselen van behoorlijk bestuur buiten toepassing moet worden gelaten, zodat ook buiten de in de Regeling genoemde relevante periode aanspraak kan worden gemaakt op een tegemoetkoming. In haar uitspraak heeft de rechtbank vastgesteld dat de Regeling een algemeen verbindend voorschrift is, niet zijnde een wet in formele zin. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat de Regeling en het bestreden besluit de aan te leggen exceptieve en rechtstreekse toetsing doorstaan. De rechtbank heeft hiertoe onder meer overwogen dat de door de regelgever gekozen ingangsdatum voor de regeling niet op een onredelijke wijze is beargumenteerd en dat de toepassing van de Regeling in het geval van appellant ook geen strijd oplevert met de door appellant aangevoerde beginselen van behoorlijk bestuur. Er is geen sprake van schending van het gelijkheidsbeginsel nu appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat verweerder in een geval dat vergelijkbaar is aan het zijne wel een tegemoetkoming heeft toegekend voor een periode die buiten de in de Regeling genoemde relevante periode valt. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt evenmin omdat appellant ter onderbouwing van zijn beroep op het vertrouwensbeginsel slechts heeft verwezen naar het verslag van een algemeen overleg in de Tweede Kamer, aan welk verslag geen verwachtingen kunnen worden ontleend.

Herzienings- en terugvorderingsbesluit van 25 september 2024

3. Bij besluit van 25 september 2024, gehandhaafd bij besluit op bezwaar van 20 december 2024, heeft de minister het onder 1.3 genoemde besluit van 27 oktober 2022 herzien, in die zin dat de toekenning van een tegemoetkoming aan appellant ongedaan is gemaakt en € 7.302,- van appellant is teruggevorderd. Appellant voldoet volgens de minister niet aan de voorwaarden van de Regeling,- van appellant is teruggevorderd. Appellant voldoet volgens de minister niet aan de voorwaarden van .

Het standpunt van appellant

4.1.

Appellant is het niet eens met de aangevallen uitspraak. De Regeling moet niet worden aangemerkt als een algemeen verbindend voorschrift, niet zijnde een wet in formele zin, maar als een beleidsregel, waarvan de minister in het voordeel van appellant had moeten afwijken. Indien de Regeling terecht zou zijn aangemerkt als een algemeen verbindend voorschrift, niet zijnde een wet in formele zin, had de in de aangevallen uitspraak aangelegde exceptieve en rechtstreekse toetsing ook moeten leiden tot een voor hem gunstig resultaat. Overleg tussen Nederland en [plaats] heeft niet geleid tot de eerder nagestreefde oplossingen en met de Regeling is minder gerealiseerd dan door de verantwoordelijke bewindslieden aan de Tweede Kamer is toegezegd. De rechtbank heeft, mede gelet op artikel 50 van de Grondwet, ten onrechte geoordeeld dat appellant geen in rechte te honoreren verwachtingen kan ontlenen aan toezeggingen die bewindslieden, voorafgaande aan de totstandkoming van de Regeling, hebben gedaan aan de Tweede Kamer. Verder rechtvaardigt het feit dat de Rijnvarendenovereenkomst dateert van februari 2011 terwijl Verordening 883/2004 al op 1 mei 2010 in werking trad, niet dat hem over 1 januari 2007 tot 1 mei 2010 een tegemoetkoming wordt onthouden. De veronderstelling van de regelgever bij de bepaling van het toepassingsbereik van de Regeling, dat over de werking van het Rijnvarendenverdrag geen onduidelijkheid kon bestaan, berust op een misvatting. Er is sinds 2005 immers veel geprocedeerd over wat de juiste uitleg en toepassing is van het Rijnvarendenverdrag. De minister had de Regeling in het geval van appellant hoe dan ook overeenkomstig moeten toepassen over de periode van 1 januari 2007 tot 1 mei 2010, omdat appellant toen in een vergelijkbare situatie verkeerde als in de periode van 1 mei 2010 tot en met 31 juli 2011: zowel over periodes vóór als over periodes ná 1 mei 2010 is appellant premies verschuldigd voor de Nederlandse volksverzekeringen, terwijl [scheepsmanagementbureau] zowel vóór als ná 1 mei 2010 premies voor de [plaats] socialezekerheidswetgeving op zijn loon heeft ingehouden die niet aan hem zijn terugbetaald. Ten slotte berust het herzienings- en terugvorderingsbesluit van 25 september 2024 ook op de onbewezen en onjuiste aanname dat in [plaats] ingehouden socialezekerheidspremies aan appellant zijn terugbetaald.

Het standpunt van de minister

4.2.

De minister heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen. Appellant heeft volgens de minister geen recht op een tegemoetkoming wegens dubbele lasten over periodes voorafgaande aan 1 mei 2010, omdat de regelgever het toepassingsbereik van de Regeling weloverwogen heeft beperkt tot de periode van 1 mei 2010 tot en met 31 december 2015, terwijl niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan dit niet aan appellant mag worden tegengeworpen. De minister heeft ter zitting gemeld het herzienings- en terugvorderingsbesluit van 25 september 2024 in te trekken, omdat dit besluit berust op een onjuiste aanname.

Het oordeel van de Raad

Conclusie en gevolgen

BESLISSING

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels