Centrale Raad van Beroep, 11-11-2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1706, 23/2570 PW
Centrale Raad van Beroep, 11-11-2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1706, 23/2570 PW
Gegevens
- Instantie
- Centrale Raad van Beroep
- Datum uitspraak
- 11 november 2025
- Datum publicatie
- 4 december 2025
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2025:1706
- Zaaknummer
- 23/2570 PW
Inhoudsindicatie
Terugvordering van bijstand. Achteraf verkregen middelen. Onjuiste vermogensvaststelling. Geen geslaagd beroep op evenredigheidsbeginsel. Zelf voorzien. Het college heeft de berekening van het vermogen van appellante op de peildatum ten onrechte beperkt tot het door appellante ontvangen bedrag uit de verkoop van de voormalige echtelijke woning en het banksaldo op de peildatum, minus leefgeld. Het college had ook moeten onderzoeken of appellante schulden had op de peildatum. Het college heeft bij de terugvordering met toepassing van art. 58 lid 2 onder f ten eerste geen blijk gegeven van een onevenwichtige belangenafweging. Niet is vereist dat de betrokkene al bij de bijstandsverlening wordt geïnformeerd over een mogelijke latere terugvordering.
Uitspraak
23/2570 PW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 25 juli 2023, 22/4475 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Renkum (college)
Datum uitspraak: 11 november 2025
Deze zaak gaat over een terugvordering in verband met middelen die appellante na haar echtscheiding uit de onverdeelde boedel heeft verkregen. Deze middelen bestonden onder meer uit de voormalige echtelijke woning. Appellante voert aan dat de fictieve vermogensvaststelling die aan de terugvordering ten grondslag ligt onjuist is geweest en dat het besluit om terug te vorderen in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Appellante krijgt voor een deel gelijk wat de eerste grond betreft en geen gelijk wat de tweede grond betreft.
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. J.P.J. Botterblom, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 4 maart 2025. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Botterblom. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Eerens.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
Met een besluit van 6 oktober 2014 heeft het college aan appellante met ingang van 16 september 2014 bijstand toegekend op grond van de Wet werk en bijstand, naar de norm voor een alleenstaande ouder verblijvend in een inrichting. In een rapport van 1 oktober 2014, dat naar aanleiding van de aanvraag van appellante is opgesteld, is vermeld dat appellante in augustus 2012 is gescheiden van X, dat ten tijde van de aanvraag en de ingangsdatum van de bijstand de echtelijke boedel nog niet was verdeeld, dat tot de boedel een woning behoorde waarvan de WOZ-waarde € 148.000,- bedroeg en dat op de woning een hypotheekschuld van € 202.500,- rustte. Verder is in het rapport vermeld dat het college het vermogen van appellante voorlopig heeft vastgesteld op een bedrag van € 1.576,95.
Met ingang van 1 januari 2015 ontving appellante de bijstand op grond van de Participatiewet (PW). Met ingang van 13 februari 2015 heeft het college de bijstand van appellante herzien naar de norm voor een alleenstaande ouder.
De bewindvoerder van appellante heeft met een wijzigingsbericht van 22 oktober 2021 aan het college gemeld dat appellante op 13 oktober 2021 uit de verkoop van de voormalige echtelijke woning een bedrag van € 40.683,51 heeft ontvangen.
Met een besluit van 15 december 2021, na bezwaar gedeeltelijk gehandhaafd met een besluit van 20 juli 2022 (bestreden besluit), heeft het college de over de periode van 16 september 2014 tot en met 9 mei 2017 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van uiteindelijk € 28.111,89 (netto) van appellante teruggevorderd. Het college heeft de terugvordering gebaseerd op artikel 58, tweede lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de PW,89 (netto) van appellante teruggevorderd. Het college heeft de terugvordering gebaseerd op artikel 58, tweede lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de , omdat sprake is van naderhand verkregen middelen die zien op een periode waarover bijstand is verleend. Appellante had vanaf de aanvang van de bijstand aanspraak op haar aandeel in de onverdeelde boedel na haar echtscheiding en heeft op 13 oktober 2021 na verkoop van de voormalige echtelijke woning en na aftrek van de kosten feitelijk de beschikking gekregen over een bedrag van € 38.234,94.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat zij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.