Centrale Raad van Beroep, 11-11-2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1705, 23/868 PW
Centrale Raad van Beroep, 11-11-2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1705, 23/868 PW
Gegevens
- Instantie
- Centrale Raad van Beroep
- Datum uitspraak
- 11 november 2025
- Datum publicatie
- 4 december 2025
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2025:1705
- Zaaknummer
- 23/868 PW
Inhoudsindicatie
Gedeeltelijke toekenning bijzondere bijstand. Kosten bewindvoering. Draagkracht. Beroep op evenredigheidsbeginsel. Rechterlijke toetsing. Geen onredelijke beleidsbepaling. Geen bijzondere omstandigheden. Indien de aanvrager zich erop beroept dat het beleid en/of besluit over draagkracht in strijd is met het evenredigheidsbeginsel, dient de bestuursrechter zoals voorheen te beoordelen of de bijstandsverlenende instantie met dit beleid binnen de grenzen van een redelijke beleidsbepaling is gebleven. Het door het college gemaakte onderscheid naar toepasselijke bijstandsnorm en de beslissing om een bedrag ter hoogte van 2,5 keer de toepasselijke bijstandsnorm vrij te laten, is gebaseerd op het gangbare kostenpatroon van de betrokkene. In zoverre is uitsluitend in ogenschouw genomen wat betrokkene gelet op zijn leefsituatie en kostenpatroon van de noodzakelijke kosten zelf kan dragen. Niet kan worden gezegd dat het college, gezien de hem toekomende beoordelingsruimte, daarmee niet binnen de grenzen van een redelijke beleidsbepaling is gebleven. Appellant heeft verder geen bijzondere omstandigheden aangevoerd op grond waarvan het college met (analoge) toepassing van artikel 4:84 van de Awb van dat beleid had moeten afwijken.
Uitspraak
23/868 PW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 9 februari 2023, 22/1699 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Deventer (college)
Datum uitspraak: 11 november 2025
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak om de hoogte van de door het college aan appellant toegekende bijzondere bijstand voor de kosten van bewindvoering. Het college heeft slechts voor een deel van die kosten bijzondere bijstand toegekend, met als reden dat appellant volgens het beleid van de gemeente Deventer draagkracht in zijn vermogen heeft en gedeeltelijk zelf in de kosten kan voorzien. Appellant is het daar niet mee eens. Volgens appellant is het beleid van het college in strijd met het evenredigheidsbeginsel. De Raad is het eens met het oordeel van de rechtbank dat het beleid de grenzen van een redelijke beleidsbepaling niet te buiten gaat. Het bestreden besluit is in overeenstemming met het beleid en het college hoefde niet van het beleid af te wijken. Daarom slaagt het hoger beroep niet en houdt het bestreden besluit stand.
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. L.J.T. Hoksbergen, advocaat, hoger beroep ingesteld.
De zaak was aanvankelijk geagendeerd op 17 december 2024 voor een behandeling door een enkelvoudige kamer. Die heeft de zaak in verband met de inhoud van de zaak verwezen naar de meervoudige kamer.
De meervoudige kamer van de Raad heeft de zaak vervolgens behandeld op een zitting van 15 april 2025. Namens appellant is mr. Hoksbergen verschenen. Tevens was aanwezig [naam bewindvoerder] , bewindvoerder. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door F.J.M. Wijnberg.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
Appellant ontvangt bijstand ingevolge de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande met verblijf in een instelling. Appellant staat sinds 2019 onder bewind van [naam B.V.] te [vestigingsplaats] (bewindvoerder). Hij ontving sindsdien bijzondere bijstand voor de kosten van bewindvoering. De bewindvoerder heeft op 31 december 2021 namens appellant bijzondere bijstand aangevraagd voor de kosten van bewindvoering over het jaar 2022 tot een bedrag van € 125,53 per maand.
In een rapportage van 15 maart 2022, die naar aanleiding van deze aanvraag is opgesteld, staat dat volgens de Beleidsregels bijzondere bijstand gemeente Deventer 2021 (Beleidsregels) voor de draagkracht in vermogen 2,5 keer de op appellant van toepassing zijnde bijstandsnorm wordt vrijgelaten. Omdat de instellingsnorm € 378,68 per maand bedraagt, wordt van het vermogen van appellant, in de vorm van banksaldi ter hoogte van € 1.646,73, een bedrag van € 949,29 vrijgelaten. De draagkracht van appellant is dus € 697,53 per jaar en € 58,13 per maand. Hij heeft daarom per 1 januari 2022 recht op bijzondere bijstand voor de kosten van bewindvoering tot een bedrag van € 67,41 per maand.
Met een besluit van 15 maart 2022, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 12 september 2022 (bestreden besluit), heeft het college aan appellant bijzondere bijstand toegekend tot een bedrag van € 67,41 per maand. Aan de besluitvorming heeft het college, onder verwijzing naar de Beleidsregels ten grondslag gelegd dat appellant draagkracht heeft in zijn vermogen tot een bedrag van € 58,13 per maand en dus tot dat bedrag de kosten van bewindvoering zelf kan voldoen.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee dat besluit in stand gelaten.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de aangevallen uitspraak niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.