Home

Centrale Raad van Beroep, 06-11-2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1668, 24/1039 AOW

Centrale Raad van Beroep, 06-11-2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1668, 24/1039 AOW

Gegevens

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
6 november 2025
Datum publicatie
25 november 2025
ECLI
ECLI:NL:CRVB:2025:1668
Zaaknummer
24/1039 AOW

Inhoudsindicatie

Toekenning AOW-pensioen met een korting van 10% vanwege vijf niet verzekerde jaren blijft in stand. In het besluit op bezwaar heeft de Svb enkele perioden waarin betrokkene in het buitenland werkte alsnog als in Nederland verzekerde tijdvakken aangemerkt. Uit door de Duitse instanties tijdens de bezwaarprocedure aan de Svb verstrekte informatie bleek echter dat betrokkene in een periode die in eerste instantie door de Svb als verzekerd tijdvak was aangemerkt een Duitse werkloosheidsuitkering had ontvangen. Daarom heeft de Svb die periode in het besluit op bezwaar alsnog als niet verzekerd aangemerkt. Als gevolg daarvan werd het aantal niet-verzekerde jaren niet verminderd en werd de korting op het AOW-pensioen gehandhaafd op 10%. Volgens de rechtbank leverde deze gang van zaken reformatio in peius op. De Raad gaat daar niet in mee.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 26 maart 2024, 23/5543 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

De Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank te Amstelveen (Svb)

[Betrokkene] (betrokkene)

Datum uitspraak: 6 november 2025

In deze zaak gaat het om een besluit tot toekenning van een AOW-pensioen met een korting van 10% vanwege vijf niet-verzekerde jaren. In het besluit op bezwaar heeft de Svb enkele perioden waarin betrokkene in het buitenland werkte alsnog als in Nederland verzekerde tijdvakken aangemerkt. Uit door de Duitse instanties tijdens de bezwaarprocedure aan de Svb verstrekte informatie bleek echter dat betrokkene in een periode die in eerste instantie door de Svb als verzekerd tijdvak was aangemerkt een Duitse werkloosheidsuitkering had ontvangen. Daarom heeft de Svb die periode in het besluit op bezwaar alsnog als nietverzekerd aangemerkt. Als gevolg daarvan werd het aantal niet-verzekerde jaren niet verminderd en werd de korting op het AOW-pensioen gehandhaafd op 10%. Volgens de rechtbank leverde deze gang van zaken reformatio in peius op. De Raad gaat daar niet in mee.

PROCESVERLOOP

De Svb heeft hoger beroep ingesteld. Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend en incidenteel hoger beroep ingesteld. De Svb heeft een zienswijze op het incidenteel hoger beroep ingediend.

De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 25 september 2025. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N. Zuidersma-Hovers. Betrokkene is eveneens verschenen.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.

1.1.

Met een besluit van 6 januari 2023 heeft de Svb aan betrokkene met ingang van 14 november 2022 een AOW1-pensioen toegekend ter hoogte van 90% van een volledig pensioen, omdat zij in totaal (afgerond) vijf jaar niet in Nederland verzekerd is geweest. Betrokkene is niet verzekerd geacht in de perioden: van 11 januari 2000 tot en met 23 juli 2000; van 5 maart 2007 tot en met 31 juli 2007; van 16 oktober 2007 tot en met 30 juni 2012.

1.2.

Met een besluit van 28 juli 2023 (bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 6 januari 2023 gegrond verklaard en betrokkene alsnog verzekerd geacht over de eerder uitgesloten tijdvakken in het jaar 2007. Nader onderzoek heeft echter uitgewezen dat betrokkene niet verzekerd is geweest van 1 juli 2012 tot en met 30 september 2012. Hierdoor blijft sprake van een niet-verzekerde periode van afgerond vijf jaar en dus van een korting van 10% op het AOW-pensioen.

Uitspraak van de rechtbank

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en het besluit van 6 januari 2023 herroepen. De rechtbank heeft de Svb opgedragen betrokkene in de maanden juli, augustus en september 2012 verzekerd te achten voor de AOW, en bepaald dat zijn uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit. Ook is de Svb opgedragen aan betrokkene het griffierecht te vergoeden.

2.1.

De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat de Svb betrokkene terecht niet verzekerd heeft geacht over de jaren 2008 en 2009. Betrokkene werkte toen in Duitsland en Nederland en had volgens de rechtbank haar woonplaats in Duitsland, zodat de Duitse socialezekerheidswetgeving op haar van toepassing was.

2.2.

Volgens de rechtbank mocht de Svb betrokkene echter niet alsnog onverzekerd achten in de maanden juli, augustus en september 2012 omdat het bestreden besluit in zoverre leidt tot een verslechtering van de rechtspositie van betrokkene. Als deze drie maanden in 2012 als verzekerde tijdvakken zouden gelden, zou namelijk sprake zijn van een niet-verzekerde periode van afgerond vier jaar en daarmee van een korting op het AOWpensioen van 8%. Uit het bestreden besluit valt niet af te leiden dat deze verslechtering ook mogelijk zou zijn geweest als betrokkene geen bezwaar had gemaakt. Door de in het bestreden besluit genoemde drie maanden in 2012 als niet-verzekerde periode aan te merken, heeft de Svb volgens de rechtbank in strijd gehandeld met het verbod van reformatio in peius.

Het standpunt van de Svb

3. De Svb is het niet eens met de uitspraak van de rechtbank, met uitzondering van het deel van de uitspraak waarin de Svb is opgedragen het griffierecht van betrokkene te vergoeden. De Svb heeft in het besluit van 6 januari 2023 vastgesteld dat betrokkene niet verzekerd was tot en met 30 juni 2012. Dit heeft de Svb gebaseerd op de eerdere verklaringen van betrokkene en de destijds bekende gegevens van de Deutsche Rentenversicherung. Tijdens de bezwaarprocedure is de Svb nagegaan wat de Duitse stand van de verzekering was en toen is gebleken dat betrokkene een Duitse werkloosheidsuitkering ontving tot en met 30 september 2012 en op die grond nog verzekerd was in Duitsland. Het gevolg hiervan is dat betrokkene ook in de periode van 1 juli tot en met 30 september 2012 niet verzekerd was voor de AOW. Volgens de Svb kan de rechtbank niet in strijd met het Europees recht bepalen dat betrokkene over deze periode wel verzekerd is geweest voor de AOW. De Svb verwijst naar Vo 883/20042, op grond waarvan bij grensoverschrijdende situaties de verzekerde jaren voor de AOW moeten worden vastgesteld in samenwerking met de desbetreffende landen. Bovendien vloeit uit de AOW zelf voor de Svb een bevoegdheid en zelfs verplichting voort om, in dit geval, te bepalen dat betrokkene ook over de periode 1 juli 2012 tot en met 30 september 2012 niet verzekerd is geweest voor de AOW en dat deze periode meetelt voor de korting op het AOW-pensioen. Van reformatio in peius is geen sprake.

Het standpunt van de betrokkene

4. Betrokkene heeft in haar verweerschrift betoogd dat zij in 2007, 2008 en 2009 wel verzekerd wil worden geacht. Volgens betrokkene heeft zij in die perioden ook premies volksverzekeringen betaald. Ten slotte heeft zij erop gewezen dat per januari 2024 de korting op AOW-pensioenen vanwege schuldige nalatigheid wettelijk is afgeschaft. Ter zitting heeft betrokkene toegelicht dat zij zich toch kan vinden in de uitspraak van de rechtbank.

Het oordeel van de Raad

Conclusie en gevolgen

BESLISSING

(getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels