Centrale Raad van Beroep, 13-11-2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1665, 23/1636 WSF
Centrale Raad van Beroep, 13-11-2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1665, 23/1636 WSF
Gegevens
- Instantie
- Centrale Raad van Beroep
- Datum uitspraak
- 13 november 2025
- Datum publicatie
- 20 november 2025
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2025:1665
- Zaaknummer
- 23/1636 WSF
Inhoudsindicatie
Omdat onduidelijk was of appellante recht had op studiefinanciering heeft de minister pas, na een procedure, een reisrecht aan appellante toegekend. Appellante heeft daarom enkele maanden niet gratis of met korting kunnen reizen. De minister heeft erkend dat de aanvankelijke weigering van studiefinanciering onrechtmatig was. Het gaat in deze zaak om de vraag of de minister aan appellante om die reden een schadevergoeding moet betalen. Volgens de Raad is dat het geval en ligt het daarbij voor de hand om de vergoeding van de schade (gemaakte kosten, maar ook gemist voordeel) op een redelijk bedrag vast te stellen. Daarvoor wordt aangesloten bij het bedrag dat studenten krijgen die tijdelijk in het buitenland studeren en daarom geen gebruik kunnen maken van het reisrecht. Dat is ongeveer 100 euro per maand. Daarover moet ook wettelijke rente worden vergoed.
Uitspraak
23/1636 WSF
Datum uitspraak: 13 november 2025
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 17 april 2023, 22/5755 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)
SAMENVATTING
De minister heeft pas achteraf een reisrecht aan appellante toegekend. Op dat moment kon appellante daarvan geen gebruik meer maken. Dat betekent dat appellante niet gratis of met korting heeft kunnen reizen. Het gaat in deze zaak om de vraag of de minister aan appellante om die reden een schadevergoeding moet betalen. Volgens de Raad is dat het geval en ligt het daarbij voor de hand om de vergoeding van de schade op een redelijk bedrag vast te stellen. Daarvoor wordt aangesloten bij de reisvoorziening in geld. Dat is het bedrag dat studenten krijgen die tijdelijk in het buitenland studeren en daarom geen gebruik kunnen maken van het reisrecht.
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. P.S. Folsche, advocaat, hoger beroep ingesteld. De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak op een zitting behandeld op 10 juli 2025. Appellante was daarbij via beeldbellen aanwezig en zij heeft zich laten bijstaan door mr. Folsche. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H. Bouhuys.
OVERWEGINGEN
Inleiding
Appellante is niet-Nederlands Unieburger. Zij heeft studiefinanciering op grond van de Wsf 20001 aangevraagd voor haar studie Biomedical Sciences aan de Vrije Universiteit Amsterdam, in de vorm van een aanvullende beurs, een lening en een reisvoorziening in de vorm van een reisrecht.2
De minister heeft deze aanvraag aanvankelijk over alleen de maanden januari en februari 2021 toegewezen. Naderhand, in 2022, heeft de minister de aanvraag alsnog voor de resterende maanden van 2021 gehonoreerd.
Door middel van een formulier ‘Aanvraag Schadevergoeding studentenreisproduct’ heeft appellante op 4 maart 2022 verzocht om toekenning van schadevergoeding omdat pas achteraf is vastgesteld dat zij over het gehele jaar 2021 recht had op studiefinanciering. Hierdoor heeft appellante een deel van het jaar geen gebruik kunnen maken van haar reisrecht.
Met een besluit van 28 maart 2022 heeft de minister het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Appellante heeft daartegen bezwaar gemaakt.
Met een brief van 23 juni 2022 heeft de minister aan appellante verzocht om bewijsstukken op te sturen van de reiskosten die zij heeft gemaakt in de periode van 1 maart tot en met 12 maart 2021 en van 10 juni tot en met 31 december 2021. In de tussenliggende periode had appellante haar reisrecht geactiveerd.
Appellante heeft in reactie op de brief van 23 juni 2022 verzocht om haar schade met toepassing van artikel 3.29 van de Wsf 2000 te begroten op het bedrag genoemd in artikel 3.27, tweede lid, onder b, van de Wsf 2000. Zij heeft geen bewijsstukken ingezonden. Appellante stelt verder dat zij het reisrecht op 10 juni 2021 heeft stopgezet omdat de minister haar daar destijds toe heeft aangemaand.
Met een brief van 4 juli 2022 heeft de minister erop gewezen dat toepassing van artikel 3.29 van de Wsf 2000 voor appellante niet aan de orde is en opnieuw verzocht om bewijsstukken.
Op 11 juli 2022 heeft appellante aan de minister meegedeeld dat zij haar standpunt, zoals weergegeven onder 1.6, handhaaft.
Met een besluit van 28 juli 2022 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van appellante tegen het besluit van 28 maart 2022 ongegrond verklaard.
Uitspraak van de rechtbank
2. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, overwogen dat artikel 3.29, eerste lid, van de Wsf 2000 niet van toepassing is op de situatie van appellante. Dat de minister in het verleden in andere zaken wel is overgegaan tot het vergoeden van schade op grond van artikel 3.29 van de Wsf 2000, maakt niet dat hij gehouden is om dat ook in de zaak van appellante te doen, te meer omdat de minister nu het standpunt inneemt dat voornoemd artikel niet van toepassing is in situaties als hier aan de orde. Daar komt bij dat uit de rechtspraak van de Raad niet volgt dat de minister in gevallen als de onderhavige gehouden is de hoogte van de schadevergoeding vast te stellen op grond van artikel 3.29 van de Wsf 2000.3 Gelet daarop heeft de minister het verzoek om schadevergoeding terecht aangemerkt als een verzoek als bedoeld in artikel 8:88 van de Awb.4 Voor vergoeding is vereist dat de gestelde schade verband houdt met een onrechtmatig besluit of het onrechtmatig nalaten een besluit te nemen. Alleen schadeposten die aan het bestuursorgaan – mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en schade – als een gevolg van dat besluit kunnen worden toegerekend, komen voor vergoeding in aanmerking. De schadevergoeding moet de schuldeiser zoveel mogelijk in de toestand brengen waarin hij zou verkeren als het schadeveroorzakende feit zich niet zou hebben voorgedaan. Het is aan de belanghebbende om de gestelde schade op objectieve en controleerbare wijze aannemelijk te maken. Omdat appellante alleen gesteld heeft schade te hebben geleden, maar deze schade niet met objectieve en verifieerbare stukken heeft onderbouwd, wijst de rechtbank het verzoek om vergoeding van schade af.
Het standpunt van appellante
Appellante betoogt primair dat artikel 3.29 van de Wsf 2000 in het voorliggende geval (analoog) kan worden toegepast. Volgens appellante volgt uit de uitspraak van de Raad van 4 juni 2014, waarnaar de rechtbank heeft verwezen, niet meer of anders dan dat de forfaitaire bedragen niet zijn bedoeld om de aansprakelijkheid van de minister te beperken tot dat bedrag. In het geval de betrokken student meer of andere schade heeft geleden, blijft daarvoor de weg van artikel 8:88 van de Awb openstaan. Hoewel er onderscheid kan worden gemaakt tussen de situatie waarin het reisproduct voor de student niet beschikbaar was omdat aan hem de studiefinanciering niet was toegekend, en de situatie waarin de studiefinanciering wel was toegekend maar het reisproduct om andere reden voor de student niet beschikbaar was, is dat onderscheid zuiver dogmatisch. Niet valt in te zien waarom dat onderscheid relevant zou zijn. Uit de totstandkomingsgeschiedenis blijkt niet dat de wetgever die situatie heeft voorzien, laat staan dat is bedoeld die uit te sluiten van het toepassingsbereik van artikel 3.29 van de Wsf 2000. Appellante beroept zich voor toepassing van artikel 3.29 van de Wsf 2000 tevens op het gelijkheidsbeginsel. De minister heeft in vergelijkbare situaties aan andere studenten wél een vergoeding toegekend op grond van voornoemd artikel. De minister heeft dat ook erkend. Subsidiair heeft appellante verzocht haar verzoek toe te wijzen met toepassing van artikel 8:88 van de Awb. Daarbij zou de schade moeten worden begroot door te kijken naar het misgelopen voordeel. Wat appellante betreft wordt daarbij dan aansluiting gezocht bij de bedragen die worden genoemd in artikel 3.27 van de Wsf 2000.
Het standpunt van de minister
Volgens de minister bestaat er geen aanleiding artikel 3.29 van de Wsf 2000 (analoog) toe te passen in gevallen waarin het reisrecht pas achteraf is toegekend. Een dergelijke ruime toepassing is door de wetgever niet beoogd en nu de schaderegeling van titel 8.4 van de Awb openstaat, heeft de student voldoende mogelijkheid (werkelijke) schade vergoed te zien. Dat de Wsf 2000 voorziet in een forfaitaire schaderegeling voor specifieke gevallen, maakt niet dat in gevallen die niet onder die regeling vallen niet van de student kan worden gevergd dat hij zijn schade concretiseert. In het verleden is het artikel wel eens toegepast in gevallen waarin het reisrecht pas achteraf is komen vast te staan. Hierbij was geen sprake van een bewuste keuze om het artikel ruimer toe te passen, maar van fouten. Volgens vaste rechtspraak strekt het gelijkheidsbeginsel niet zo ver dat het bestuursorgaan gedwongen kan worden gemaakte fouten te (blijven) herhalen, ook niet als het gaat om fouten die vaker zijn gemaakt. Het nadeel bij het niet kunnen gebruiken van een studentenreisproduct bestaat uit niet gratis en niet met korting kunnen reizen. De schade behorend bij dit nadeel kan eenvoudig worden onderbouwd met bewijsstukken over de gemaakte reiskosten. Vergoeding van die gemaakte reiskosten levert een vergoeding van de werkelijk geleden schade op en deze wijze van schadebegroting is daarom het meest in overeenstemming met de aard van de schade. Appellante heeft geen onderbouwing gegeven van de door haar gemaakte kosten. Dat appellante aanvoert haar reisbewegingen te hebben geminimaliseerd maakt dat niet anders. Voor zover in deze situatie (ook) schade wegens misgelopen voordeel voor vergoeding in aanmerking zou moeten komen, geldt dat zoveel mogelijk wordt gekeken naar de omstandigheden van het concrete geval. Het misgelopen voordeel in dit concrete geval bestaat uit de waarde van de reizen die appellante met het studentenreisproduct zou hebben gemaakt. Van appellante mag worden verwacht dat zij ook deze schade in zoverre onderbouwt dat zij inzicht geeft in de reisbewegingen die zij zou hebben gemaakt. Appellante heeft dat niet gedaan. Volgens de minister is het niet juist om voor de berekening van het misgelopen voordeel aan te sluiten bij het bedrag dat is opgenomen in artikel 3.27 van de Wsf 2000, omdat het niet representatief is voor de toestand waarin appellante zonder de onrechtmatige besluitvorming zou hebben verkeerd. Het forfaitaire bedrag hangt namelijk samen met de door de Staat aan OV-bedrijven te betalen vergoeding en is niet het bedrag dat appellante is misgelopen doordat zij geen gebruik heeft kunnen maken van haar reisrecht. Mede gelet op de concretere mogelijkheden om de gestelde schade te onderbouwen bestaat er geen grond om over te gaan tot een abstracte wijze van schadebegroting.