Home

Centrale Raad van Beroep, 04-11-2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1662, 23/2691 PW

Centrale Raad van Beroep, 04-11-2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1662, 23/2691 PW

Gegevens

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
4 november 2025
Datum publicatie
26 november 2025
ECLI
ECLI:NL:CRVB:2025:1662
Zaaknummer
23/2691 PW

Inhoudsindicatie

Verrekening. Wezenpensioenen. Middelen. Geen analoge toepassing. Geen geslaagd beroep op evenredigheidsbeginsel. Appellante kon beschikken over het tegoed op de bankrekening van de bij haar inwonende minderjarig dochter en maakte daar ook gebruik van. Niet in geschil is dat de in art. 31 lid 2 onder h PW genoemde uitzonderingen op het middelenbegrip niet betrekking hebben op wezenpensioenen. Het standpunt van appellante is dat deze pensioenen met een analoge toepassing van deze bepaling niet tot de middelen moeten worden gerekend. Dat kan niet worden gevolgd. Met een analoge toepassing van deze bepaling wordt in feite een nieuwe uitzonderingscategorie in het leven geroepen, terwijl het vaste rechtspraak is dat voornoemde bepaling een limitatieve opsomming geeft van de vermogens- en inkomensbestanddelen die niet tot de middelen worden gerekend. Een analoge toepassing strookt daar niet mee.

Uitspraak

23/2691 PW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 24 augustus 2023, 23/842 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Zwolle (college)

Datum uitspraak: 4 november 2025

In deze uitspraak gaat het over de verrekening met de bijstand van twee wezenpensioenen die de minderjarige dochter van appellante maandelijks ontvangt op haar bankrekening. Appellante heeft aangevoerd dat zij niet over de bedragen van de wezenpensioenen kan beschikken en als die grond niet slaagt dat de wezenpensioenen op grond van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder h, van de Participatiewet (PW) niet als middelen in aanmerking moeten worden genomen. Ten slotte heeft appellante aangevoerd dat zij onevenredig zwaar wordt getroffen door de verrekening. Zij krijgt geen gelijk.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.H. van den Berg, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 23 september 2025. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van den Berg. Verder is [naam] verschenen, de voormalig bewindvoerder van appellante. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Guliker.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.

1.1.

Appellante ontvangt sinds 26 februari 2013 bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder, laatstelijk op grond van de PW. Op het uitkeringsadres woont behalve appellante ook haar minderjarige dochter. De dochter ontvangt na het overlijden van haar vader sinds 1 juli 2021 twee wezenpensioenen: een uitkering van Stichting Pensioenfonds voor Personeelsdiensten van (ten tijde van belang) € 262,45 netto per maand en een uitkering van Pensioenfonds Metaal en Techniek van (ten tijde van belang) € 111,88 netto per maand (wezenpensioenen), in totaal € 374,33 per maand.

1.2.

Uit de uitkeringsspecificatie van 30 juni 2022 volgt dat het college vanaf april 2022 een bedrag van € 374,33 per maand verrekent met de bijstand van appellante. Op de uitkeringsspecificatie zijn de wezenpensioenen vermeld. Appellante heeft daartegen bezwaar gemaakt, maar het college is met een besluit van 16 februari 2023 (bestreden besluit) bij de verrekening gebleven. Aan het bestreden besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat de wezenpensioenen middelen zijn als bedoeld in artikel 31, eerste lid, van de PW en met toepassing van artikel 58, vierde lid, van de PW worden verrekend met de bijstand. Verder wordt appellante niet onevenredig zwaar getroffen door de verrekening omdat het totale inkomen net zo hoog is als wanneer er geen wezenpensioenen aan de dochter zouden worden uitgekeerd.

Uitspraak van de rechtbank

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.

Het standpunt van appellante

3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat zij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad

Conclusie en gevolgen

BESLISSING

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels