Centrale Raad van Beroep, 04-11-2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1658, 24/1424 PW
Centrale Raad van Beroep, 04-11-2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1658, 24/1424 PW
Gegevens
- Instantie
- Centrale Raad van Beroep
- Datum uitspraak
- 4 november 2025
- Datum publicatie
- 26 november 2025
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2025:1658
- Zaaknummer
- 24/1424 PW
Inhoudsindicatie
Intrekking van bijstand. Terugvordering. Verrekening. Beschikken over middelen van stichting. Schadevergoeding redelijke termijn. Niet in geschil is dat appellant in de te beoordelen periode bestuurder was van de stichting. Omdat de stichting is opgericht met als doel om de betrokkenen te laten beschikken over de middelen van de stichting en appellant als bestuurder van de stichting ook daadwerkelijk over alle middelen van de stichting kon beschikken, moeten het vermogen en de inkomsten van de stichting worden aangemerkt als vermogen en inkomsten waarover appellant beschikte dan wel redelijkerwijs kon beschikken. Geen aanleiding bestaat om het vermogen waarover appellant kon beschikken door drie te delen. Alle drie de bestuurders waren volledig en zelfstandig bevoegd om over het geheel van de middelen van de stichting te beschikken.
Uitspraak
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 24 mei 2024, 23/1421 en 23/2629 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van 's-Hertogenbosch (college)
Datum uitspraak: 4 november 2025
Het gaat in deze zaak om een intrekking en terugvordering van bijstand, een verrekening van een kostenvergoeding en om een afgewezen verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Aan de intrekking en terugvordering ligt ten grondslag dat appellant feitelijk heeft kunnen beschikken over het in onroerende zaken gebonden vermogen van een stichting en over de kasstortingen op rekening van die stichting. Appellant voert aan dat hij daarover niet kon beschikken. Hij krijgt daarin geen gelijk. Wel krijgt hij gelijk in het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. L.L. Ross, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaken behandeld op een zitting van 23 september 2025. De zaken zijn gelijktijdig behandeld met de zaak 20/4198 PW en de zaak 24/1423 PW van de vader van appellant. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Ross. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Yesildag. In de zaken 20/4198 PW en 24/1423 PW is vandaag afzonderlijk uitspraak gedaan.
OVERWEGINGEN
Inleiding
Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
Appellant ontving sinds 9 augustus 2001 bijstand laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand.
Medio 2009 zijn zowel bij de Belastingdienst als bij de politie signalen binnengekomen over de familie waarvan appellant deel uitmaakt. Deze signalen gingen over frauduleuze handelingen en ten onrechte ontvangen uitkeringen. Naar aanleiding van deze signalen heeft een grootschalig onderzoek plaatsgevonden, dat in eerste instantie werd verricht door de Belastingdienst en de politie. Zij hebben de onderzoeksgegevens uitgewisseld met de afdeling Sociale Recherche van de gemeente ’s-Hertogenbosch (sociale recherche). De sociale recherche heeft een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. Dit onderzoek zag onder meer op:
- -
-
de (wijze van verkrijging van) twee onroerende zaken die in 2001 en 2009 op naam van de Stichting X (stichting) zijn gezet ˗ van welke stichting appellant, zijn vader en zijn broer de bestuurders zijn ˗ welke onroerende zaken destijds door de stichting zijn aangekocht voor een bedrag van ƒ 1.250.000,-, respectievelijk € 345.000,-;
- -
-
een door appellant op 17 november 2004 ontvangen schadevergoeding van € 15.000,-;
- -
-
kasstortingen op de bankrekening van de stichting in de periode van 1 januari 2008 tot en met 1 augustus 2011 tot een bedrag van € 379.354,76,-.
De bevindingen van het onderzoek van de sociale recherche zijn neergelegd in rapporten van 26 juni 2012, 8 augustus 2012 en van 5 februari 2013.
In de onderzoeksbevindingen heeft het college aanleiding gezien om met een besluit van 5 juli 2012 de bijstand van appellant met ingang van 3 april 2012 in te trekken. Met de uitspraak van vandaag in de zaak 20/4198 PW is dit besluit in rechte komen vast te staan. Het college heeft ook aanleiding gezien om met een besluit van 28 februari 2013 de bijstand van appellant met ingang van 12 september 2001 in te trekken en de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 12 september 2001 tot en met 30 juni 2012 tot een bedrag van € 128.810,- van appellant terug te vorderen.
In de strafrechtelijke procedure heeft de rechtbank Oost-Brabant appellant met een vonnis van 18 januari 2016, met parketnummer [nummer 1] , veroordeeld tot een gevangenisstraf. In het daartegen ingestelde hoger beroep heeft het gerechtshof ’sHertogenbosch (hof) appellant met een arrest van 10 december 20201, met parketnummer: [nummer 2] , rekening houdend met een overschrijding van de redelijke termijn, veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden. Appellant is veroordeeld voor het medeplegen van gewoontewitwassen als natuurlijk persoon en als feitelijk leidinggever, het medeplegen van valsheid in geschrifte en het opzettelijk nalaten gegevens aan een uitkeringsinstantie te verstrekken. De Hoge Raad heeft met een arrest van 6 december 2022, het beroep in cassatie verworpen.2
Met een besluit van 28 april 2023 (bestreden besluit 1) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 28 februari 2013 gegrond verklaard, dat besluit herroepen en de bijstand van appellant per 12 december 2001 (bedoeld is: over de periode van 12 december 2001 tot en met 30 juni 2012; de te beoordelen periode) ingetrokken en de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 12 december 2001 tot en met 30 juni 2012 tot een bedrag van € 128.121,28 van appellant teruggevorderd. Aan het bestreden besluit 1 ligt ten grondslag dat appellant in deze periode heeft kunnen beschikken over vermogen en inkomsten, waarvan hij geen melding heeft gedaan bij het college. Appellant had daarom geen recht op bijstand.
Met een besluit van 27 juli 2023 (bestreden besluit 2) heeft het college de bij bestreden besluit 1 toegekende vergoeding voor de gemaakte kosten in bezwaar van € 1.194,- verrekend met de onder 1.6 vermelde vordering.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard en daarmee deze besluiten in stand gelaten. Ook heeft de rechtbank het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade wegens overschrijding van de redelijke termijn afgewezen. Het oordeel van de rechtbank komt er in de kern op neer dat de stichting een schijnconstructie is, bedoeld om de bestuurders van die stichting in staat te stellen om te kunnen beschikken over onroerende zaken op naam van de stichting en over de tegoeden op de rekening van de stichting. De rechtbank heeft het verzoek om schadevergoeding afgewezen, omdat aannemelijk is dat het college met instemming van appellant de uitkomst van de strafrechtelijke procedures heeft afgewacht.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.